30-04-07

DODE KONINGEN

dood,koningen

Sally Mann, Untitled, 2001

Ik droomde van dode koningen, velen in gouden gewaden gehuld. Ze waren dood, sommigen in stukken gehakt; hun mantels en kronen glinsterden in de wat doffe, stofferige zon. De koningen, en samen met hen vele edellieden, werden met bulldozers in grote aantallen in kleiputten geschoven. Deze koningen verschilden nauwelijks van de uitgemergelde joden die in de concentratiekampen werden aangetroffen bij de bevrijding.

29-04-07

ECLIPS


Ik herinner me nu de eclips van 1999. Die vond plaats op een woensdag in augustus. In mijn straat en in de straten in de buurt was het opvallend stil. Het was een rust die tot de verbeelding sprak, helemaal anders dan de zondagsrust. Wolken, waardoorheen heldere zon, om halfelf, op weg naar het Bracops ziekenhuis, hier vlakbij. Ik moest bij de tandarts zijn. Ook daar hing een andere sfeer dan op andere dagen; het was er vooral ongedwongen. Ik kwam zelfs een kwartier vroeger dan voorzien aan de beurt.

Ik was pas om negen uur uit bed gestapt, nogal in de war. Na het ontbijt raakte ik nog meer in de war doordat een van de luidsprekers van een nieuwe micro stereoketen het al niet meer deed en ik kon hem niet hersteld krijgen. Terwijl ik met de kabeltjes van de aansluiting bezig was rinkelde de telefoon. Het was mijn moeder. Ik vroeg me af hoe zij wist dat ik thuis was. Ach, wellicht wist ze niet eens meer dat ik in normale omstandigheden nu op mijn werk zou zijn geweest. Zou ze me vaak hier thuis bellen als ik op mijn werk ben, vroeg ik me af. Aan mijn moeder zelf kon ik het niet meer vragen, ze herinnerde zich niet eens wat ze een minuut eerder gedaan had.
Het moment nadert, zei ze, het is bijna zover.
Welk moment, vroeg ik, hoewel ik dacht te begrijpen dat ze het over de eclips had.
Ja, welk moment was dat nu weer, ging ze verder.
Van dat atoom of zo, voegde ze er aarzelend aan toe.
Ja, de zonne-eclips, bevestigde ik.
In mijn woorden klonk het heel wat banaler dan in de hare. Bij mijn moeder leek het over de Apocalyps te gaan.

Op weg naar het Bracops ziekenhuis, in de hierboven al beschreven serene sfeer, zag ik vier witte figuren een in goud gehuld lichaam dragen. Iemand die pijn heeft, een stervende mens misschien, maar heel even zag wat ik zag eruit als een zinnenbeeld van verheven schoonheid.

Later op weg naar het Poelaertplein om daar de 99%-eclips te gaan bekijken, ontwaarde ik, terwijl ik door de regen liep, boven de Regentschapsstraat een engel in dezelfde gouden kleur. Je zou kunnen opwerpen dat het gewoon maar een bespottelijke schepping was van een of andere kitschartiest, maar ook nu weer was het de echte engel die ik zag, in het stralende licht dat door de donkere wolken priemde. De ene kant van de stad was helemaal zwart, de andere kant helder, met een blauwe hemel erboven. Het was enige minuten over twaalf.

Een half uur eerder had ik op de Anspachlaan vrouwen zien lopen die zich van niets bijzonders bewust leken te zijn. Ze waren niet opgewonden, haastten zich nergens heen. Het was voor hen een dag als een ander. Voor de meesten was dat echter niet het geval. Ze voelden een leegte in zichzelf en hoopten in Virton of op een andere plek waar de duisternis die dag zich zou voltrekken getuige te zijn van een wonder, opdat er in hen toch weer iets zou gaan zinderen. Een vonkje moest toch ergens te vinden zijn, iets wat hen zou verbinden met de anderen en met de wereld. Althans, dat schenen ze te denken of op zijn minst te vermoeden. De zon moest hen aan elkaar en aan het geheel vastlassen, al was het maar een heel klein beetje. Vandaar die lasbrillen wellicht. Ja, sommigen maakten gebruik van echte lasbrillen om de zonne-eclips te bekijken.
Ik was blij dat ik ook dat verlangen in mijn voelde bruisen. Dat ik wat dat betreft niet anders dan de anderen was. Dat ik die leegte ook met iets onbekends en ongelofelijks wilde vullen.

Het mooiste moment van het natuurverschijnsel vond ik om kwart over elf ongeveer, toen de maan voor de zon kwam, een klein stukje nog maar, ik was toen beneden in mijn straat, twee oude mensen liepen me voorbij, ik zette mijn brilletje op om even te kijken, zette het weer af, en zag de vrouw vriendelijk glimlachen. Hoewel ze zelf niet echt veel belangstelling leken te hebben vonden ze het toch niet bespottelijk wat ik deed. Op dat moment kwam tram 56 aangereden en ik moest een heel stuk teruglopen. Want ik had me bedacht, beter de tram nemen, boven de grond, zodat ik getuige kon zijn van het fenomeen, ook al was er weinig te zien, dan de metro, onder de grond, waar ik vast het gevoel zou hebben iets unieks te missen. En natuurlijk was het op een bepaalde manier een bijzondere rit. Er was bijna geen verkeer, er zaten weinig mensen in de tram. Een vader met zijn vrouw en hun drie kinderen. Opgewonden kinderen, ze maakten opmerkingen over alle gewone dingen die ze zagen en die voor hen blijkbaar heel ongewoon waren.

