30-09-07

MOST LIKELY YOU GO YOUR WAY (AND I'LL GO MINE)

bob dylan,pop,clip,stijl,popcultuur,icoon
Soms zegt de hoes van een ep of lp - op een andere manier - bijna evenveel als een song. 

PORTRET VAN DE KUNSTENAAR ALS BLAUWE ROTTWEILER


Rottweiler1

Variatie op een thema van Dylan Thomas.

Zou jij je hand in de muil van deze kunstenaar durven steken?
Zou je om zijn leven te redden blootsvoets door brandende velden snellen?
Zou je je afwenden van de radio en luisteren naar zijn woest gezongen lied?

29-09-07

EEN MAN VAN BIJZONDERE EIGENSCHAPPEN

musil,s  fischer,karl corino,de man zonder eigenschappen

In Karl Corino’s ‘Musil-Een biografie’, een verbluffend werk, las ik een passage die ik de lezers van hoochiekoochie niet wil onthouden.

In 1913 gaf Robert Musil, toen 33, zijn baan als bibliothecaris in de Technische Hogeschool te Wenen op. Hij had er nauwelijks een boek aangeraakt, aangezien hij bijna voortdurend in ‘ziekteverlof’ was. Musil had al een tijdje het plan opgevat om te solliciteren voor een betrekking als redacteur bij de uitgeverij S. Fischer, in Berlijn, meer bepaald voor het toonaangevende literaire tijdschrift ‘Die Neue Rundschau’. Ondanks zijn status als auteur, vooral na het kritisch succes van ‘Die Verwirrungen des Zöglings Törless’ (in het Nederlands vertaald door Frank Diamand), werd hij niet zomaar meteen aangeworven. Een aantal werknemers van S. Fischer, waaronder Moritz Heiman, moest de sollicitant beoordelen. Het is een fragment uit diens beoordeling van Musils geestelijke fysionomie dat ik hier graag citeer:

 

“De heer Musil”, schrijft Heiman, “is zonder twijfel een man van bijzondere eigenschappen: ontwikkeld, rijk aan kennis, met een diep reikend en scherp verstand. Hoogst talentvol, en bovendien in sociaal opzicht intelligent en scherpzinnig.

Nochtans had ik – niet een bedenking, maar toch een ‘ter overweging’. Zijn talent, dat onbuigzaam is en hard als diamant, is toch ook taai en ontbeert productiviteit in eigenlijke zin, waar ik niet de kwantiteit van het geproduceerde onder versta, maar een typische, moeilijk te definiëren spanning. Geheel in overeenstemming daarmee is dat zijn natuur en zijn geest om zichzelf heen cirkelen, dat ze in al hun instincten exclusief zijn en dat ze slechts uit hoffelijkheid van hoogmoed afzien.”

De cursivering is van mij. Merkwaardig is immers de omschrijving ‘een man van bijzondere eigenschappen’, daar Musil niet veel later zijn levenswerk, De man zonder eigenschappen, zou aanvatten, wat zonder twijfel zeer veel autobiografische elementen bevat.

28-09-07

RED DE SOLIDARITEIT


logo


Op de blog Roen’s Ranch van Roen het Zwoen las ik een schitterende aanval tegen het Vlaams nationalisme. Zijn pamflet is bovendien een hartverwarmend pleidooi voor solidariteit met Wallonië. Roen roept op om de petitie voor solidariteit in België meteen te ondertekenen, voor het te laat is. Ik sluit me aan bij Roen, heb de petitie al ondertekend, en roep de lezers van mijn blog nu zelf ook op om hetzelfde te doen. Tekenen dus, voor het te laat is: http://www.reddesolidariteit.be/

CHINESE DOODT GELIEFDE MET EEN GIFKUS

 

nieuws,destandaard,chinezen,liefde,haat

Edvard Munch, Jaloezie.


“Een Chinese vrouw die haar geliefde heeft vermoord via een kus waarmee ze hem gif toediende, is ter dood veroordeeld. Xia Xinfeng bracht tijdens een zoen een capsule met rattengif over van haar mond naar de mond van haar vriend. De vriend slikte de capsule in en overleed korte tijd later. Het stel had besproken dat als een van hen vreemd zou gaan, hij of zij dood moest. Xia had ontdekt dat haar geliefde met een andere vrouw had gepraat en ze vond dat hij daarmee zijn belofte had gebroken.”

Dat staat zwart op wit in De Standaard. Daar kan ik niets meer aan toevoegen. Nu moet ik eerbiedig zwijgen.

27-09-07

NIGHT AND DAY

De nacht. Blijvend duister dat ik keer op keer weer uitdrijf. Donkere zijde. Zwarte wildgroei die ik alsof ik hem zo kan snoeien van mij af schrijf. 

Hier komt de dag. Nu ik mezelf opnieuw boven het witte blad verberg. Noodlotssymfonie die de groezelige daken van deze stad vervloekt. Slenter door de gewelven van de ondergang. Stenen liggen voor het grijpen, edele verharde bomen. Ga! En keer terug met enkele ultieme woorden. Bezing daarmee de vriendschap en de liefde!

