11-06-07

PATTI SMITH : AIN'T IT STRANGE?


easter
 
Vanavond treedt Patti Smith op in een uitverkochte AB. Ik heb de zangeres al vaak live gezien, de eerste keer als ik me niet vergis in 1977, de tweede en beste keer in 1978 op paaszaterdag – haar elpee ‘Easter’ was net verschenen – met de Antwerpse Kids (wie herinnert zich nog Ludo Mariman?) als voorprogramma. Meteen na het zinderende concert van the Kids, met als hoogtepunt een door de hele zaal meegezongen Fascist Cops, zette the Patti Smith Group in met The Kids Are Alright, een cover van de Pete Townshend-klassieker. Na dat eerbetoon gaf Patti Smith een hele avond lang alles van zichzelf, onversneden extase was het. Het leek wel of ze over bovennatuurlijke gaven beschikte, want ik voelde me na afloop veel gezonder en sterker dan tevoren. Latere optredens zoals in de Hallen van Schaarbeek in 1999, in het Paleis voor Schone Kunsten enkele jaren nadien en op het Cactus Festival in Brugge was Patti Smith nog altijd meeslepend, zij het zonder de intensiteit van die beginjaren. Alleszins heeft ze me live nooit ontgoocheld, al waren haar cd’s niet altijd even goed, ik denk dan vooral aan Dream Of Life en Peace and Noise. Ik ben ervan overtuigd dat zij en haar band me vanavond evenmin zullen ontgoochelen.

Nu ben ik niet bepaald in een zeer opgewekte stemming, wat ongetwijfeld te wijten is aan de verkiezingsuitslagen. Na acht jaar leven we opnieuw in een zeer conservatief land. Ik heb er geen goed oog in; vooral het succes van de separatisten schrikt me af. Maar wie weet beleef ik vanavond een nieuwe catharsis en sta ik om middernacht geheeld en gesterkt weer op straat en laat ik mijn leven en mijn denken daarna niet meer verstoren door dorpspolitici en door een bevolking die zich door populisten en reactionairen laat verblinden.

Omdat Patti Smith vanavond optreedt wil ik hier graag een tekst van haar onder de aandacht brengen. Het is een schitterende ‘apologie’ van de rock & roll, die zij schreef aan de vooravond van haar opname in de Rock and Roll Hall Of Fame, en die op 12 maart dit jaar werd gepubliceerd in The New York Times. Ik gebruik het woord ‘apologie’ heel bewust. Patti Smiths benadering van populaire muziek, en van rock & roll in het bijzonder, heeft inderdaad een sterk religieuze inslag. Heel het werk en het denken van Patti Smith is van religieuze aard, in haar songteksten en gedichten krioelt het van de religieuze beelden en metaforen.
In Privilege (op Easter) zingt zij bijvoorbeeld:
“Hey, lord, Im waitin for you.
Oh, god, Im waitin for you;
Waitin to open your ninety-eight wounds
And be thee, be thee.
Lead me, oh, lead me.”
Het zijn niet haar eigen woorden, ze komen uit de soundtrack van de film Privilege van Peter Watkins uit 1967 met toenmalige iconen Jean Shrimpton en Paul Jones, maar toch, veel verder kun je in het verlangen naar een god niet gaan. Soms heeft Patti Smith iets van een hedendaagse Hadewych. Ik wil op dit religieuze aspect van haar werk echter niet dieper ingaan. Ik zal er ooit eens een boek over schrijven en dan ga ik daarmee op de markt staan, je zal zien dat het een succes wordt. Overigens ben ik ervan overtuigd dat de god waar Patti Smith op wacht niet die van Ratzinger is. Want roept ze ook niet ergens uit, ik denk op Radio Ethiopia, In my heart I’m a muslim? Gelukkig is die religiositeit met een sterk sociaal en ecologisch bewustzijn verbonden. Dat sociale aspect van rock and roll komt goed tot uiting in wat ik de ‘apologie’ heb genoemd. Veel leesgenot.


“AIN'T IT STRANGE

On a cold morning in 1955, walking to Sunday school, I was drawn to the voice of Little Richard wailing "Tutti Frutti" from the interior of a local boy's makeshift clubhouse. So powerful was the connection that I let go of my mother's hand.