Op het Poelaertplein, in de schaduw van het Justitiepaleis, was er een man met een hond. Dat geblaf klonk ook weer helemaal anders dan op doordeweekse dagen. Het was een geblaf dat ik kon verdragen, een geblaf waarin verwondering, verbazing doorklonk. Op het Poelaertplein voelde ik mij niet eenzaam, maar ik was toch alleen. Door mijn brilletje zag ik lange tijd niets. Er waren te veel donkere wolken. Een jonge man naast me vroeg me of ik iets zag. Nee, zei ik, ik zie niets. Rien du tout?, vroeg hij. Non, rien du tout, zei ik. Waarschijnlijk vroeg hij zich net als ik af of zijn brilletje wel deugde. Je hoefde echter maar om je heen te kijken om vast te stellen dat niemand iets kon zien. Met het blote oog natuurlijk wel. Maar dan kon je slechts een seconde kijken (waar ik veel later nog altijd pijn van aan de ogen had). Het werd wat donkerder, maar echte duisternis was het niet.
Na een paar minuten was iedereen tevreden: eindelijk konden we onze brilletjes gebruiken en zagen we het stukje zon achter de maan uitsteken. Dat stelde echter niet veel voor. Alles was zwart en daarin een geel sikkeltje, meer niet. De hele sfeer die eraan vooraf ging, dat was voor mij ‘de eclips’, hoe de mensen zich gedroegen, het feit dat ze de steden verlieten, dat ze ergens in velden gingen zitten wachten op Iets.

Om twintig voor één ben ik met tegenzin weggegaan. Af en toe ben ik blijven staan om toch nog een blik te werpen op het natuurfenomeen. Intussen waren de wolken weggetrokken en nu kon ik mijn brilletje naar hartenlust gebruiken. Maar ik durfde niet lang kijken. Stel je voor dat het ding toch niet voldoende bescherming bood. Even later stapte ik de kerk van Onze-Lieve-Vrouw-Ter-Zavel binnen. Na de eclips was dat een beetje een anti-climax, vooral omdat ik er een week eerder ook al was binnengegaan en toen was de kerk overspoeld geweest door licht. Hoe dan ook nam ik me voor er vaker een bezoek te brengen, maar zeker niet om er te gaan bidden voor de god van Clothilde – en van Clovis, herinnerde ik me nog, terwijl ik de geschiedenisleraar weer voor me zag staan, met zijn perkamenten vingers naar het bord wijzend.

Die avond ging ik met pijn aan de ogen en hoofdpijn naar bed. Maar ik was gelukkig. Ik had iets bijzonders meegemaakt. Ik was een deel van de wereld geweest.

27-04-07

KAVAFIS, MONTAIGNE: GEDICHTEN VAN ZILVER, PROZA VAN GOUD


Kavafis




























Gedichten die mij van mijn stuk hebben gebracht : 'Trouweloosheid' en 'Wachtende op de Barbaren', allebei van Kavafis. Het eerste gedicht gaat over het verraad van Apollo, die Achilles' moeder, Thetis, een lang en gezond leven belooft voor haar zoon, maar die later zelf de Trojanen steunt in de strijd tegen de Grieken, waarbij Achilles sneuvelt. In het tweede gedicht wordt een hele reeks scènes opgevoerd die allemaal betrekking hebben op de komst van de barbaren. Alles en iedereen is op de intocht van die gevreesde barbaren gefocust. Uiteindelijk komen ze niet en dat is een grote teleurstelling, want wat moet nu gebeuren?

***

Bij Montaigne vond ik een mooi fragment over de diversiteit (Hoofdstuk 37, p. 276, Over Cato de Jongere).

"Ik ben niet behept met de veel voorkomende fout anderen naar mijzelf te beoordelen. Ik neem gemakkelijk aan dat een ander eigenschappen heeft die heel anders zijn dan de mijne. Dat ik mijzelf aan één manier van leven gebonden voel wil niet zeggen dat ik, zoals alle anderen doen, daartoe verplicht. Ik geloof dat er duizend andere manieren van leven zijn; en in tegenstelling tot de meesten ben ik eerder overtuigd van de verscheidenheid dan van de gelijkheid van de mensen. Zoveel men maar wil ben ik bereid een ander niet met mijn leefwijze en principes te belasten; ik beschouw hem enkel op zichzelf, zonder te vergelijken, en vorm hem naar zijn model. (...) Ik heb bijzonder graag dat men ieder van ons op zichzelf beoordeelt en dat men over mij geen conclusies trekt uitgaande van de gangbare voorbeelden."