Of toch niet? De dag behoort toe aan fantomen die ik de oorlog heb verklaard, al van bij mijn tweede geboorte. Onherroepelijk, omdat ik besta, wil bestaan. Toen al greep ik naar de wapens van pijn en voltrokken gedachten en trok ik ten strijde tegen het leger van knielende dode zielen die mijn kern, de uitspraak van mijn bestaan, negeren.

Te zwak echter om zelfs maar te willen triomferen. En zoals er kunst om de kunst is, is er strijd om de strijd. Want wat hebben hartslag en ademhaling anders voor zin?

25-09-07

VAN MONUMENTEN EN MENSEN

justitiepaleis,brussel,henri poelaert,sterfelijkheid

Het 'Paleis van Justitie': hoofdletters graag. Absurd, lelijk en toch onweerstaanbaar, door een onnoembare schoonheid aangetast, verheft het zich boven deze stad – een wanstaltig gedrocht, dat blijft fascineren, als een teken zonder betekenis.


Walg ik dan niet van deze ‘pseudo-eeuwigheid’ opgetrokken uit voornamelijk steen? Deze megalomanie, de hunker naar het overstijgen van ruimte en tijd, de illusie dat de dood kan worden overwonnen. In een soort van ‘godsroes’ stierf de bouwmeester, Henri Poelaert. Dat zou geen verbazing mogen wekken.

En willen velen van ons zich niet verheffen boven de anderen, beter zijn, sterker, verstandiger, rijker, meer gestaald? Zijn velen van onze lelijke soort toch niet aangetast door een onnoembare schoonheid, wat de fascinatie en het verlangen verklaart, het behagen en de behaagzucht, de moed om te kussen en de gedweeheid om zich te laten kussen? Leven velen van ons niet in de illusie dat ze onsterfelijk zijn en denken ze - alsof ze kleine goden zijn – dat ze het uur van de grote ontgoocheling, het moment van de val,  kunnen blijven uitstellen?

24-09-07

DE ANDEREN MAAR NEGEREN?


Artaud-par-Pastier 2


'Vlaanderen kan zich geen stilstand of achteruitgang veroorloven en moet visionair en ambitieus zijn', zei Kris Peeters, de minister-president, vandaag in het Vlaams Parlement. Harald Szeemann is helaas al weer een tijdje overleden. Hij heeft alvast met veel verve aangetoond dat België uitgesproken visionair is. Of hij dat ook van Vlaanderen vond, kunnen we hem niet meer vragen. Ik denk dat Szeeman België als een veelzijdig, multicultureel en polyglot land beschouwde. Mijnheer Peeters beweert bovendien dat negentig procent van de Vlamingen tevreden is. Waarom ligt het zelfmoordcijfer hier dan zo hoog, na Finland – waar het bijna altijd donker is – het hoogste van Europa? Of schiet men zich alleen in Wallonië en Brussel een kogel door de kop, terwijl de Vlamingen kermissen, kerken en beurzen bezoeken?

Gisteren tijdens een wandeling zag ik heel wat Belgische driekleuren uit ramen wapperen. Het was nochtans geen nationale feestdag en er was geen koning of prinses gestorven. Ik denk dat de mensen bang zijn voor de ontbinding van het land en dat het door het raam hangen van de vlag een symbool of symptoom van die angst is. Ik ben niet bang voor het uiteenvallen van België. Wat er daarna gebeurt, zullen we wel zien. Niets goeds, vermoed ik: de toekomst heeft zelden goede dingen in het verschiet. Maar met de ontgoochelingen en nare tijdingen die de toekomst brengt ben ik voldoende vertrouwd om er niet langer bang voor te zijn. Wel zou ik het werkelijk oerdom vinden dat men - tegen de wil van de bevolking in - ons vaderland zou splitsen. En natuurlijk het tegendeel van democratisch. Wie ligt daar echter nog van wakker? Al Gore had in de VS destijds de meeste stemmen en de verachtelijke, sluw-domme Bush werd president, en daarna werd hij nog eens herkozen ook. Ach, laat me maar zwijgen.

‘Vous devez ignorer les autres. Les repousser. Quand je vous vois souffrir, travailler sur un mot, et tout ces poètes qui n’ont rien à dire, je ne les accepte pas. Vous ne devez pas les accepter non plus.’ Deze uitspraak van Antonin Artaud – uit een brief van Artaud aan de dichter Jacques Prével - trof ik vandaag aan in een oud dagboekfragment van me. Ik denk dat ik er me destijds heel goed in kon herkennen, vooral in de aangesprokene, Jacques Prével, die zo zit te zwoegen op een woord – terwijl ik vanop een niet geringe hoogte neerkeek op de boekenbeursschrijvers, die telkens weer opnieuw in september-oktober hun schrijfsels samenraapten en ze van een flitsende omslag lieten voorzien.

Afbeelding: Antonin Artaud door Georges Pastier.

