30-06-07

EEN AREND IN DE ARENA


Vandaag is de dag dat ik naar de arena trek
om er in de rode leegte te verdwalen
om er aan de kersentuin van mijn jeugd te denken
en de namen van dorpen aan de rivier
waarin hun ziel zich spiegelt.

Ik zie mezelf in het centrum zitten, en
geen stier te bespeuren. Fossielen in jouw mond
tot dieren van de lust gemaakt. Een lieve lust
voert me naar de kermis met jou. In de rups
een ogenblik je kersenlippen gekust.

Vandaag is de dag dat ik naar de arena trek
om er mijn en jouw verwarring te ontwarren
want wat te denken van de arend die op vrijdag
een paar meter boven onze hoofden vliegt
en van de veroveraar die gaat liggen aan zijn grens
als hij zich het geklop van je hart herinnert?

In zijn rode leegte loop ik leeg in licht
om je later als ik je weerzie mijn donker te besparen
zodat jij je glans behoudt en schittert in de nacht.
De goden die ik uitvind spreken je naam uit
als ik hen naar de naam vraag van hun tempel
waar in hun okeren nissen hun beelden
mij met jouw stem geluk en onheil voorspellen.

Daar buiten ontspoor ik. Verlies ik het Noorden.
Raak ik ontketend, ontstoken, getekend.
Op drift zoek ik een teken van jou, van herkenning,
een duidelijk punt. In het oog van de storm.
Het scherpe zand van de woestijn. Verbluft sta ik stil
of zwaai met mijn armen, loop alle richtingen uit
tot ik aan de laatste rivier mijn laatste donker verdrink
als het lover zich een weg fluistert uit het geraas
en gebral van de blinde dwazen die wij zijn.

Daar buiten kleed ik het toeval uit
tussen vriendelijke mensen die ik mijn denken onthoud
En mijn mond is vol treurig genot
op de dag dat de dode zielen worden bespot.
Jij staat daar op uit de grond en valt op me neer
met de sterren van vandaag. Je komt me toe
omdat ik de wereld wonden van licht
heb toegeworpen. En als ik je zie kom ik op adem
en tref ik mijn stieren stervensbereid aan voor jou,
je geheimen, je in de zon uiteenspattende namen.

De rups en vervolgens de vlinder nemen het woord.
Geven het mij, stoten het in mij omhoog,
ik schud het voor jou uit mijn veren.
Een woord, en dan nog een, en nog een,
het volgende haalt het volgende uit een opening
in je lichaam. Het was er prettig vertoeven
maar nu moeten ze er allemaal uit:
tijd om te openbaren.

28-06-07

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN VOOR DE DOOD II

dood,leven,literatuur,popcultuur,ontspanning,seks,lust,film,muziek,pop,westerns,opsomming,lijst

  1. Ik heb vandaag ‘Easy Tiger’ van Ryan Adams en ‘Dear Companion’ van Meg Baird, de zangeres van Espers, gekocht. Geen van beide plaatjes verrast me nog. Ik zal niet zeggen: verveling, gegeeuw, maar wel een grote onverschilligheid. Wat was the Cake levensbevestigend in vergelijking met dit zoeken-en-niet-vinden-van-melodieën.
  2. Ik heb mijn knie tegen de trapleuning gestoten.
  3. De zon schijnt, maar hoelang nog?
  4. Ik heb vandaag afscheid genomen van een goede collega, die vandaag verjaart en op pensioen gaat.
  5. Toen ik vandaag thuis kwam lag een boekje van Paul Nougé binnen handbereik. Ik sloeg het open en las dit: “Seule une longue patience nous garde de mourir.” (uit: Quelques Bribes).
  6. Ga terug naar af, u mag de kassa niet passeren, betaal en ga terug naar de gevangenis.
  7. Louis-Ferdinand Céline.
  8. Michel Houellebeck.
  9. Auto’s, motoren, fabrieken, tabakrokende soortgenoten, madame Pijp, Petoetje en Petatje.
  10. Het idee van Irak en Afghanistan in het hoofd van Bush (en zijn trawanten).
  11. Het Belgische zakenleven in China.
  12. Het zakenleven in China.
  13. Avonturiers die orkanen trotseren, of Polen bedwingen.
  14. In de modder liggen luisteren naar het in het hoofd wereldverbeterend gezeur van Peter Gabriel – de naam alleen al – en het navelgezanik van Tori Amos.
  15. Elke zin van Gustave Flaubert.
  16. De films van Abel Ferrara.
  17. De prijzen van hotels in Venetië.
  18. De buurt rondom de Beurs van Brussel na middernacht (en vroeger).
  19. Mannen met haar op hun bovenlijf die bovendien graag boksijzers en andere geniepige wapens hanteren.
  20. Mannen en vrouwen die graag wapens hanteren.
  21. Huurlingen.
  22. Wapenfabrikanten.
  23. Cafébazen die niet om hun klanten geven.
  24. De foto’s van Nan Goldin.
  25. Billy the Kid en de overige helden in het Wilde Westen.
  26. Het Wilde Westen.
  27. Scholen en kazernes.
  28. Het stille leven.
  29. Het dagelijks bestaan in kleine dorpen ver weg van alles en iedereen.
  30. Om de zoveel minuten wordt een vrouw verkracht.
  31. Syd Barrett: “When I live I die.”
  32. Ik heb eergisteren naar de film ‘Thief ‘ van Michael Mann gekeken en ik vond het een heerlijke ervaring.

THE CAKE




Ik kreeg net een mailtje van Chelsea Lee, een van de drie zangeressen van The Cake. Ze was te zien op de clip van I Got You Babe met Tiny Tim. Chelsea Lee en de andere Cake-meisjes zongen backing vocals op tal van elpees in jaren zeventig, onder andere bij Kevin Ayers en Ginger Baker’s Airforce. Nu is er goed nieuws voor Cake fans: hun twee elpees worden binnenkort op cd uitgebracht.
Wat Chelsea Lee over legendarische arrangeur / producer Harold Battiste vertelt is minder goed nieuws.

“good morning, martin
i have signed the contracts for both the cake lp's to be re-released by revola/poppydisc records. the masters have been redone, so they should sound better than the originals.i spoke to harold battiste last week and he is not in the best of conditions. i believe what has happened in new Orleans - being nearly wiped off the map - has killed his spirit! he works intently to try and rebuild there and the US government does not assist. we never knew the giant of a man we were working with because we were so young!
i did that film with tiny tim before i met and formed the cake. it was just a song i sang once in a while at a club in NYC called THE SCENE. tiny sang there every night for $45.00 a week! he did not wear make-up or the loud clothes he did after the film! thank you, again, for putting our song on your page.
humbly,
chelsea (aka eleanor)”


Foto: the Cake.