Dit diep inzicht zou ik nooit uit het oog mogen verliezen. Ik denk dat het een goede raad is voor alle situaties in het leven.

DE VRUCHTBAARHEIDSSYMBOLEN OP HET KERKHOF

auto,afgrond,kerkhof,kosovaren,vruchtbaarheid,else,psychoanalyse,droom,laura


Ik zit met Laura in een 4x4, zij achter het stuur. We rijden een berg af, over een kronkelige weg, rechts van ons gaapt de afgrond. Ze rijdt snel en roekeloos langs de afgrond, tot we door de vangrails gaan en in de lucht zweven. We maken allerlei bewegingen met onze ledematen en onze rompen om toch maar in de lucht te blijven. Tot mijn verbazing lukt dat. Maar dan zie ik dat we eigenlijk niet in de lucht hangen, maar op een bijna onzichtbare weg naast het normale rijvak zijn beland. Ik wijs Laura hierop en zij begeeft zich nu snel weer op de normale weg naar beneden. Tot we aan het oude kerkhof in de vallei komen, waar we uitleg krijgen van een paar jongens, met donkere huid. Ze hebben iets van Zigeuners, maar waarschijnlijk zijn het Kosovaren. Achter de zerken staan muurtjes, met dwarse openingen, je kunt ze vergelijken met schoorstenen maar dan rechthoekig, iets meer dan een meter lang, dertig à veertig centimeter breed, een meter hoog. Er groeien stokachtige gewassen uit de dwarsopeningen, donkergrijs, asachtig van kleur, maar ze zijn niet dood aangezien ze groeien. Ze groeien uit de graven. Alle graven op dit kerkhof zijn goed onderhouden. Als er iemand wordt begraven, wordt aan het hoofdeinde van het graf zo’n open muurtje gemaakt; daarin worden stukken hout gelegd, die bevrucht worden door de lichaamsvochten van de overledene. Een jongen vertelt ons dat zij eigenlijk van vissers afstammen. Dat verklaart waarom zij om hout te gaan vergaren om hun doden mee te geven nog altijd op zee gaan. Alleen hout dat zij op het zeeoppervlak vinden mag worden gebruikt voor de graven. Alleen daaruit groeien de asgrijze stokken. Die worden zo’n twee tot drie meter hoog. Ze hebben een doordringende geur. Ik vraag me af of dit nu een echte lijkengeur is.

Later in de auto zijn we vrolijk en maken grappen. We hebben een sterk drankje gekregen. Mag je eigenlijk van die stokken eten als je vegetariër bent, had ik nog aan de Kosovaarse jongens gevraagd. De jongens hadden gelachen om mijn grap. Ze worden in ieder geval gebruikt bij huwelijken, zeiden ze, want zo’n stok is in deze streken een vruchtbaarheidssymbool.

Dit alles vertelde ik Else, zij het minder vlot en minder literair, terwijl ik door het raam keek. Ik voelde aan dat zij me bekeek terwijl ik vertelde. Wat zou zij denken, dacht ik? Zou zij allerlei betekenissen geven aan de beelden in deze droom? Zal zij deze droom zelf verderdromen als zij straks een dutje doet?

26-04-07

MAG IK MET DIE VROUW NAAR BED?

psychiatrie,daniel menaker,beinvloeding,else,polly magoo,psychoanalyse,william klein,elias canetti,boeken,vs,seventies,vrije liefde,seks,erotiek

Lee Remick, Experiment In Terror.

Ik herinner me dat ik het met Else over de prachtige roman ‘De behandeling’ van Daniel Menaker had. Het gaat, zoals de titel al laat vermoeden, over een behandeling bij een psychiater. Ik vertelde haar over de pyschoanalyst in dat boek, hoe hij zijn patiënt, de verteller, vaak allerlei dingen suggereert, zelfs advies geeft, bijvoorbeeld om met een bepaalde vrouw naar bed te gaan; zie je dan niet dat zij iets voor je voelt, zegt hij. 

Ik zei tegen Else dat dit toch al vrij ver ging, de patiënt laat zich gemakkelijk beïnvloeden, hij bevindt zich in een ondergeschikte positie. Op die manier kan hij niet langer vrij beslissen - en is het nu niet precies dat waar het allemaal op neerkomt, waarom je in therapie gaat: je wil zelfstandiger worden, vrijer, gemakkelijker kunnen beslissen, kunnen argumenteren en weloverwogen kiezen… Een orthodoxe psychoanalyse is het zeker niet, zei Else. Ach, het speelt zich ook af in de jaren '70 en in de Verenigde Staten, in die tijd en vooral in dat land werd er waarschijnlijk wel meer geëxperimenteerd dan hier en nu. Maar zou jij dan graag hebben dat ik je advies geef, dat ik je dingen aanbeveel, vroeg ze? Ik weet het niet goed, zei ik. Dat maakt het leven natuurlijk gemakkelijker, als je bij iemand terecht kunt om raad te vragen. Maar aan de andere kant word je dan weer afhankelijk van die persoon en dat is toch ook niet goed.