Rock 'n' roll. It drew me from my path to a sea of possibilities. It sheltered and shattered me, from the end of childhood through a painful adolescence. I had my first altercation with my father when the Rolling Stones made their debut on "The Ed Sullivan Show." Rock 'n' roll was mine to defend. It strengthened my hand and gave me a sense of tribe as I boarded a bus from South Jersey to freedom in 1967.

Rock 'n' roll, at that time, was a fusion of intimacies. Repression bloomed into rapture like raging weeds shooting through cracks in the cement. Our music provided a sense of communal activism. Our artists provoked our ascension into awareness as we ran amok in a frenzied state of grace.

My late husband, Fred Sonic Smith, then of Detroit's MC5, was a part of the brotherhood instrumental in forging a revolution: seeking to save the world with love and the electric guitar. He created aural autonomy yet did not have the constitution to survive all the complexities of existence.

Before he died, in the winter of 1994, he counseled me to continue working. He believed that one day I would be recognized for my efforts and though I protested, he quietly asked me to accept what was bestowed -- gracefully -- in his name.

Today I will join R.E.M., the Ronettes, Van Halen and Grandmaster Flash and the Furious Five to be inducted into the Rock and Roll Hall of Fame. On the eve of this event I asked myself many questions. Should an artist working within the revolutionary landscape of rock accept laurels from an institution? Should laurels be offered? Am I a worthy recipient?

I have wrestled with these questions and my conscience leads me back to Fred and those like him -- the maverick souls who may never be afforded such honors. Thus in his name I will accept with gratitude. Fred Sonic Smith was of the people, and I am none but him: one who has loved rock 'n' roll and crawled from the ranks to the stage, to salute history and plant seeds for the erratic magic landscape of the new guard.

Because its members will be the guardians of our cultural voice. The Internet is their CBGB. Their territory is global. They will dictate how they want to create and disseminate their work. They will, in time, make breathless changes in our political process. They have the technology to unite and create a new party, to be vigilant in their choice of candidates, unfettered by corporate pressure. Their potential power to form and reform is unprecedented.

Human history abounds with idealistic movements that rise, then fall in disarray. The children of light. The journey to the East. The summer of love. The season of grunge. But just as we seem to repeat our follies, we also abide.Rock 'n' roll drew me from my mother's hand and led me to experience. In the end it was my neighbors who put everything in perspective. An approving nod from the old Italian woman who sells me pasta. A high five from the postman. An embrace from the notary and his wife. And a shout from the sanitation man driving down my street: "Hey, Patti, Hall of Fame. One for us."

I just smiled, and I noticed I was proud. One for the neighborhood. My parents. My band. One for Fred. And anybody else who wants to come along.”

Commentaren

Ik was erbij op Paaszaterdag in 1978. Het was in het Koninklijk Circus/Cirque Royal. It Kicked Ass.

Gepost door: dirk | 11-06-07

Reageren op dit commentaar

dit land heeft dringend nood aan meer rock 'n roll.....
ook (nog iets meer dan gewoonlijk) gedeprimeerd door gisteren.

Gepost door: sodade | 11-06-07

Reageren op dit commentaar

circus Ja, Dirk, nu je het zegt herinner ik me weer dat het in het Koninklijk Circus was. Gisteren twijfelde ik er nog aan. Fantastisch concert was dat, maar dat van gisteren was bijna even goed. Alleen is die 'magie' van vroeger er niet meer, iets onuitsprekelijks.

Ja, sodade, het is een deprimerende zaak. en we zijn machteloos, hoewel iemand als patti smith ervan overtuigd is dat we de wereld toch zelf kunnen veranderen.

Gepost door: martin | 12-06-07

Reageren op dit commentaar

Dépri, flauw toch nu de tjeven De magie van Patti, toen ze nog jong en boos was, in een rivier wijdbeens waterde, kan die zomaar voorbijgaan? Ze is allicht minder jong, minder boos, nogal gelouterd na wat pijn, verdriet en verlies maar ik hoor in haar nog altijd vuur (zij het met blauwe vlam).
Niet flauw doen dat de tsjeven terug aan de macht komen, zeker niet dépri worden. Gewoon de paarse uitstraling behouden en op tijd afspiegelen. Hier moet toch een uitweg zijn, sprak de nar tot de dief.

Gepost door: marc tiefenthal | 12-06-07

Reageren op dit commentaar

De commentaren zijn gesloten.