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN VOOR DE DOOD


Vandaag laat ik met plezier eens iemand anders aan het woord. Dames en Heren, uit Oostenrijk, de onovertroffen mensenkenner Thomas Bernhard:

“Is het u nooit opgevallen dat de mensen kerkhoven bewonen? Dat grote steden grote kerkhoven zijn? Kleine steden kleine kerkhoven? Dorpen nog kleinere? Dat het bed een lijkkist is? Kleren doodskleden zijn? Allemaal voorbereidende oefeningen voor de dood? Het hele bestaan is een eeuwig beproeven van het opgebaard-liggen en begraven-worden.”

Uit: Vorst, vertaling van Thomas Graftdijk.

Tot daar mijn gastspreker van vandaag. Ik heb hier volstrekt niets aan toe te voegen.

26-06-07

I GOT YOU BABE: REIZEN IN DE MUZIKALE RUIMTE

 

Ik ben er bijzonder opgetogen over dat ik dit stukje uit de film 'You Are What You Eat' uit 1968 heb gevonden, zij het via heel wat omwegen (een e-mail van spectropop, myspace van Moby Grape, myspace van miss Chelsea Lee, myspace van the Cake). Dit fragment uit You Are What You Eat is een cover van I Got You Babe door Tiny Tim alias Herbert Khaury en Chelsea Lee alias Eleanor Barooshian. Tiny Tim, bekend geworden met de hit Tip-Toe Through the Tulips, speelt de rol van Cher, Chelsea Lee, zangeres van de wonderlijke meisjesgroep the Cake, neemt Sonny voor haar rekening. Eigenlijk is het al een deconstructie, avant la lettre. De muziek op de achtergrond is van the Band. Je herkent meteen de typische gitaarklanken van Robbie Robertson. Ja, ja, ik ben bijzonder opgetogen. Niet alleen vanwege dit fragment, maar nog meer omdat ik op myspace van the Cake opnieuw die heerlijke, aanstekelijke, onovertroffen popdeuntjes à la Phil Spector heb kunnen beluisteren. Mijn uitverkoren song van the Cake is Baby That’s Me. Maar de Cake-liedjes lonen allemaal de moeite. Chelsea Lee vertelt dat binnenkort cd-versies zullen verschijnen van de twee elpees die the Cake heeft uitgebracht.


En ik ben nog verder gereisd tot bij het lieftallige zangeresje Antonia Bee, die Rainbow Wood van the Cake covert. Soms moet je je kamer niet uit om een heerlijke reis door de ruimte te maken, een muzikale ruimte dan nog wel. Het is ook geen weer om buiten te komen. Het is weer om groene thee te drinken, cake te eten, en een oude krakende plaat van Tiny Tim, the Cake, of, waarom niet, Kevin Ayers op te leggen. Om de dag te besluiten kun je nog wat voorlezen uit Alice in Wonderland. Feed your head!

25-06-07

SKALDEN, HASSELT: HOE BEDRIEGLIJK IS HET GEHEUGEN?


SKALDEN

‘Het opzettelijk geheugen’ schrijft Samuel Beckett in zijn studie over Marcel Proust, ‘heeft geen waarde als middel tot evocatie, en geeft ons een beeld dat even ver staat van het werkelijke beeld als de mythe van onze fantasie, of als de karikatuur van de werkelijkheid die door onze directe waarneming wordt verkregen. Over geen van beide bezitten we ook maar de geringste controle.’


Hoe bedrieglijk is het geheugen? Hoe weten wij of wat we ons herinneren strookt met hoe de werkelijkheid zich op het moment van het ‘herinnerde’ aan ons (en aan de andere aanwezigen) voordeed? Ik heb een slecht geheugen, aangetast als mijn hersencellen zijn door veroudering, alcohol, tabak (tot 1977) en geneesmiddelen. Ik heb een slecht geheugen maar ik ben geen leugenaar.

 

Nu is er die geschiedenis van Skalden, een uniek beatnikcafé in Hasselt – vergelijkbaar met de vroege Muze in Antwerpen - dat ik met enige regelmaat frequenteerde. In feite was het in de periode 1968-1969 de plek waar ik bij voorkeur mijn tijd doorbracht. Ik hield van de sfeer die er hing, van de andere bezoekers, beatniks, hippies, artiesten, muzikanten, anarchisten en filosofen. Het grote verschil met de cafés waar ik nu kom is dat er nauwelijks werd gedronken. Een bezoeker van de Skalden werd nooit gedwongen om te consumeren. Het ging niet om de winst maar om de ruimte. Het principe van gelijkgestemden die elkaar ontmoeten was ‘heilig’ (om een woord van Allen Ginsberg aan te halen). Verwante zielen die elkaar eindelijk zonder argwaan in de ogen kunnen kijken in een - voor de rest - grotendeels vijandige wereld. Van de oudere generatie begreep namelijk hoegenaamd niemand dat dit ‘werkschuw tuig’ (toen) niet geïnteresseerd was in geld noch bezit. De oudere generatie begreep niet dat er andere, nieuwere, betere tijden waren aangebroken.

 

Omdat ik in een internaat zat opgesloten kon ik niet zo vaak in de Skalden vertoeven als ik wel wilde. Dat zorgde ervoor dat ik een buitenstaander bleef in de ‘bruine kroeg’. Ik behoorde bijgevolg niet tot de ‘inner circle’. Ja, inderdaad, een ‘inner circle’ had je ook in zulke kroegen – en dat was al meteen het begin van het einde, de rotte plek in de appel van de provo’s, want waar een elite bestaat worden anderen uitgesloten. Ik sloot er waarschijnlijk om die reden, maar ook omdat ik een schuchtere aard heb, geen vriendschappen; ik kwam er met de vrienden die ik al had, Luc Verjans, Henry Janssen, Jan Depooter, Guy Bleus en ik leerde er mijn lief Monique, een mooi meisje uit Alken, kennen.

Nu reageert de vroegere uitbaatster van de Skalden, El (Elisabeth), met een vriendelijk commentaar op de foto hierboven, waarvan ik altijd heb gedacht, waarvan ik met zekerheid wist dat hij tijdens het Hasselts Carnaval van 1968 in haar café door een straatfotograaf werd gemaakt. Zij zegt in haar commentaar dat wij, mijn toenmalige vrienden, vriendinnen en ik, ons zeker niet in de Skalden bevonden. Die foto werd ergens anders gemaakt, zegt ze. Kan ik Els woorden in twijfel trekken? Zij is zo zeker van haar stuk. En het was haar café! Maar anderzijds was het daar waar we met ons groepje samen waren gekomen, verkleed en tegelijk niet verkleed. Nee, we waren helemaal niet verkleed, we waren gewoon onszelf, hadden onze buitenissigheid alleen wat geaccentueerd. Maar nu werden we voor een keer niet uitgejouwd, omdat het Carnaval was en de brave mensen die overal in gekke pakjes door de straten liepen dachten dat wij ook in gekke pakjes waren gehuld en net hetzelfde waren als zij. Ha, ha, lekker mis. Wij waren de anderen. Wij waren geen hypocrieten die ons gedurende 364 dagen in een burgerpak door het leven worstelden en ons één dag lang verkleedden als uitzinnige, stomdronken hansworsten.