"Men denkt zich voor de wereld te openen en boet daarvoor met blindheid in de naaste omgeving. Onbegrijpelijk is de hoogmoed, waarmee je erover beslist wat je aangaat en wat niet. Alle lijnen der ervaring zijn je voorgeschreven, zonder dat je het weet, wat zonder letters nog niet te begrijpen zou zijn, blijft ongezien en de wolfachtige eetlust, die zich weetgierigheid noemt, merkt niet wat hem ontgaat."
(Elias Canetti, De Behouden Tong, 320.)

REVOLUTIE IN MINIROK


De wereld is klein. Bij deze foto schreef ik ironisch dat ik ervan overtuigd was dat bloemen in het haar en liefde en minirokken de wereld in een paradijs zouden veranderen. Als iedereen zich de flower power-gedachte eigen maakte zou er geen geweld meer zijn, dacht ik. De oorlog in Vietnam zou meteen worden beëindigd.

De wereld is klein, zei ik. Rachel Fagen uit Massachussetts, die zich als fotografe Redcord noemt, schreef onder mijn foto uit vrolijker tijden dat ik nog steeds een ‘handsome devil’ ben. Ik was natuurlijk zeer gevleid. Ze voegde eraan toe dat de minirok-revolutie voor haar spoedig een aanvang zou nemen. Het eerste
resultaat van die uitspraak streelt inmiddels iedereen die een internetaansluiting heeft de ogen, potentieel dan toch. Hopelijk breidt deze revolutie zich snel uit.

24-04-07

TEGEN HET WANTROUWEN

katholicisme,fanatisme,schoonheid,film,kunst,wantrouwen,literatuur,hypocrisie,denkfouten,hollywood,bush,moraal,guattari,deleuze,consumentisme

Contes Immoraux, Walerian Borowczyk

Op mijn vorige stuk, voornamelijk een lofzang op de schoonheid van sommige stemmen in film, muziek en – in de verbeelding dan wel – in de literatuur, kwam nogal bedenkelijk commentaar. Ik zou er niet op mogen reageren, maar ik kan het niet laten.

De commentator schrijft dat film en literatuur bedrieglijk zijn. In mijn stuk had ik het helemaal niet over de waarheid van film en literatuur. Iedereen doet wat hij wil, maar ik begrijp desondanks niet waarom deze man zijn ‘ideeën’ over de éne goddelijke waarheid uitgerekend onder mijn nogal religieus aandoende tekst komt plaatsen.
Hij schrijft dat ‘in films en literatuur op subtiele wijze aan de consument duidelijk wordt gemaakt wat en wie goed of kwaad is’. In één zinnetje maakt hij op zijn minst drie denkfouten. Dat is althans mijn overtuiging. Films en literatuur worden niet geconsumeerd. Ik ben geen consument van films en boeken. Ik lees en becommentarieer boeken, ik denk erover na; ik bekijk films, ik spreek erover, denk erover na, schrijf er soms iets over, laat mij er door inspireren, maak mij boos, et cetera. Ik ben geen consument van om het even welke vorm van kunst. Kunst opent mijn wereld (als kunst mij aanspreekt). Dat is één. Een tweede fout is de veronderstelling dat films subtiel zijn. Talloos veel films zijn allesbehalve subtiel. De moraal wordt er bij de ‘consument’ met veel gedreun en bombast ingeramd. Film made in Hollywood maar ook op andere plaatsen, met de goedkeuring van George W. Bush en de boekhouders van de Heer. ‘Literatuur’ is evenmin subtiel. Is Herman Brusselmans subtiel? Een gebrek aan subtiliteit is misschien wel zijn belangrijkste stijlmiddel. Een derde fout is het uitgangspunt dat literatuur, film en kunst zeer nauwkeurig gedefinieerd kunnen worden. Er zijn talloze literaturen, ook subtiele, zeer kleine en zeer grote. Gillles Deleuze en Félix Guattari hebben hier aandacht aan besteed, onder meer in verband met Kafka. Er zijn meerdere vormen van films, ook subtiele, ook zeer morele, ook immorele (denk aan Contes Immoraux van Walerian Borowczyk), ook amorele, etcetera. En ik zie zoveel verschillende soorten kunsten en kunstjes op tentoonstellingen en in musea dat ik er duizelig van word. De commentator ziet voornamelijk kunst ‘die een vuil spel kan spelen met het ethisch bewustzijn van de mensen’. Alsof, indien dat zo zou zijn, de mensen geen verweer hebben, geen kritisch vermogen, geen eigen ethica.

 

katholicisme,fanatisme,schoonheid,film,kunst,wantrouwen,literatuur,hypocrisie,denkfouten,hollywood,bush,moraal,guattari,deleuze,consumentisme


“Wantrouw dus de kunst – nog veel meer dan de politiek!” voegt hij er nog aan toe. En op die manier zet hij zijn handtekening, die van een ware katholiek. Want, zoals ik hier onder in een woede-uitbarsting al schreef, en ik blijf erbij, ook nu ik wat kalmer ben, in wantrouwen en paranoia zijn katholieken altijd heel goed geweest. Ze waren bijzonder vindingrijk in het stichten van paranoïde, vervolgende, mensverwoestende ordes. Ze hadden een zeer duidelijke moraal: die van de foltering en de brandstapel. Nu zijn hun vormen van repressie heel wat subtieler geworden. Het spijt me, maar dit moest me even van de lever.