22-09-07

BELGIË-BELGIQUE

antwoord,commentaar,rudy aernoudt,apocalyps, tiefenthal


Wegens technische problemen bij Skynet kan ik geen commentaar op mijn teksten beantwoorden. Dan maar rechtstreeks… Marc Tiefenthal  had de volgende bedenking bij De kom, mijn vorige tekst, en bij mijn opdracht hierboven aan Rudy Aernoudt: ‘Dit verhaal schreeuwt om een vervolg,” schrijft hij, “tenzij het een droom is, enfin, een nachtmerrie. Wat doet Rudy Aernoudt ineens in de aanhef? Solidariteit? “

Mijn antwoord zou het volgende geweest zijn:  

"Dank je Marc, ik zal je suggestie in overweging nemen... Maar is er wel een vervolg mogelijk na de Apocalyps? (Vreemd dat hier onverbiddelijk een hoofdletter A komt opgedoken.)" 

Die Rudy Aernoudt is bijna een wanhoopskreet. Je weet dat ik een Belg ben en niet echt een Vlaming, ik ben namelijk in Antwerpen geboren en niet in Oost- of West-Vlaanderen. Daarnaast heb ik Limburgse roots, die teruggaan tot het prinsbisdom Luik. Limburgers hebben vaak Franse voornamen, je hebt er heel veel Jeans, Pierres, Mathieus, en ook wel een aantal Martins. Mijn vader zaliger sloot zich - na krijgsgevangenschap - aan bij het verzet. Hij was niet bepaald een held, maar wat hij deed, deed hij ten dienste van zijn vaderland, België-Belgique. Rudy Aernoudt staat daar alleen maar vanwege een interview dat ik met hem las over de toekomst van het land. Zijn ideeën spraken me wel aan. Voor de rest ken ik de man niet. De naam staat daar als een symbool. Binnenkort is hij weer weg en staat er een andere naam.

21-09-07

DE KOM


Een atoombom ontplofte in de omgeving van ‘Brussel’. De vrouw en ikzelf waren ongedeerd. Het beeld van de paddenstoel die langzaam opsteeg, nu al triomfantelijk boven de velden en de boomgaarden van het Pajottenland hing, bracht me geheel van streek. “Laten we vluchten!”, riep ik uit. “Laten we rennen zo hard als we kunnen. Laten we op z’n minst toch de metro nemen in de tegenovergestelde richting van de rookzuil.”

Mijn voorstel viel in een diepe kloof van stilte. Een verlossende reactie kwam er niet. We waren als verlamd, en toch werd ook wat stilletjes gelachen, ergens in de schaduw van een kleerkast.

 

De paddenstoelwolk ging overhellen, verplaatste zich schuin en dreigend, roodgrijs, in onze richting. Een man ging buiten kijken of het al regende. Toen hij weer binnen kwam vroeg ik hem naar de stand van zaken. Hij antwoordde bevestigend noch ontkennend. Er bleef mij nog de hoop ‘het huis’ hermetisch te kunnen afsluiten, dan zouden we toch, in zekere zin, beschut zijn tegen de radioactieve regen en allerhande giftige gassen.

 

Even later kwam de vrouw binnen met een porseleinen kom waarin ze, naar ze beweerde, radioactief water uit de hemel had opgevangen. Ze ging zitten, waarbij haar jurk wat openviel, en plaatste de kom in haar schoot. Ze viste er een heel aantal volstrekt identieke voorwerpen uit, die mij onbekend en nutteloos voorkwamen. Dat vissen deed ze zonder haar handen onder te dompelen in het water; ze maakte gebruik van een lange, metalen haak, die nu een roestige kleur had.

 

De kom in de schoot van de vrouw kreeg een onverklaarbare aantrekkingskracht op me, wat me dichter naar haar toe dreef. Alsof mijn armen en handen over een eigen vrije wil beschikten, strekten ze zich uit in de richting van de kom, met daarin het raadselachtige water.

Enkele druppels van de vloeistof raakten mijn vingers, die meteen werden verschroeid. Vooral duim en wijsvinger waren aangetast, ernstig verbrand zelfs. Het duurde niet lang eer ze helemaal waren verschrompeld. Ik vreesde dat deze vorm van besmetting, van degeneratie, zich over heel mijn lichaam zou uitzaaien.

19-09-07

DE MAGERE JONGEN DIE GRAAG OP ZIJN HANDEN LIEP


MERKSEM

Toen ik op de middelbare school kwam, was ik zo mager dat ik heel goed op mijn handen kon lopen. Wat liep ik graag op mijn handen – en dan zo de wereld en de andere scholieren ondersteboven bekijken! Maar meestal liep ik niet op school op mijn handen. Ik deed dat liever ergens waar niemand mij zag.