Ik weet het niet, El. Ik heb je verhaal over de Skalden gelezen op je blog. Sommige gezichten heb ik herkend, vooral dat van Lode, die me af en toe meenam in zijn auto, gewoon voor een ritje, of me naar huis bracht. Je verhaal heeft me droef gemaakt. Zoveel van de mensen die je café bezochten zijn al gestorven! En waar zijn de anderen? Waar is iedereen? Wat gebeurt er met ons? Zijn wij allen  gedoemd om in het leven te mislukken? Is het een grote grap? Een Carnaval? Lijden we met z’n allen aan geheugenverlies en bevinden we ons helemaal ergens anders dan we denken?

24-06-07

KRANTENKNIPSELS: EEN PERSOONLIJKE GESCHIEDENIS


The Days Of Wine And Roses 3

Jack Lemmon en Lee Remick in The Days Of Wine And Roses.


Gisteren heb ik niets gedaan. ’s Avonds ben ik in slaap gevallen bij de film The Days Of Wine And Roses van Blake Edwards. Ik denk dat het een film is over een echtpaar dat aan alcohol ten gronde gaat. Ik werd wakker toen Jack Lemmon alweer was afgekickt, maar Lee Remick nog niet; de drank en de lokroep van de bars bevallen haar te zeer. Voor haar is de wereld een lelijke plek; hij krijgt pas wat glans, een lichte betovering, als ze een fles gin naar binnen heeft.

Vandaag heb ik een zolderkamer opgeruimd. Ik heb veel tijd ‘verloren’ met het doorbladeren van oude krantenknipsels. Veel boekbesprekingen van romans van Paul Auster vond ik terug. (Het wijst op mijn grote bewondering voor de auteur.) De New Yorkse schrijver Paul Auster is furieuzer dan ooit: “Een Bush is een giftige woestijnplant.” Recensies van concerten van Bob Dylan in Vorst. Analyses van stukken van het Zuidelijk Toneel, onder meer India Song van Marguérite Duras, een prachtige voorstelling met de verrukkelijke Chris Nietvelt. De film 21 grams (waar ik een t-shirt van heb) van Alejandro Gonzalez Inarritu. Een bijlage over chronische vermoeidheid. Toen die werd gedrukt had ik daar nog geen last van. Honderd jaar Georges Simenon: hij sliep met 10.000 vrouwen, 7.000 meer dan Henry Miller. Een interview met mijn oude vriend Marc Didden (“Dan is mijn respect voor Neil Young oneindig veel groter, ik ontdekte hem in 1965 en vandaag boeit hij me nog altijd” staat in dat interview zwart op wit.) Mijn oude vriend Guillaume Bijl loodst ons door Art Brussels. De mooie Carla Bruni heeft het over haar eenzaamheid: “Oh, maar begrijp me niet verkeerd. Ik vind het net heel aantrekkelijk om eenzaam te zijn. Ik zoek dat soort omstandigheden ook zelf op. En daarin ligt het verschil: het is geen opgelegd alleen-zijn.”

 

kunst,boeken,knipsels,recente geschiedenis,schrijvers,films,muziek,theater,leven,brokstukken

Met Marc Didden in Oostduinkerke.

Wat nog meer? De zot van Zomergem, Gie Van den Berghe krijgt de Arkprijs van het Vrije Woord (ik was daar toen nog bij). Nick Cave and The Bad Seeds in Vorst op 24 november 2004. Dat optreden woonde ik bij in het gezelschap van mijn vriend Bart. Bart had zijn kaartje in de auto laten liggen, hij moest een heel eind teruglopen. De opening act, Mercury Rev, hebben we daardoor moeten missen, maar ik heb later mijn schade ingehaald. En Nick Cave was groots. The Cowboy Junkies op mijn verjaardag in de AB, een welluidend en ingetogen cadeau. Wong Kar Wai regisseert 2046. Wat betekenen de begrippen ‘liefde’ en ‘geheugen’? Volksbühne Berlijn speelt ‘Pablo in der Plusfiliale’ in het Kaaitheater. ‘Gaten of toen we niet in het gelid stonden’ in Theâtre National. “Ik ga graag naar school en ik denk dat je de school nodig hebt om iemand te worden.” Een gesprek met Arne Sierens en Alize Zandwijk over het stuk ‘Meiskes en Jongens’ in de KVS. Brussel: Mediterrane hoofdstad van Europa. Jonathan Safran Foer: “Schrijvers mogen heikele onderwerpen nooit uit de weg gaan”. Michael Cunningham: Liefde en dood in New York. Een filosoof onderweg: Stefan Hertmans’ ‘Steden’. Ik las dat boek negen of tien jaar geleden op de trein naar Berlijn. Onderweg naar mijn stad. Tien tips om Tuymans te trotseren: meesterlijk maar moeilijk. Overzicht van Antwerpse schilder in Londense Tate Modern. Koen Vidal in gesprek met Geert Mak over ‘In Europa’. Indrukwekkend retrospectief van de Amerikaans-Britse schilder John Singer Sargent in Tate Gallery. Voor het werk van Sargent stond ik haast met tranen in de ogen in Boston in september 1994. Schilderijen van David Hockney hebben veel plaats nodig, een artikel van Eric Min. Eric Min publiceerde in de jaren ’80 gedichten in ons filosofisch tijdschrift Aurora, gesticht door Leopold Flam. Georges Perec komt dan weer naar voren als de schrijver die vrijwel alles kan: de ernstige speelvogel, de nuchtere socioloog van zijn tijd, de epicurist van het dagelijkse, de ingenieur van de taal, de verhalenverzinner. En om het af te leren nog dit. ‘In ‘Utopie en onttovering’, het essay waarin Claudio Magris de werkelijkheid van haar vermommingen probeert te ontdoen, formuleert de schrijver het in de helderheid van de paradox: “De ontnuchtering is een ironische, melancholische en herstelde vorm van de hoop.” Magris’ opstellen zijn vaak vlammende betogen tegen de sluipende pogingen om het onderscheid tussen goed en kwaad op te heffen en om ons geweten, dat door de schrijver een demon wordt genoemd, te corrumperen en in slaap te sussen.’