22-04-07

STEMMEN, STEMMINGEN


isabelle huppert































In boeken, films, toneelstukken, ga ik zelden of nooit op zoek naar structuren. Ik laat me liever meeslepen door het narratieve, en betoveren door woorden, zinnen, beelden; af en toe zie ik een symbool en blijf dan even stilstaan bij de betekenis. Maar meestal glijd ik over de oppervlakte verder. Ik houd van originele uitdrukkingen en ‘echte’ dialogen. Ik houd van films waar niets in gebeurt; een mooi voorbeeld is In The Mood For Love van Wong Kar Wai. Natuurlijk gebeuren er wel allerlei dingen in die film, maar ik bedoel: er wordt niet geschoten, gevochten, gemoord, men loopt niet met grote machinegeweren rond, er verschijnen geen groene monsters, niets van dat alles. En ik kan dat allemaal missen. De films van Rohmer zijn ook een mooi voorbeeld. Daar wordt vooral in gepraat, en, vaak via de woorden, verleid. La collectioneuse, Le genou de Claire. Of de vele uren durende films van Jacques Rivette, zoals La belle noiseuse, over een schilder en zijn model. De schilder blijft aan de oppervlakte van zijn model, haar huid, haar ogen. Ja, haar ogen, de ogen van Emmanuelle Béart, een van de mooiste vrouwen van de wereld. 

Ja, ik blijf ook graag aan de oppervlakte. Ik ben geen intellectueel, wel een moreel mens. Ik denk en handel intuïtief. Ik hoef niet diep te graven om te weten wanneer iets verkeerd is, wanneer een mens slecht is. Is het een zesde zintuig? Alleszins weet ik meestal van een moreel slechte mens dat hij een moreel slechte mens is. Aan een kunstwerk zie ik ook vaak of het echt is of fake, zonder er eerst over te lezen. Het is wel prettig om er achteraf wat over te lezen. Om te vernemen wat ik nu eigenlijk heb gezien. Wat betekenden die rozen op de achtergrond, of die dode vogel op de voorgrond? Maar ik moet die betekenissen niet noodzakelijk allemaal kennen om van een werk te kunnen genieten. Ik ben geen intellectueel, ook al staat mijn kamer vol boeken en liggen ze nu al in stapels op de vloer en op de tafeltjes. Ik lees die boeken ook wel, maar louter voor het plezier van de tekst, voor het genot. Wijzer word ik er niet van, geloof ik. Ik blijf altijd dezelfde naïeve dromer. I don’t want to lose that teenage feeling. Het enthousiasme moet blijven, als dat er niet meer is, hoeft het voor mij niet meer. Ach, ik zal wel een hedonist zijn. Zou ik dat erg moeten vinden?

Ik houd ook zo van stemmen. Stemmen van actrices en acteurs in films. Delphine Seyrig in Le jardin qui bascule, die van Sami Frey in dezelfde film, de stemmen van Caroll Baker en Jean Simmons in The Big Country, de stem van Jean-Pierre Léaud in de Antoine Doinel-films van Truffaut. De stem van Arletty in Les Enfants du Paradis. De stem van Isabelle Huppert in La pianiste (en in alle andere films waar ze in meespeelt). De stem van Bruno Ganz in Der Amerikanische Freund. De stem van Willem Dafoe in Light Sleeper. De kinderstem van Brandon DeWilde in Shane. (Brandon DeWilde was later een goede vriend van Gram Parsons, en stierf net zoals zijn vriend op jonge leeftijd, zij het in zijn geval niet van de drugs maar in een auto-ongeval). Marlon Brando’s stem in Last Tango In Paris, in On The Waterfront. Sissy Spaceks verhalende stem in Badlands, die van Linda Manz in Days Of Heaven. Wat zou er met Linda Manz gebeurd zijn? Nooit meer iets van gehoord. Sam Shepard – in Days Of Heaven een man van weinig woorden - leeft alleszins nog. Hij speelt zelfs mee op de nieuwe cd van Patti Smith, nog zon’ bijzondere stem. Ja, natuurlijk ook de stemmen van zangers en zangeressen. De stem van Bob Dylan in Just Like Tom Thumb’s Blues. Die van Kris Kristofferson in Me And Bobbie McGee. De stemmen van The Be Good Tanyas. De stem van Chan Marshall. De stem van Eleni Mandell, de mooie stem van Françoise Hardy. De stem van Aretha Franklin in Try Matty’s, die van Billie Holiday in I Cover The Waterfront. De fictieve stemmen van Tess, Madame Bovary en Anna Karenina. De goddelijke stem van Teresa Salgueiro. Goddelijk bij wijze van spreken. Duizenden stemmen, miljoenen stemmen. Een oneindig aards en hemels koor dat over de aardse en hemelse liefde zingt en over een eeuwigdurend Pasen, een eeuwigdurende Summer of Love.