Ik ben lange tijd mager gebleven, maar op mijn handen ben ik niet blijven lopen. Als ik nu nog zo jong en zo mager was zou ik veel succes hebben als fotomodel, of als filmster; meisjes zouden voor me in zwijm vallen, Kate Moss zou een verhouding met me beginnen. Maar niet zo in die dagen. Ik werd gepest omdat ik niet dik was. ‘Knookske’ noemden ze me. Dat was in het begin. Al gauw had ik enkele goede vrienden met wie ik naar singles van the Rolling Stones en Bob Dylan luisterde, en zij namen me in bescherming. Ik herinner me nog Gahr, met zijn boksijzer. Hem durfde niemand in de ogen kijken. Gahr was mijn beschermengel, een gevaarlijke kerel, afkomstig uit het verre Duitsland. Een jaar later noemden ze mij niet meer ‘Knookske’ maar ‘de dichter’, ze vielen me ook niet meer lastig: ze wisten niet wat ze met me aan moesten. Met die lange haren en die vreemde klederdracht, alsof ik uit een nog veel verder land dan Duitsland kwam. Geleidelijk aan nam ik jongere jongens in bescherming door ze laten mee te spelen in mijn toneelstukjes. Ik speelde er graag zelf in mee, om mij te laten bewonderen, als een sprookjesprins, als een broertje van Syd Barrett. Ik speelde er graag in mee, maar liep niet op mijn handen. Wat ik me afvraag is of mijn voeten de grond wel raakten.

 

Nu zit ik in mijn kamer en lees een boek van Joseph Roth, die zich heeft doodgedronken. ’s Avonds bekijk ik een film van Truffaut, L’homme qui aimait les femmes bijvoorbeeld, of voor de zoveelste keer Antonioni’s Cronaca di un amore met de mooie Lucia Bosé. Ik zit te wachten op telefoontjes en e-mail en geef me over aan zelfmedelijden. Overal heb ik vrienden maar ze kennen me niet en ik ken hen niet. Ik voel me zwak en er is niemand om me in bescherming te nemen. Om nu nog op mijn handen te gaan lopen ben ik niet voldoende mager meer.



Afbeelding: mijn broer en ik (links op de foto) in Merksem, in het huis van grootmoeder.

18-09-07

NAAR DE NEFZAOUA III


markt in douz 2


Afbeelding: illustratie bij NAAR DE NEFZAOUA (Martin Pulaski).

NAAR DE NEFZAOUA II


café in Douz 2

Afbeelding: illustratie bij NAAR DE NEFZAOUA (Martin Pulaski).

17-09-07

NAAR DE NEFZAOUA


just married

Een flashback naar februari 1999 - fragment van een huwelijksreis.

De donkere wolken voorspellen regen. De mensen van hier voorspellen ook regen. Nu heb ik wel graag dat het eens een keer regent, maar het mag natuurlijk niet blijven duren. We gaan een hele dag weg, naar de woestijn. Eerst naar Douz, voor de donderdagmarkt. Daarna naar Zaafrane voor een uurtje op de dromedarissen, echt de woestijn in. Tijdens de rit naar Douz (en de hele dag) zitten we achter in de 4x4, heel ongemakkelijk voor de benen. En je ziet de hele tijd je vijf medereizigers (vier toeristen en een chauffeur). Gelukkig zijn het vrij stille mensen. De man voorin is de hele tijd met zijn videocamera in de weer. Zo heeft hij gelukkig geen aandacht voor ons. Onderweg, in de Chott-el-Jerid, een uniek natuurfenomeen, stappen we even uit. De gids vertelt ons over wat we gaan doen en waar we nu zijn en wat dit allemaal is. Dat wil ik hier niet herhalen. Zie de reisgidsen. Het is erbarmelijk koud en ik wil zo vlug mogelijk weer in de 4x4. Ik denk wel: als het weer mooier wordt huren we een fiets en komen we helemaal alleen naar hier. Dit landschap is gewoon te gek. Je moet je er op je eentje of met zijn tweetjes in onderdompelen. Tijdens een huwelijksreis bijvoorbeeld. Niemand moet daar getuige van zijn. Een paar Tunesische herders mogen ons vanuit de verte wel zien aan komen rijden en hun god mag ons zijn zegen geven. Maar meer niet. Geen Fransen met hun hoogdravende commentaren, met hun duizenden woorden om te zeggen dat ze mooi vinden wat ze zien. Je moet niets zeggen. Woorden breken alleen maar af. Zelfs met poëzie moet je voorzichtig zijn, heel voorzichtig of je breekt met je vergezochte beelden stukjes van de wereld af. Het komt erop aan heel kleine stukjes te bevestigen. Te doen bestaan. Iets nieuws is niet nodig. Of een zwart plastiek zakje misschien? Of zo’n zilveren schijfje misschien, omdat ik er toevallig aan verslaafd ben? Dat alle zilveren schijfjes meteen verdwijnen! Daar lig ik niet van wakker. Als er geen schijfjes meer zijn om naar te luisteren is er nog altijd een huilende hond. Natuurlijk zal ik dan nooit meer naar Donna Summer kunnen luisteren, en dat zal ik toch wel erg vinden. Oooooh, love to love you baby (x100)…