Voldoende, denk ik. Deze brokstukken van mijn leven liggen zomaar in een rommelkamer te vergelen. Heb ik dat allemaal gelezen, gezien, gehoord? Onvoorstelbaar. En dat is dan nog maar een kleine, zeer willekeurige selectie en allemaal vrij recent. Veel van wat hierboven wordt opgesomd was ik al grotendeels vergeten. Ik zal de knipsels dan toch maar bijhouden. Ze kunnen mijn geheugen vervangen.

23-06-07

LIEFDESANGST


In de straten van Cadiz, met jou aan mijn zijde, de op één na mooiste vrouw van Europa, word ik bevangen door angst voor de liefde, voor de nachtzwarte blik in je ogen, voor je armen die een nieuwe wereld openen waarin ik mezelf zou kunnen verliezen, een ander zelf worden.

Liefste, je blijft een vreemd lichaam voor me. Hoe meer ik je begeer, hoe meer ik van je wegloop. Ik verstar als ik je zie, mijn volmaakt eigen Medusa. Is dit de waarheid? Dat mijn hart zo snel gaat kloppen, als ik je in Kiko's Café binnen zie komen, dat zeg ik je niet. Ik zwijg en sla voor je op de vlucht. Mijn andere, jongere zelf verlangt naar je maar ik wil thuis zijn, in mijn oude wereld, bij mijn boeken en mijn muziek. Het vertrouwde, tedere lichaam in mijn armen houden, "waarvan ik elk plekje ken".

Alleen als de volle maan schijnt speel ik jouw naam op mijn blauwe gitaar. Dan lig ik aan je voeten neer.

21-06-07

EEN INWONER VAN EEN LAND HEEFT MINSTENS NEGEN KARAKTERS

tijd,droom,robert musil,karakter,muze,graz,oostenrijk,verloren,labyrint

Terwijl ik zat te wachten op de muze, bold and beautiful, en ze mij al een zin had aangereikt, met name de zin: "De zin van het leven is het leven zelf", en zij, de muze, meteen weer was vertrokken, zodat ik opnieuw op haar zat te wachten… Ik begin opnieuw. Terwijl ik zat te wachten op de muze bladerde ik wat in Musils ‘De man zonder eigenschappen’ en stootte op deze stof tot nadenken :

“Een inwoner van een land heeft minstens negen karakters, een beroeps-, een nationaal, een staats-, een klasse-, een geografisch, een geslachts-, een bewust, een onbewust en misschien ook nog wel een privékarakter; hij verenigt deze in zich, maar ze lossen hem op en eigenlijk is hij niets anders dan een kleine, door die vele straaltjes uitgespoelde poel, waar ze in binnensijpelen een waar ze weer uit stromen, om samen met andere beekjes weer een andere poel te vullen. Daarom heeft elke wereldbewoner ook nog een tiende karakter, en dat is niets anders dan de passieve fantasie van de ongevulde ruimten; het staat de mens alles toe, behalve dat ene: serieus te nemen wat zijn op z’n minst negen andere karakters doen en wat er met ze gebeurt; dus met andere woorden, juist niet dat wat haar eigenlijk zou moeten vullen. Deze, zal men moeten toegeven, moeilijk te omschrijven ruimte is in Italië anders van kleur en vorm dan in Engeland, omdat alles wat ertegen afsteekt een andere kleur en vorm heeft, en toch is het zowel hier als daar dezelfde, gewoon een lege, onzichtbare ruimte, waarin de werkelijkheid erbij staat als een door de fantasie in de steek gelaten stadje van bouwdoossteentjes.”

Overigens droomde ik afgelopen nacht dat ik verloren was gelopen in de straten en in een ondergronds labyrint van de stad Graz in Oostenrijk. Ik heb zo’n vermoeden dat ik een groot deel van de nacht in Oostenrijk heb doorgebracht.

20-06-07

DROMEN VAN DE TUIN VAN DE FINZI-CONTINI

 

Finzi-Contini

Over reizen had ik het, onder meer. Over vluchten, verdwijnen. Ook nu, nadat ik een lange blik heb geworpen op het zinken dak en de blauwe hemel daarboven, denk ik aan reizen in het verschiet. Over minder dan een maand vertrek ik naar Berlijn. Ik houd van Berlijn. Ik denk dat die stad mij het dierbaarst is, nog dierbaarder dan New York, the city that never sleeps. Een rationele verklaring voor die aantrekkingskracht kan ik niet geven. Het is gewoon zo. Op de avond van 15 juli begeef ik mij naar een hotel in de buurt van de Oranienburgerstrasse om er mij in een soort van wellicht aangename eenzaamheid onder te dompelen. Ik zal alleen zijn, een week lang. Maar Berlijn trekt eenzame mensen aan en op die manier zal ik niet echt alleen zijn. En als ik me toch soms alleen zal voelen zal ik mij tot de engelen richten, op het bestaan waarvan Wim Wenders ons lang geleden heeft gewezen in Der Engel Über Berlin. Als ik verdwaal, wat heel goed mogelijk is, zullen zij me de weg wijzen. Het enige spijtige aan die zaak is dat het mannelijke engelen zijn. Ach, als het lot mij gunstig gezind is kruisen misschien wel enkele vrouwelijke engelen mijn pad. Of het kan ook zijn dat ze helemaal geen geslacht hebben, want ik vermoed dat de strijd nog altijd niet beslecht is.

Ik weet nog niet wat ik in Berlijn ga doen. Samen met Laura heb ik er alles al bezocht. Alles? Nee, dat is niet mogelijk. Streunerin, een Berlijnse, schreef me dat zoals elke mens elke stad op zijn minst twee gezichten heeft. Laten we er dan maar van uitgaan dat ik een tweede, derde, of vierde gezicht ga zoeken. Dat ik het aandachtig ga observeren. Mag ik hopen dat ook dat gezicht mij zal bevallen en inspireren?

In augustus maken we – dit keer samen - een nostalgische en literaire reis naar Noord-Italië. Eerst naar Triëste, de stad van Italo Svevo en waar diens vriend James Joyce een groot deel van Ulysses schreef. Vlakbij ligt het dorp Duino waar Rainer Maria Rilke in 1911 en 1912 logeerde bij de gravin Marie von Thurn und Taxis. Je kunt er in de omgeving, heb ik gelezen in Triëste autrement, een Rilke-wandeling maken langs het traject waar Rilke wandelde en nadacht over zijn meesterwerk, De Duineser Elegien. Tegenwoordig is Triëste de stad van Claudio Magris, de onvolprezen schrijven van onder meer Donau.