Foto: Isabelle Huppert.

21-04-07

EEN OUD EINDE EN EEN NIEUW BEGIN

art brussels,shangri-las,graham greene,mary weiss,catherine walston,boeken,lente,2000,wijn,film


Donderdagavond, op ‘ontdekkingsreis’ in het circus genaamd Art Brussels, waar ik heel wat fake extravagante – oranje shirt, groene broek, purperen sokken - en talloze gestropdaste heren, die ongetwijfeld net hun Lamborghini’s hadden geparkeerd, zag rondwaren (de dames laat ik even buiten beschouwing, al zagen zij er voor het merendeel even lachwekkend uit), dacht ik bij het drinken van een glas wijn opeens terug aan een andere avond in april, zeven jaar geleden. We hadden op dat ogenblik de schrik voor de milleniumbug al behoorlijk verwerkt, een lachertje in vergelijking met de hindernissen die we nu op ons pad vinden.

Het was al avond toen we buitenkwamen en tot onze verrassing was de lente begonnen. We namen de metro tot aan de Naamse Poort, dronken een glas bier op een terrasje, maakten een wandeling en gingen daarna naar The End Of The Affair met Julianne Moore, Ralph Fiennes en Stephen Rea. Ik heb destijds erg genoten van Graham Greene's The End Of The Affair, evenals van zijn andere romans; ik geloof dat ik ze allemaal heb gelezen, en het zijn er veel. De film had zijn eigen kwaliteiten, maar iedereen weet dat de film nooit beter is dan het boek. Voor de roman The End Of The Affair baseerde Greene zich op zijn verhouding met Catherine Walston, die een "Marie-Antoinette in blue jeans" werd genoemd. Over het stel werd geschreven dat ze overspel pleegden "behind every high altar in Italy". Ik weet niet goed hoe Graham Greene dat aan zijn biechtvader opbiechtte. Overigens heb ik nooit goed begrepen waarom de schrijver zich tot het katholicisme heeft bekeerd. Normaal gezien doet een intelligent man zoiets niet. Het moet zo’n typische Britse excentriciteit geweest zijn. Ik kan het alleen op die manier begrijpen. Ik houd wel van excentrieke mensen, maar niet van fake extravagante schatrijke ‘kunstminnaars’ zoals hierboven beschreven.


De hoofdthema's van het boek en de film zijn jaloezie en haat. De schrijver Maurice Bendrix is jaloers op Sarah. Hij verdenkt haar van ontrouw aan haar echtgenoot Harry en ‘dus’ ook aan Bendrix zelf. Uit haar dagboek blijkt echter dat ze altijd van Bendrix is blijven houden. Zijn enige rivaal is God, die hij dan ook hartsgrondig haat. Na haar dood zorgt hij ervoor dat Sarah wordt gecremeerd. Op die manier zal God het wel heel moeilijk hebben met haar verrijzenis. Waarom ik dit nu noteer weet ik niet goed. Misschien heb ik er vorige nacht over gedroomd, of verdenk ik mijn vrouw – een minnares heb ik helaas niet, of moet ik ‘gelukkig’ zeggen? –onbewust van overspel? Het zijn herinneringen die zich opdringen, zoals die aan mijn uren met Else, waar ik zeker nog meer over ga schrijven.

Deze morgen las ik een interview met Mary Weiss, leadzangeres van de beste girl-group ooit, the Shangri-Las. Naar hen heb ik destijds mijn radioprogramma genoemd en als eindtune gebruikte ik altijd hun song ‘Past, Present and Future’. Na veertig jaar stilte heeft Mary Weiss nu een nieuwe cd uitgebracht, op een klein label, waardoor het schijfje hier waarschijnlijk nooit in de rekken zal belanden. De wereld zit vreemd in elkaar. George ‘Shadow’ Morton, de door velen zeer bewonderde producer van the Shangri-Las en later van the New York Dolls, was eerst een ijsjesverkoper. Een beetje zoals Colonel Tom Parker, die voor hij manager van Elvis werd kippen deed ‘dansen’ op elektrisch verwarmde platen. Gaia bestond toen nog niet. Hoe het ook zij, ik ben blij dat Mary Weiss haar muze opnieuw ontmoet heeft.

 

art brussels,shangri-las,graham greene,mary weiss,catherine walston,boeken,lente,2000,wijn,film

20-04-07

GIMME SHELTER

“Bagdad ligt maar één centimeter ver”, schreef Evy in een reactie hieronder. Ik dacht meteen aan Gimme Shelter van the Rolling Stones. In dat lied, waarin nog sporen aanwezig zijn van de summer of love, wordt de keuze gelaten tussen oorlog, “just a shot away”, en liefde, “just a kiss away”.