In Douz zijn de straten, vandaag niet veel meer dan modderwegen eigenlijk, koud en vuil en krachtig van geur. Bruine kleuren zoals je ze nooit hebt gezien. Talloze bruinen. Beige, zandkleur. Lichtbruin nat zand. Grijsbruine ezelkeutels. Roestbruine stront van kamelen, van dromedarissen. Schapen die in hun omgeving opgaan. Hun wit stelt niets meer voor. Plotseling de verrassing van de beestenmarkt, wat lager gelegen dan de rest van het stadje. Je kunt het geen schok noemen, wat je daar voor je ziet. Je ziet meteen dat dit er altijd al geweest is. Het is een zacht en tegelijk brutaal visioen, maar dan reëel. Mannen in bruine dekens gewikkeld. Je ziet nauwelijks iets anders dan bruin. Het is zo spooky dat je er geen foto van durft maken. Toch lopen er zeker wel twintig toeristen rond op de beestenmarkt en ze maken foto’s. Hun camera’s zijn zo lelijk. Niet bruin, maar zilverkleurig, net hetzelfde gevloek als dat van jouw Minolta.

Koud dat het is. In een groezelig café drinken we heerlijke thee. We kopen een tapijtje, misschien omdat het met zijn rode kleuren veel warmte uitstraalt. De thee is zoet en warm. En zo rechtstaan in dat café met dat warme glas in je hand, dat verwarmt je hart. Alsof je een romantische ziel bent, in de 19de eeuw verdwaald. De man in het café zegt: maak een foto van mij. Ik ben pittoresk. Hij is bruiner dan om het even wat in deze omgeving. Je zou bijna zeggen: een zwarte man.

Daarna op die dromedarissen. Laura is de eerste. Zij zit al op haar dromedaris nog voor ik goed weet waar ik aan begonnen ben. Dan zit ik ook op mijn beest. Een wild gevaarte dat niet echt tevreden is met zijn last. Ik voel dat hij me van zijn rug af wil. De dromedaris maakt een vreemd brulgeluid, een beetje zoals het geloei van een koe, maar dan psychedelisch. De tong ziet er ook uit of je aan het trippen bent. Je weet wel hoe een echte tong eruitziet, dit is slechts een triptong. Straks word je weer normaal en zie je opnieuw de tong zoals ze is. Maar neen hoor, dit is een of ander ding in de mond van de dromedaris. En nu is er geen gids om je te vertellen wat dat eigenlijk is. Zo’n dromedaris zit vol water, je voelt dat volume tussen je benen. Je voelt dat er allerlei dingen gebeuren in dat vaste lijf. Een heel ander gevoel dan op een fiets. Pas na een tijd zie je ook de woestijn. De woestijn is niet bruin maar geel. Een klein beetje bruin is met je meegekomen: de dromedaris.

Maak nu toch eens een foto, zegt Laura. Maar ik houd me stevig vast, met mijn twee handen, aan het houten spul waar je je aan vast kunt houden. Met roestige ijzerdraad vastgemaakt. Opgelet, denk ik, ik ben niet ingeënt tegen tetanus, en als je dat ergens van kunt krijgen, dan is het wel van kamelen (dromedarissen ook natuurlijk). Kijk ik heb al een schram op de muis van mijn hand. En me toch stevig vast houden. Als ik hier afval is mijn rug gebroken. Jongen, kijk, daar is de woestijn, daar, kijk. De vreselijke woestijn. De absurde woestijn. Zou je er niet eens een keer in willen verdwalen? Een beetje maar? Echt niet? Diep in je hart?

Maar je gedachten dwalen weer af, je waarneming wordt ondermijnd door angsten. Door de geur van je kledingstuk (boernoes of djellaba), doordrenkt van het zweet van zoveel voorgangers-dromedarisberijders. Vergeven van de mijten, van de mijten hun uitwerpselen. Je krijgt er ademnood van, hier in deze zuivere lucht.

Ergens een oponthoud. Het is duidelijk: de dromedaris wil je kwellen. Hoe hij gaat zitten, dat is zeker niet met goede bedoelingen. Die dromedaris van Laura deed dat zo elegant en met veel aandacht voor zijn berijdster.

Nog een tochtje met de 4x4’s door de duinen naar een soort van Hollywoodkastelen, midden in de woestijn. Ze worden gebruikt als filmdecor. We mogen er niet binnen. Dat doet me denken aan Cinécitta. Daar mochten we ook niet binnen. Ik ben nochtans filmstudent, zei ik toen. Ik ben een bewonderaar van Fellini. Ik zou eens een kijkje willen nemen in deze gerenommeerde studio, waar de meester al zijn meesterwerken heeft gemaakt. Het mocht niet baten. De poort bleef gesloten.

Een vrij stevige wind steekt op, je ziet niets meer. Die wind heeft iets uitdagends. Je zou er wel willen in opgaan, een worden met het geheel. Dat is weer typisch natuurlijk. Dat verlangen naar een roes, je onderdompelen. Verdwijnen in iets. Een korreltje zand worden. Maar alle korreltjes zand zijn geteld en jij bent toevallig (of niet zo toevallig) die mens, Martin Pulaski.

Foto: Martin Pulaski.