Van Triëste reizen we naar Ferrara, niet al te ver van Bologna. Ferrara is de stad van de Estes-familie, die ervoor zorgde dat het een van de allereerste renaissancesteden van Italië werd. Petrarca verbleef aan hun hof. Overigens zag ik enkele jaren geleden een mooie tentoonstelling over de Estes, in het Paleis voor Schone Kunsten hier in Brussel (Een bijzondere renaissance. Het hof van de Estes in Ferrara.) Ferrara is voor mij evenwel in de eerste plaats de stad van de meesterlijke schrijver en uitgever Giorgio Bassani. Zijn Ferrara-romans zijn in het Nederlands vertaald en uitgegeven in één deel. Het hoogtepunt is De tuin van de Finzi-Contini, een meeslepende roman over een rijke Joodse familie. Daar maakte Vittorio De Sica dan weer een meer dan behoorlijke film van met de de nu wat vergeten Dominique Sanda, een van de vamps van de jaren ’70. Hoewel die tuin van de Finzi-Contini verzonnen is ga ik hem in Ferrara toch bezoeken. Ik ben er zeker van dat ik hem zal vinden. En heel zeker zal ik eveneens het graf van Giorgio Bassani vinden.

Om onze reis af te sluiten gaan we drie dagen naar Venetië, de stad waar Laura ooit in een woeduitbarsting in mijn duim beet. Dat is dan het nostalgische deel van de trip. Venetië is voor mij minder een stad van schrijvers dan van filmregisseurs, hoewel Henry James er heeft gewoond en The Comfort Of Strangers van Ian McEwan zich er afspeelt. Venetië associeer ik heel sterk met Don’t Look Now van Nicholas Roeg, een film die al even luguber is als het boek van McEwan. Maar wel mooi. Met Julie Christie en Donald Sutherland. Bijna even mooi is natuurlijk Dood in Venetië van Luchino Visconti, maar uiteraard is dat gebaseerd op een klassiek verhaal van Thomas Mann.

Tot het zover is probeer ik niet de dagen te tellen. Elke dag geteld is een dag verloren. Je moet vind ik de dagen niet tellen maar ze leven. Anders heeft het leven geen zin.



Foto: uit de film Il giardino dei Finzi-Contini.

18-06-07

LAND VAN BELOFTE II


Het jaar is 1975. We lopen door de Brusselse straten, op verkenning in de stad, en op verkenning in elkaar. Je ziel is nog een donker pad. Wie zijn we, waar gaan we naartoe? Er is veel duisternis in ons leven, ondanks je overrompelende schoonheid. Als je passeert houdt iedereen zijn adem in. Een nu al lang afgebroken buurtcinema vertoont Andrej Wajda’s Het land van de grote belofte (Ziemia obiecana). We blijven staan en bekijken de foto’s. Jij kijkt met je allerdiepste blik naar een mij nog onbekende verte. De verhalen moeten nog verzonnen worden. Reizen, avonturen, dwalingen, armoede en geluk. Momenten van vriendschap, vernederingen en verwensingen, nieuwe werelden die opengaan, honger en ziekte, geboortes, de wreedheid van het lot, gestorven familieleden en vrienden. Huwelijken. Hoe vaak zag je de volle maan? Raadsels, mysteries en sprookjes. Ambiguïteiten. Rafels, parels, harde rotsen, de wijnrode zee. Jaren van eenzaamheid en ontmoeting. Razernijen. Witte jurken en witte kostuums met het bloed van dansende idioten bespat. Jarenlang dansten wij in de straten van de stad aan de rivier. In glimmende trucks doorgebrachte dagen. Dwars door Duitsland, het zwarte woud, en verder tot waar Hölderlin woonde. Sigaretten, bier en schuimende wijn. Alle dagen muziek, woorden van troost en gemeenschap. Je huid die geen einde kent en geen begin. Duizenden dagen in je nabijheid. Het jaar was 1975. Het jaar is 2007. Het regent niet langer. Het lijkt wel een feestdag.

LAND VAN BELOFTE I


the promised land - ziemia obiecana

Mijn geliefde voor een bioscoop in Brussel in 1975. Foto: Martin Pulaski.

17-06-07

POLANSKI'S METHODE


Toch na de middag na een onweer een Roman Polanski geworden. De witte huid van Lolita’s die je verbieden de wereld de rug toe te keren. Je moet blijven, je moet van ons zijn.

Het stond in de sterren toen je de stad betrad: nu niet, nu niet! Een vlies om de liefde, de gedichten ongeschreven. De letters morsdood, als de bruine, stoffige mot op de vloer.

Onderweg met het hoofd tegen de muur gebotst, doodlopende straat. Voetganger in de jaren, maanden, minuten. Nooit een spraakwaterval geweest, altijd een beheerste heer. Maar nu ga je het begeven in hun lenigheid. Nu ga je je arduinen handen warmen aan hun abrikozenvel.

15-06-07

MOMENTEN VAN GELUK: TIM BUCKLEY

 

Ik heb op YouTube een opname gevonden van Tim Buckleys Happy Time, een van mijn favoriete songs aller tijden. Ik heb zelden een sterkere uitdrukking van het geluksgevoel gehoord, ook al heeft het geheel een melancholische ondertoon, waardoor het eigenlijk nog sterker wordt. Hier heet het lied echter nog I’m Coming Home Again. De clip dateert uit 1968, een periode waarin Buckley afscheid nam van de poëtische folk en steeds meer free jazz en avant-garde in zijn composities integreerde. De elpee Blue Afternoon uit 1969, waar de originele versie van Happy Time op terug te vinden is, is naar mijn weten nooit op cd verschenen. Al het andere werk van Tim Buckley wel, ook zijn twee laatste elpees, Look At The Fool en Sefronia, die – waarschijnlijk ten gevolge van zwaar druggebruik – grotendeels mislukkingen moeten worden genoemd, maar nog altijd beter klinken dan 99 procent van de ‘popmuziek’ die de radiostations nu op ons uitspuwen.

Tim Buckley stierf op 28-jarige leeftijd. De klank van onderstaande clip is niet schitterend, maar het blijft me verrassen dat zulke documenten al die tijd al hebben bestaan en dat we ze nooit eerder konden zien.