Oh, a storm is threatning
My very life today
If I dont get some shelter
Oh yeah, Im gonna fade away

War, children, its just a shot away
Its just a shot away
War, children, its just a shot away
Its just a shot away

Ooh, see the fire is sweepin
Our very street today
Burns like a red coal carpet
Mad bull lost its way

War, children, its just a shot away
Its just a shot away
War, children, its just a shot away
Its just a shot away

Rape, murder!
Its just a shot away
Its just a shot away

Rape, murder!
Its just a shot away
Its just a shot away

Rape, murder!
Its just a shot away
Its just a shot away

The floods is threatning
My very life today
Gimme, gimme shelter
Or Im gonna fade away

War, children, its just a shot away
Its just a shot away
Its just a shot away
Its just a shot away
Its just a shot away

I tell you love, sister, its just a kiss away
Its just a kiss away
Its just a kiss away
Its just a kiss away
Its just a kiss away
Kiss away, kiss away.

Gimme Shelter is naar mijn mening een van de beste songs van the Rolling Stones en is terug te vinden op hun beste elpee, Let It Bleed. Nu is er ook een uitstekende versie van het lied op de nieuwe cd van Patti Smith, met Tom Verlaine die de slidegitaarpartij van Mick Taylor voor zijn rekening neemt. Meesterlijke uitvoering, maar even goed als het origineel?

TRANEN VOOR ELSE

arthur schnitzler,autobiografie,tranen,kubrick,bagdad,psychiater,film,else,psychoanalyse,andre breton

Voor de naam van de psychiater in het vorige, autobiografische, fragment heb ik me laten inspireren door een boek van Arthur Schnitzler, Fräulein Else. Schnitzler is een van mijn favoriete auteurs, net als André Breton en Céline arts van opleiding. Schnitzlers Droomnovelle lag aan de basis van Eyes Wide Shut, de vrij vervelende laatste film van Stanley Kubrick. Maar ik vind alle films van Kubrick nogal vervelend. Toen ik gisteravond laat over ‘mijn uren bij Else’ schreef had ik tranen in de ogen. Tranen, stel je voor. Ik voelde me lichtjes belachelijk: een schone ziel in de 21ste eeuw, ten prooi aan zijn sentimenten, aan gedane zaken, terwijl in Bagdad bommen ontploffen en zowat overal haat wordt gezaaid.

19-04-07

MIJN UREN BIJ ELSE


Lange tijd ging ik bij een psychiater te rade. Ik moet echt radeloos geweest zijn. Maar ze was niet alleen een psychiater, ze was eveneens een mooie, aantrekkelijke vrouw. Zeven jaar lang ging ik bij haar. Twee keer per week, bijna een uur onderweg naar haar toe, veertig minuten bij haar in de zetel, bijna een uur terug naar huis. Ze heeft vast veel aantrekkingskracht op me uitgeoefend, want ik weet wel zeker dat ik niet gek of zwaar depressief was of iets dergelijks. Een van mijn grootste problemen was, denk ik nu, dat ik mij te normaal vond worden. Het bijzondere dat ik altijd gedacht had te bezitten leek mij uit de handen te glijden, me te ontglippen, zoals men zegt. Ik ben bij Else op visite geweest van 1997 tot 2004. Dat is een lange tijd. Ik vermoed dat ik met niemand anders, met uitzondering van mijn levensgezellin, zoveel uren samen heb doorgebracht.

Op een avond vroeg Else me waarom ik haar niet wilde kwetsen, iets wat ik tijdens de vorige sessie had gezegd. Ik kon het moeilijk verklaren. Het spreken viel me opeens heel moeilijk, kennelijk ten gevolge van opkomende hoofdpijn en duizeligheid. Een dikke tong leek ik te hebben. Eigenlijk wil ik niemand kwetsen, zei ik. Het is een rationeel uitgangspunt. Zeker vrouwen wil ik dat niet aandoen. Nee, niemand, ik wil niemand kwetsen. Ik probeer agressiviteit te vermijden, ik wil zachtaardig zijn. Daar zitten ook egoïstische motieven achter: ik wil dat de mensen mij liefhebben, mij graag zien. Als ik hen kwets, maak ik dat alleen maar moeilijk voor ze en dat wil ik vermijden.
Maar als je je gevoelens van woede, van boosheid onderdrukt, dan ben je niet vrij, dan ga je daar onder gebukt, zei ze. Je gaat al gauw de rol spelen van het slachtoffer, van de zieke, van de zwakke. Dat mag niet blijven duren, want zo bereik je niets.

Het feit dat ik normaal – een kleine burger - dreigde te worden leek Else helemaal geen probleem te vinden. Ze weigerde een regel van me te lezen. Dat was niet goed voor de therapie, meende ze. Nochtans beweerde ik aan writer’s block te lijden en hoopte ik dat zij me daarvan zou kunnen genezen. In mijn gedachten was zij mijn ideale lezeres, maar zelfs het weinige wat ik nog schreef scheen haar koud te laten. Dat schrijven zal wel terugkomen, zei ze. Dat ik mijn oude dagboeknotities zat te herwerken – bij gebrek aan inspiratie, aan nieuwe ideeën – vond zij wat vreemd. Je investeert je energie in het verleden. Is dat om iets moois na te laten aan de nabestaanden? En nu dan?