16-09-07

BEELDEN VAN LEVENDEN EN DODEN



marie et julien


Vorige week zag ik, toevallig of niet, twee films over de relatie tussen de levenden en de doden. Hoe de doden terugkomen, niet als spoken of geesten, maar als reële, tastbare wezens. Geïncarneerde zielen. Solaris van Steven Soderbergh - geen meesterwerk, maar wel een uitstekende film – is een remake van de film van Andrei Tarkovski. Het verhaal is gesitueerd aan boord van een ruimtestation in de nabijheid van de ‘intelligente’ planeet Solaris. Het science-fiction element is zeer ondergeschikte aan de menselijke gevoelens en emoties, met name die van het hoofdpersonage, een psychiater die een rouwproces beleeft. In het ruimtestation ziet hij zijn overleden vrouw terug en voelt hij opnieuw zijn innige liefde. De film verwijst ongetwijfeld naar de mythe van Orpheus en Eurydice. Je kunt de teruggekeerde doden zien als zeer levendige aanwezigheden in de verbeelding van de levenden. Wellicht zijn ze verdrongen naar het onbewuste maar komen ze door een bepaalde gebeurtenis weer aan de oppervlakte. De planeet Solaris is dan een metafoor voor de kracht die het verdrongene weer naar boven haalt. Een rode draad doorheen de film is het schitterende gedicht van Dylan Thomas, And Death Shall Have No Dominion. Het gedicht is ook de afscheidsbrief van de geliefde vrouw.

 

Jacques Rivette, die volgend jaar 80 wordt, staat sinds de jaren zestig bekend voor zijn eigenzinnige, geheimzinnige, soms zeer lange films. Hij is samen met François Truffaut, Jean-Luc Godard en Eric Rohmer een van de grondleggers van de Franse nouvelle vague en van de auteurscinema. Zijn film Out 1 heb ik in een ingekorte versie gezien, de originele film duurt ongeveer 13 uur. Zijn mooiste werken vind ik Céline et Julie vont en bateau (met de jong overleden Juliet Berto in een van de hoofdrollen) en La Belle Noiseuse (bijna vier uur lang Emmanuelle Béart naakt als schildersmodel voor Michel Piccoli). Een paar dagen geleden zag ik Rivette’s Histoire de Marie et Julien, alweer een mysterieuze film over levenden en doden die elkaar ontmoeten. Emmanuelle Béart is eens te meer prachtig, niet alleen als vrouw maar zeker ook als actrice, in de rol van Marie, een raadselachtige verschijning die kennelijk is teruggekeerd uit het rijk van de dood. Zij beleeft een intense liefdesrelatie met de klokkenmaker en afperser Julien. Dat zij wel degelijk dood is blijkt onder meer uit het feit dat zij niet bloedt als zij zich verwondt. Bovendien spreekt zij soms een vreemde, onmenselijke taal. Op een keer als Marie de liefde bedrijft met Julien komen er zinnen uit haar mond die ik meteen herkende als fragmenten uit Kleists Penthesilea. Ik heb dat stuk - over de onmogelijke, letterlijk verscheurende liefde van Achilles en Penthesilea, de koningin van de Amazones - vaak gelezen en meermaals in opvoeringen gezien. Er bestaat een mooie vertaling van de hand van Gerrit Komrij van het stuk.

De poes van Julien heet dan weer Nevermore, het woord dat de raaf telkens opnieuw uitspreekt in het beroemde gedicht van Edgar Allen Poe. De verteller in dat epische gedicht treurt om de dood van degene die de engelen Lenore noemen. Tegen de raaf zegt hij naar aanleiding van het woord ‘nevermore’:

“Be that word our sign of parting, bird or fiend!”

I shrieked, upstarting –

“Get thee back into the tempest and the Night’s Plutonian shore!”

De levende Julien snijdt zich in de vinger en bloedt, hij herstelt klokken, hoe groter hoe ouder, zegt hij, en perst onmogelijk veel geld af van Madame X. Madame X heeft eveneens een relatie met een dode, maar dat is weer een ander verhaal… Of toch niet?

Neem van mij aan dat je van Histoire de Marie et Julien nooit genoeg kunt krijgen. Dat is zo met alle raadsels, mysteries en mythes. Jacques Rivette was 75 toen hij deze film beëindigde. Wat moet het voldoening schenken om op zo'n hoge leeftijd nog zulke prachtige films te kunnen maken, en met een actrice als Emmanuelle Béart te kunnen samenwerken.

Afbeelding uit Histoire de Marie et Julien.

14-09-07

ORAAL PESSIMISME

 

pessimisme,robert musil,karl corino,oraal sadisme


Ben ik een ‘orale pessimist’? Het lijkt er wel op, want lees maar: “De orale pessimist zou een ‘zorgelijke instelling’ ten aanzien van het leven bezitten, hij maakt het zichzelf moeilijk, zelfs van de simpelste dingen in het leven maakt hij nog een probleem, hij krijgt het aan de stok met zijn weldoeners en is in laatste instantie de geniale organisator van zijn eigen mislukkingen.” Ik las dit in de Musil-biografie van Karl Corino.