Happy Time

Ah, it's a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I'm comin' home to stay
Oh, Lord, home to stay
I'm comin' home to stay
Home to stay

Ah, lord, it's just the same old story
Something about love for glory
A nickel and a dime a dozen
Fame
Ah, it's such a shame
Ah, the way they use your name
Ah, you know it's such a shame
When it's only mine to sing a song
Hoping that you'd cross along my way
Before I have to move along
Ah, now move along
Ah, but I'll be back again
Ooh back again

Ah, it's a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I'm comin' home to stay
Oh, Lord, home to stay
I'm comin' home to stay
Home to stay

Sleep late now mama
Let the mornin' sun warm your bed
While I'm away
While I'm away

Tim Buckley / Blue Afternoon, 1969

13-06-07

PROCESSIERUPSEN EN DE VRIJE WIL VAN DE APOLOGEET

 

Apollo and Daphne - JW Waterhouse

JW Waterhouse - Apollo and Daphne


De wolken glijden in de lucht boven het zinken dak waar ik vijf dagen per week op uitkijk. Ik zit wat te kijken naar die wolken. Al een hele tijd zit ik te kijken en te mijmeren en te dagdromen. Er is leegte in mijn hoofd. Geen gedachten, niets. De motor van mijn verbeelding komt niet op gang. Waar een wil is, is een weg, zeggen de mensen, maar ik wil niets. Of toch wel, ik wil een ding, ik wil weg. Ver weg van hier, van de processierupsen en het bal van de burgemeester en de biefstukkenchristendemocraten. Van de laatste shows en de eeuwige wegenwerken. Van deze stad vol fijn stof van de afbraakwerken, de ononderbroken afbraakwerken. Van deze stad zonder ziel, zonder rivier. Ja, de rivier is de ziel van de stad. En muziek is het hart van de stad. Muziek creëert bijna ontelbaar veel harten. Ik ben met tellen gestopt.

Af en toe steekt dat wilde verlangen om weg te gaan de kop op, de wil om te verdwijnen in een imaginair gebied, een streek die nog niet in kaart werd gebracht, tenzij door Dante misschien. Ik voel het hart van Brussel maar zelden kloppen. De muziek die ik hier hoor is mooi maar komt van ver. Import is de enige redding. Transfusie. Daar is deze stad goed in. En in mensen op de vlucht jagen, hele wijken platgooien, de Noordwijk, de Europawijk, de Zuidwijk. Cafés waar ik enkele jaren geleden nog met Poolse meisjes danste liggen nu tegen de vlakte. Jarenlang heb ik op de Lottotoren uitgekeken en zitten dromen terwijl de wolken daar boven hun eigen weg zochten. Nu staat er een karakterloos gebouw in de plaats, een gebouw dat niet zingt, dat niet wordt gevoed door een ziel en niet gekoesterd door een hart. Maar zoals deze stad is, is heel het land, ook al is er de majestueuze Maas en de diepe, diepe Schelde. Het land is ziek en schreit. Zijn inwoners zijn ontevreden, lusten elkaar rauw – en zelfs dat valt te betwijfelen. Er is vooral onverschilligheid. Niet voldoende, roepen de media. Niet voldoende onverschilligheid! Denk aan je rimpels, maak je daar zorgen over, en niet over de aarde en over de vrienden aan de andere kant van de taalgrens, die het moeilijk hebben in de buurt van hun oude mijnen en hoogovens. Dat zijn geen vrienden, zeggen ze, dat zijn vijanden. Ze spreken een andere taal en hebben ongebruikelijke zeden en gewoontes. Het woord ‘taalgrens’ is een schande, zeg ik. Een identiteit is geen schande, maar een identiteitskaart is een schande. Ik wil nu opeens wel. Deze woorden hier hebben mij een wil ingefluisterd. Ik wil als vrije mens kunnen reizen en omhelzen wie ik wil. Ik ben geen vijand van de Vlamingen, maar ik kan niet overweg met rancuneuze vetzakken die alle dagen biefstuk-friet eten en elk moment vetter worden. Die de vloek van de processierupsen over zich afroepen. En veel ergere vloeken. Klink ik als Job? Dan klink ik maar als Job. Misschien is dat mijn opdracht, mijn missie – hier in dit tranendal. Ik ben alvast geen evangelist. Ik ben eerder een apologeet, de apologeet van mijn eigen bestaan. Wat zeg je? Apollo? Nee, zeker geen Apollo. Die is van marmer en bevindt zich in Firenze. Ik wil niet naar Firenze. Firenze is ingenomen door immense processierupsen, wist je dat dan niet? Heb je dan geen enkele levenservaring? Ik wel. Maar wat maakt het uit. Ook toen ik zwarte sneeuw zag staarde ik naar de grond en liep ik met mijn hoofd in de wolken. Toen ik zwarte sneeuw zag snoof ik de geur op van de rivier en waren er talrijke gelukkige dagen. Dat was net zo goed hier in dit land dat nu zwarter is dan de sneeuw die ik zag, en dat verlamd wordt door de haat. Ik vlucht weg in de muziek en in het ritme van een ingebeelde rivier. Ik ben weg. Dat is wat ik wil. Tot een volgende keer.

12-06-07

BUITEN DE MAATSCHAPPIJ? PATTI SMITH IN DE AB


Dat je alleen in clichés over muziek kunt schrijven is uitermate storend. Weinigen is het gegeven een behoorlijke, inzichtelijke en gevoelvolle recensie van een rockconcert of van een cd te schrijven. Zelf kan ik het niet, de muziek is te heilig, mijn woorden te profaan. En toch kan ik er soms niet aan weerstaan. Soms wil ik mijn enthousiasme meedelen, zoals nu over het concert van Patti Smith in de AB gisteren. Maar wat kan ik meer zeggen dan dat het een schitterend, geïnspireerd, warm, levensbevestigend concert was? Dat ik er van genoten heb. Dat er nog weinig muzikanten, zangers of zangeressen zijn, die me zo uit mezelf kunnen halen en meevoeren naar een andere dimensie.
Patti Smith bezweert, met haar stem, haar ogen, haar gebaren, af en toe met de betoverende tonen van haar klarinet. De muziek van haar band stijgt naar het hoofd, verwarmt de hersens en stimuleert de verbeelding. Ze is als een sterke en heilzame drug, zonder neveneffecten. Vervoering is het resultaat van de tomeloze energie waarmee Patti Smith haar songs bezielt. Soms is het alsof ze engelen en duivels ten tonele voert, die daar dan even in innige omhelzing met elkaar staan te dansen, zich herinnerend dat William Blake zowel met de hemel- als de helbewoners converseerde. Patti Smith had alle recht om te zingen dat ze ervaring had. Ze legde – onuitgesproken, maar onmiskenbaar - het verband tussen Are You Experienced? van Jimi Hendrix en The Songs Of Innocence And Experience van William Blake. Het verband was vooral aanwezig in haar klarinetsolo. En wij, het publiek, konden deelhebben aan die ervaring. Soms ook zag ik hier en daar een paradijsvogel in de zaal klapwieken, onder meer toen Patti Smith een ‘dérèglement de tous les sens’ bewerkstelligde tijdens de voordracht van Birdland, een song geïnspireerd door de autobiografie van Peter Reich, de zoon van de grote Wilhelm Reich. En wat nog meer? Smells Like Teen Spirit was een lang aangehouden ingehouden extase. Wie anders dan Patti Smith slaagt erin om een hele zaal Feed Your Head te laten meezingen – en niemand die nog aan Grace Slick denkt, tenzij uren later bij het drinken van enkele liters bier, om weer op adem te komen. Natuurlijk was er ook het omineuze Privilege (Set Me Free), waar ik het gisteren al over had, waarin de protagonist niet alleen vloekend wacht op een god, maar ook smeekt om energie. De protagonist die om energie smeekt kan Patti Smith zelf niet zijn. Ik ken namelijk niemand die zoveel energie uitstraalt. Zou ze die uit het bronwater halen of uit de Marrokaanse muntthee of uit de cakejes uit Amsterdam? Of gewoon uit zichzelf?
Wat een mooi cadeau was dat voor Ann Demeulemeester, en voor ons allemaal, die romantische cover van Lou Reeds Perfect Day… En wat een ontroerende verschijning van George Harrison toen Within You Without You werd uitgevoerd. Pissing In A River, dan maar, of Gloria, met de absolute beginselverklaring ‘Jesus died for somebody’s sins but not mine’ – waar ook weer het refrein door de hele zaal, nu helemaal uitzinnig, werd meegezongen. Een mooi intermezzo van Lenny Kaye, trouwens, met zijn cover van You’re Pushing Too Hard, oorspronkelijk van The Seeds. In 1971 voor hij gitarist werd in de Patti Smith Group schonk Lenny Kaye ons de baanbrekende en invloedrijke compilatie Nuggets: Original Artyfacts From the First Psychedelic Era 1965-1968, een verzameling van 24 vroege punk rock-pareltjes.
Wat nog meer? De apotheose van Rock & Roll Nigger, met deze onsterfelijke regels:

Jimi Hendrix was a nigger.
Jesus Christ and Grandma, too.
Jackson Pollock was a nigger.
Nigger, nigger, nigger, nigger,
nigger, nigger, nigger.

Outside of society, they're waitin' for me.
Outside of society, if you're looking,
that's where you'll find me.
Outside of society, they're waitin' for me.
Outside of society.

Ik had een zeer vreemd gevoel toen ik ‘outside of society’ meebrulde, dat moet ik eerlijkheidshalve toegeven. Maar dat doet niets af aan de waarde van dit concert. Mijn excuses voor de clichés. Ik kon niet anders.

11-06-07

PATTI SMITH : AIN'T IT STRANGE?


easter
 
Vanavond treedt Patti Smith op in een uitverkochte AB. Ik heb de zangeres al vaak live gezien, de eerste keer als ik me niet vergis in 1977, de tweede en beste keer in 1978 op paaszaterdag – haar elpee ‘Easter’ was net verschenen – met de Antwerpse Kids (wie herinnert zich nog Ludo Mariman?) als voorprogramma. Meteen na het zinderende concert van the Kids, met als hoogtepunt een door de hele zaal meegezongen Fascist Cops, zette the Patti Smith Group in met The Kids Are Alright, een cover van de Pete Townshend-klassieker. Na dat eerbetoon gaf Patti Smith een hele avond lang alles van zichzelf, onversneden extase was het. Het leek wel of ze over bovennatuurlijke gaven beschikte, want ik voelde me na afloop veel gezonder en sterker dan tevoren. Latere optredens zoals in de Hallen van Schaarbeek in 1999, in het Paleis voor Schone Kunsten enkele jaren nadien en op het Cactus Festival in Brugge was Patti Smith nog altijd meeslepend, zij het zonder de intensiteit van die beginjaren. Alleszins heeft ze me live nooit ontgoocheld, al waren haar cd’s niet altijd even goed, ik denk dan vooral aan Dream Of Life en Peace and Noise. Ik ben ervan overtuigd dat zij en haar band me vanavond evenmin zullen ontgoochelen.

Nu ben ik niet bepaald in een zeer opgewekte stemming, wat ongetwijfeld te wijten is aan de verkiezingsuitslagen. Na acht jaar leven we opnieuw in een zeer conservatief land. Ik heb er geen goed oog in; vooral het succes van de separatisten schrikt me af. Maar wie weet beleef ik vanavond een nieuwe catharsis en sta ik om middernacht geheeld en gesterkt weer op straat en laat ik mijn leven en mijn denken daarna niet meer verstoren door dorpspolitici en door een bevolking die zich door populisten en reactionairen laat verblinden.

Omdat Patti Smith vanavond optreedt wil ik hier graag een tekst van haar onder de aandacht brengen. Het is een schitterende ‘apologie’ van de rock & roll, die zij schreef aan de vooravond van haar opname in de Rock and Roll Hall Of Fame, en die op 12 maart dit jaar werd gepubliceerd in The New York Times. Ik gebruik het woord ‘apologie’ heel bewust. Patti Smiths benadering van populaire muziek, en van rock & roll in het bijzonder, heeft inderdaad een sterk religieuze inslag. Heel het werk en het denken van Patti Smith is van religieuze aard, in haar songteksten en gedichten krioelt het van de religieuze beelden en metaforen.
In Privilege (op Easter) zingt zij bijvoorbeeld:
“Hey, lord, Im waitin for you.
Oh, god, Im waitin for you;
Waitin to open your ninety-eight wounds
And be thee, be thee.
Lead me, oh, lead me.”
Het zijn niet haar eigen woorden, ze komen uit de soundtrack van de film Privilege van Peter Watkins uit 1967 met toenmalige iconen Jean Shrimpton en Paul Jones, maar toch, veel verder kun je in het verlangen naar een god niet gaan. Soms heeft Patti Smith iets van een hedendaagse Hadewych. Ik wil op dit religieuze aspect van haar werk echter niet dieper ingaan. Ik zal er ooit eens een boek over schrijven en dan ga ik daarmee op de markt staan, je zal zien dat het een succes wordt. Overigens ben ik ervan overtuigd dat de god waar Patti Smith op wacht niet die van Ratzinger is. Want roept ze ook niet ergens uit, ik denk op Radio Ethiopia, In my heart I’m a muslim? Gelukkig is die religiositeit met een sterk sociaal en ecologisch bewustzijn verbonden. Dat sociale aspect van rock and roll komt goed tot uiting in wat ik de ‘apologie’ heb genoemd. Veel leesgenot.


“AIN'T IT STRANGE

On a cold morning in 1955, walking to Sunday school, I was drawn to the voice of Little Richard wailing "Tutti Frutti" from the interior of a local boy's makeshift clubhouse. So powerful was the connection that I let go of my mother's hand.

Rock 'n' roll. It drew me from my path to a sea of possibilities. It sheltered and shattered me, from the end of childhood through a painful adolescence. I had my first altercation with my father when the Rolling Stones made their debut on "The Ed Sullivan Show." Rock 'n' roll was mine to defend. It strengthened my hand and gave me a sense of tribe as I boarded a bus from South Jersey to freedom in 1967.