‘De man zonder eigenschappen’ kan inderdaad in zekere zin een mislukking worden genoemd omdat de immense roman niet werd beëindigd. Maar wie zou niet op zo’n manier willen mislukken? Helaas zal mij een gelijkaardige mislukking nooit lukken, ook al ben ik dan nog net als Musil misschien een ‘orale pessimist’.

Overigens gaat die vorm van pessimisme nogal eens gepaard met een bepaald sadisme dat zich uit in “bijten, bitsheid, nijd, afgunst en jaloezie.” Bijten doe ik alleen maar als ik eet en bitsheid is mij onbekend. De andere genoemde karaktertrekken komen mij wel bekend voor.


Nu ik ziek ben voel ik mij minder een ‘orale pessimist’ dan een onnozel kind. Ziek zijn is altijd een regressie naar de kindertijd. Inderdaad een regressie, ook al noemen sommigen de kinderjaren paradijselijk. Het mooiste liedje dat ik ken, She Said She Said van the Beatles, gaat daarover – en het werk van Marcel Proust ook voor een deel. Ik ben echter nooit graag kind geweest. Zodra ik tot ‘de jaren van verstand’ was gekomen wilde ik zo snel mogelijk het ouderlijke nest verlaten. Er was daar niets wat me gelukkig kon maken. (Over het paradijs heb ik vroeger al geschreven dat ik daar ongeveer hetzelfde over denk als Georg Groddeck: het bevindt zich in de baarmoeder, of in de verbeelding.)

13-09-07

STA JE NU STIL EN HOUD JE JE ADEM IN?


Leg de camera neer en houd je adem in,

de vrouwen lopen blootsvoets door het lover,

je ogen ouder dan de tijd

temperen het licht, hun gejubel dempt

het gras en de grond onder hun voeten.

Hoe ze daar zo zijn is voldoende.

Ga niet naar hen,

hun vreugdeloze armen zijn zo schraal

zonder de soundtrack van wat schaarse violen

en een man met een trompet

als van de andere oever vertrokken.

En zou de ochtend niet verloren gaan

bij hen

als de dauw je jas toeknoopt

en overal woorden zingen?


Flamingo’s staan een tijd te duren,

in de verte klinkt een stil gevlecht van zeilen

onder wat nog van donkere wolken rest.


Het is best zo, alleen zijn als een kogel,

als een ruimteveer

naar een onbegonnen planeet vertrokken.


Sta je nu stil en laat je alles bezinken?

Moeders, dochters, achternichten

en de naties van onontgonnen dagen

met hun geklapwiek en gereutel,

hun ontplooien onder het maanlicht.

Al dat verschijnen waar geen rem op staat

en niemand vat op krijgt,

alsof nooit iets ten onder gaat.


Sta je nu stil en houd je je adem in?

12-09-07

TEENAGER IN LOVE - YO LA TENGO





Nog een Dion-verrassing. Yo La Tengo, waar ik het vorige maandag over had (ze traden toen op in de Botanique), vond ik terug op YouTube met een cover van Dions Teenager In Love. Het is een zeer primitieve opname in de living van drumster/zangeres Georgia Hubley. Er zit ook nog een Buddy Holly-staart aan de clip. Rock & roll will never die.
En zo slaat het toeval ook nog eens een keer toe. In het Engels wordt daar het mooie woord 'serendipity' voor gebruikt. Ik heb in mijn leven al heel wat 'serendipity'-momenten beleefd en daar ben ik zeer tevreden over.

ABRAHAM, MARTIN AND JOHN

 

clydie king,bob dylan,dion,muziek,intensiteit,liefde,beatles,sergeant pepper s lonely hearts club band,pop,popcultuur,protest,peter blake


Ik  vond op YouTube een versie van Abraham, Martin and John in 1980 in San Francisco met hart en ziel gezongen door Bob Dylan en Clydie King. Visueel stelt de clip niet veel voor, hoewel de duisternis toch enkele geheimen prijsgeeft, onder meer de innige band tussen Dylan en zangeres Clydie King. Maar de intensiteit van die uitvoering, die prachtige samenzang, waardoor je even het gevoel krijgt dat je niet langer van deze wereld bent! Jammer genoeg is die clip alweer weggehaald, zoals zo vaak gebeurt met beeldmateriaal van Dylan.

Abraham, Martin and John stond op de eponieme lp die Dion in 1968 uitbracht. Dion had lange tijd aan drugs gezeten en was afgekickt. In 1968 was hij niet langer een rock & roll-zanger, de tijd van de doo wop met The Belmonts was lang voorbij. Dion had zich vol overgave op blues en folk gestort. 'Dion' was wellicht zijn sterkste elpee, al kan het materiaal dat hij met Phil Spector opnam evenmin worden onderschat. Abraham, Martin and John werd later ook met veel succes opgenomen door Marvin Gaye. Uiteraard gaat de song over Abraham Lincoln, John en Robert Kennedy en Martin Luther King.

Has anybody here seen my old friend Abraham?
Can you tell me where he's gone?
He freed a lot of people,
But it seems the good they die young.
You know, I just looked around and he's gone.

Anybody here seen my old friend John?
Can you tell me where he's gone?
He freed a lot of people,
But it seems the good they die young.
I just looked around and he's gone.

Anybody here seen my old friend Martin?
Can you tell me where he's gone?
He freed a lot of people,
But it seems the good they die young.
I just looked 'round and he's gone.

Didn't you love the things that they stood for?
Didn't they try to find some good for you and me?
And we'll be free
Some day soon, and it's a-gonna be one day ...

Anybody here seen my old friend Bobby?
Can you tell me where he's gone?
I thought I saw him walk up over the hill,
With Abraham, Martin and John.

(Als je de hoes van Sergeant Pepper's Lonely Hearts Club Band goed bekijkt, zie je dat er naast Dylan maar één andere zanger op de fotomontage van Peter Blake staat: Dion. En the Beatles zelf natuurlijk. Dat waren allemaal zangers. Zelfs Ringo.)

10-09-07

HET IS NIET ALLE DAGEN FEEST

muziek,boeken,melancholie,ziekte,western,pop,country,cormac mccarthy,blood meridian,marisha pessl,nabokov,italie,velvet underground,yo la tengo,dirk roofthooft,theater,mensch

Op dit ogenblik luister ik naar Kick Up The Dust, van Blood  Meridian. De naam van de band is tegelijk de titel van een boek van de Amerikaanse schrijver van existentialistische westerns, Cormac McCarthy. Niemand anders heeft het ‘wilde westen’ met zoveel diepgang beschreven als McCarthy. Ik houd van oude westerns, maar zelfs de beste, zoals Shane en The Searchers zijn oppervlakkige vertellingen in vergelijking met de romans van de unieke Cormac McCarthy. Blood Meridian is niet zo welsprekend als hun naar ik aanneem favoriete auteur, maar ik verwacht nog wel wat van deze band.

 

Nu ik het toch over boeken heb. Gisteren en vandaag heb ik tussen het slapen door Marisha Pessls veelgeprezen roman Special Topics in Calamity Physics uitgelezen. Met de eerste helft van het dikke boek heb ik het moeilijk gehad, maar zo ongeveer halverwege werd mijn geduld niet langer op de proef gesteld. Pessls virtuoze stijl is een combinatie van Nabokov, hardboiled detectives (Chandler, Hammett) en The Secret History van Donna Tartt. Ik denk dat de jonge schrijfster wilde wedijveren met Lolita, maar in die wedstrijd heeft ze uiteraard het onderspit moeten delven. Het onderspit delven? Een vreemde uitdrukking… Door de vele verwijzingen naar echte en fictieve boeken doet de roman nog meer denken aan Nabokovs Pale Fire dan aan Lolita. Nabokoviaans of niet, als ik de eindredacteur was geweest zou ik de helft hebben geschrapt. Maar wie ben ik? Ik ben een ouder wordende, vaak zieke man. Ook nu ben ik weer aan mijn kamers gekluisterd. Er is niets met me aan te vangen en ik vang niets aan. Deze regels schrijven kost me veel moeite, al wil ik niet klagen. Het leven heeft mooie momenten. Die zijn kostbaar en daar probeer ik van te genieten. Ik weet dat er nog in het verschiet liggen. Momenten waarop de zon schijnt, of ik loop op straat onder de volle maan, of als mijn geliefde me onverwacht bij de hand neemt…

Mijn reis naar Italië zit nog vers in mijn geheugen. Om die reden treur ik niet over een concert dat ik zal missen. Vanavond treedt Yo La Tengo op, een band die mij zeer genegen is. Ik bezit ongeveer alle cd’s van dit door the Velvet Underground geïnspireerde trio. Ze hebben werkelijk prachtige songs opgenomen (sommige ervan, zoals Today Is the Day, gaan over mooie momenten). Maar ik heb Yo La Tengo al zien optreden en wellicht keren ze nog terug naar Brussel. Dus waarom getreurd? Nu ben ik ziek en over enkele weken ben ik weer genezen. Dat hoop ik toch.

 

Ik ben blij voor Dirk Roofthooft met zijn Louis D’Or, hem toegekend voor zijn opmerkelijke rol in Mephisto Forever, een stuk waarover ik in november vorig jaar vol lof heb geschreven. Die bespreking’ van me heeft toen nog hevige reacties uitgelokt, waarom weet ik nog altijd niet goed.

Ik weet niet of je deze pagina’s leest, Dirk Roofthooft, maar dat geeft niet. Ik kan je ook proficiat wensen zonder dat je mijn woorden ziet staan. Laat op een avond, na een voorstelling in de Bottelarij, ik geloof dat het Rusland voor Beginners was, voelde ik me eenzaam en melancholisch. Je hebt me toen aangesproken en – misschien zonder het te weten – veel troost geboden. Je hebt me de moed gegeven om de donkere nacht in te gaan op zoek naar een taxi. Je bent niet alleen maar een uitstekend acteur, maar een echte ‘mensch’. Nog veel geluk!