Rock 'n' roll, at that time, was a fusion of intimacies. Repression bloomed into rapture like raging weeds shooting through cracks in the cement. Our music provided a sense of communal activism. Our artists provoked our ascension into awareness as we ran amok in a frenzied state of grace.

My late husband, Fred Sonic Smith, then of Detroit's MC5, was a part of the brotherhood instrumental in forging a revolution: seeking to save the world with love and the electric guitar. He created aural autonomy yet did not have the constitution to survive all the complexities of existence.

Before he died, in the winter of 1994, he counseled me to continue working. He believed that one day I would be recognized for my efforts and though I protested, he quietly asked me to accept what was bestowed -- gracefully -- in his name.

Today I will join R.E.M., the Ronettes, Van Halen and Grandmaster Flash and the Furious Five to be inducted into the Rock and Roll Hall of Fame. On the eve of this event I asked myself many questions. Should an artist working within the revolutionary landscape of rock accept laurels from an institution? Should laurels be offered? Am I a worthy recipient?

I have wrestled with these questions and my conscience leads me back to Fred and those like him -- the maverick souls who may never be afforded such honors. Thus in his name I will accept with gratitude. Fred Sonic Smith was of the people, and I am none but him: one who has loved rock 'n' roll and crawled from the ranks to the stage, to salute history and plant seeds for the erratic magic landscape of the new guard.

Because its members will be the guardians of our cultural voice. The Internet is their CBGB. Their territory is global. They will dictate how they want to create and disseminate their work. They will, in time, make breathless changes in our political process. They have the technology to unite and create a new party, to be vigilant in their choice of candidates, unfettered by corporate pressure. Their potential power to form and reform is unprecedented.

Human history abounds with idealistic movements that rise, then fall in disarray. The children of light. The journey to the East. The summer of love. The season of grunge. But just as we seem to repeat our follies, we also abide.Rock 'n' roll drew me from my mother's hand and led me to experience. In the end it was my neighbors who put everything in perspective. An approving nod from the old Italian woman who sells me pasta. A high five from the postman. An embrace from the notary and his wife. And a shout from the sanitation man driving down my street: "Hey, Patti, Hall of Fame. One for us."

I just smiled, and I noticed I was proud. One for the neighborhood. My parents. My band. One for Fred. And anybody else who wants to come along.”

08-06-07

EEN HOOFD VOL DODE WOORDEN


distracted

De woorden van de wereld en de tijd hebben je bescheiden gemaakt, maar tegelijk hebben ze je de zekerheid gegeven dat je niet waardeloos bent, dat je een mens bent. Een mens die droomt en denkt en verlangt. Een mens die ernaar streeft een mensch te worden. Ooit. Dat woord mensch ben je voor het eerst tegengekomen in de autobiografie van Elias Canetti, de schrijver die sterfelijkheid een schande noemde. De woorden hebben je gerustgesteld, maar ook verontrust. Bij het lezen van sommige woorden werd je verontwaardigd. De woorden lieten je een gefundeerde orde zien. Maar hun betekenissen veranderden voortdurend, net zoals de oorzaken van je plezier. Sommige woorden waren als mooie vrouwen, modellen, druktemakers, Eryniën. Sommige woorden waren als vliegen, die je toch niet doodmepte. Integendeel, je luisterde goedkeurend naar hun gebrom. De woorden vormden lange ketens. Of zal ik zeggen, guirlandes? Rozenkransen, lauwerkransen? De woorden waren sterren die je de weg toonden. Leugens die je op een dwaalspoor zetten. 's Nachts met ontbloot hoofd. De woorden brachten dat hoofd op hol. Je kon niet meer terug naar een veilig oord, waar het stil was. Altijd was er ten minste een gefluister te horen. De woorden hebben je kijk op de werkelijkheid aangescherpt maar ook vertroebeld. Je bent een andere geworden dan degene die je bent, je bent duizend anderen geworden. Talloos veel miljoenen ben je geworden, zoals de woorden om je heen en de woorden in je hoofd. Je raakt ze niet meer kwijt tot je de gifbeker drinkt, dat troebel water van de dood. De kruik, echter, zegt de volksmond, gaat zo lang te water tot ze breekt.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.

07-06-07

AANZET VOOR EEN NUTTELOZE WOORDENLIJST


Otto E Mezzo 2

Onverschrokken. Achterdochtig. Uitgepuurd. Afgepeigerd. Belazerd. Opgejaagd. Ontzet. Gezwicht. Bedreigd. Gestaakt. Sprakeloos. Botgevierd. Afgekloofd. Ondermaats. Tweeslachtig. Nodeloos. Doodgeboren. Ontspoord. Ontwricht. Beklemd. Krampachtig. Parmantig. Planmatig. Plechtig. Uitgespuwd. Ontrukt. Verveld. Ontzield. Gebroken. Afgewend. Ontworsteld. Ontworteld. Bespat. Bespot. Bewierookt. Uitgejouwd. Verfomfaaid. Geradbraakt. Uitgebraakt. Uitgekleed. Gegrondvest. Gehandhaafd. Verbannen. Verschanst. Verhaspeld. Verontwaardigd. Overspoeld. Verspild. Uitgebeend. Begeesterd. Ontmanteld. Ontfermd. Verzonnen. Verzonken. Opgefokt. Afgekalfd. Uitgezaaid. Ontwapend. Ingeburgerd. Afgeleefd. Gebroken. Getormenteerd. Getorpedeerd. Opgekalefaterd. Vergoelijkt. Geworpen. Verslingerd. Verlekkerd. Afgelikt. Vermolmd. Uitgehold. Opgelaten. Ingehouden. Aangekondigd. Opgelapt. Uitgeput. Aangemonsterd.

Foto: Otto e mezzo van Frederico Fellini.

06-06-07

EEN MILJOEN


Ik maakte net een wandeling in de stad, kocht pralines voor mijn collega's en een tijdschrift om de tijd te doden. Terug in mijn vertrouwde omgeving stelde ik vast dat de miljoenste bezoeker al de deur uit was. Ik heb haar of hem niet kunnen begroeten of bedanken. Misschien maakt het nu niet meer uit, nu hij of zij al zo lang weer weg is, maar ik wil die miljoenste bezoeker toch hartelijk bedanken.

Ik ben nooit aan dit project begonnen om er succes mee te krijgen, maar nu ik toch wat succes schijn te hebben maakt dat me wel blij. Bijval genieten zonder erom gevraagd te hebben en zonder er toegevingen voor te doen is een mooie zaak. I THANK YOU! (op de wijze van Sam & Dave.)