Dat boeken hun magische aantrekkingskracht verloren hadden was evenmin een drama. Mijn compulsief boekenkopen zou er door afnemen, dacht ze. De last van zoveel ongelezen boeken zal minder zwaar worden. Maar dat ontkende ik. Die last blijft even zwaar, zei ik, wordt zelfs zwaarder. En ik blijf als een geobsedeerde kopen, boeken en CD’s, stapels, meer dan ooit tevoren. Bovendien beleef ik er nog maar weinig plezier aan, of ik moet eerst champagne of Southern Comfort of zo drinken. Dat kost mij fortuinen, nog veel meer dan deze sessies.

En nu zit ik aan die uren bij Else te denken, die duizenden mooie uren dat ze mij aan het woord liet en me ongetwijfeld zat te bekijken, terwijl ik daar buiten ergens in een boom in de tuin mijn diepste gedachten zocht, of in de patronen op het tapijt een woord terugvond dat ik al jaren begraven had. Wat hield ik van die uren met Else, ook al moest ik door de bijtende kou om haar te bereiken! En als ik van die uren hield, hield ik dan ook niet van Else? Wilde ik niet voor altijd bij haar blijven? Wilde ik niet dat uren dagen werden en dagen weken en weken maanden, tot het aardedonker zou worden en stil, tot alle woorden waren opgebruikt?

18-04-07

DE ROODBORSTJES VAN DAVID LYNCH

nergens,vluchtgedrag,david lynch,thuis,humor,hotelkamers,familie,feestjes,surrealisme,dorothea tanning,max ernst,van morrison,bijbel,drinken,vluchten,wereld,roodborstjes


Zelden, zo goed als nooit heb ik het gevoel dat ik op de plaats ben waar ik moet zijn, waar ik thuishoor. Zelden voel ik me ergens op mijn gemak, vallen mijn lichaam en mijn denken samen – als het geheel dat ze toch zouden moeten vormen. Vanwaar die gespletenheid? Hoor ik daar iets? Nee? Of toch? Ik hoor ergens in mijn achterhoofd Van Morrison zingen: I’m nothing but a stranger in this world. Dat heeft hij van een blueszanger, maar komt het niet uit de bijbel? Is de bijbel niet het meest gemeenschappelijke boek, het meest gelezen, ligt het niet in miljarden hotelkamers? Is het zich niet thuis voelen in de wereld een algemeen menselijk verschijnsel, iets waar ‘bijna iedereen’ onder gebukt gaat? Ik zou het niet weten. Ik weet zo weinig. Ik heb zo weinig te vertellen. Verwacht van mij maar geen grapjes of anekdotes. Ook al ben ik geen treurwilg, ik ben zeker geen plezante Charel. Op familiefeestjes, recepties en dergelijke maak ik me zo snel mogelijk uit de voeten, ofwel drink ik me lazarus. Vlug weggevlucht, alsof ik niet gezien mag worden, alsof ik een misdadiger ben, “an angel with a dirty face”, ja ja we kennen het allemaal wel, als een bezetene snel ik naar de uitgang, de nooduitgang, de blauwe deur door, de donkere trap af, en dan sta ik op straat, omgeven door nacht.

Behoor ik dan tot de nacht? Nee, dat denk ik ook niet. Niet tot de nacht en niet tot de dag, net zoals Kyle McLachlan en vooral Laura Dern in Blue Velvet. Herinner je je de roodborstjes?
“I had a dream. In fact, it was on the night I met you. In the dream, there was our world, and the world was dark because there weren't any robins and the robins represented love. And for the longest time, there was this darkness. And all of a sudden, thousands of robins were set free and they flew down and brought this blinding light of love. And it seemed that love would make any difference, and it did. So, I guess it means that there is trouble until the robins come.”
Het is duidelijk dat David Lynch weet waar ik het over heb. Sommige romantische dichters en surrealistische kunstenaars wisten het evenzeer. Kijk naar de werken van Dorothea Tanning en Max Ernst. Wellicht zijn zij niet op de vlucht gegaan maar hebben ze ‘het normale’ geweigerd, en hebben ze hun eigen wereld gecreëerd. Elk werk schijnt dan een instrument te zijn dat het leven in hun eigen wereld mogelijk maakt. Elk instrument een schitterende vondst. Ik houd van die namen, David Lynch, Max Ernst, Dorothea Tanning. Met zulke namen bouw ik mijn wereld op, maar niet alleen met hun namen: hun werk zet mij op het spoor van iets wat ik nog niet ken. Ze maken een ontdekkingsreiziger van me; zie je mij hier tekeer gaan met mijn zaklamp en kompas, terwijl Nancy Sinatra enigszins vals Nights In White Satin zingt (maar zoveel mooier dan de valse kitsch van Moody Blues)? Yes I love you, oh, how I love you. Laat de roodborstjes komen!

IN DE STAART GEBETEN


friedrich nietzsche II

Nog een illustratie bij de voorgaande fragmenten. Het kan niet op. Nietzsche hield ooit maar van een vrouw, Lou Andreas-Salomé. Zij schreef dit boek over hem. Nee, ik zou liegen. Hield hij ook niet van Cosima Wagner, de echtgenote van zijn beste vriend en grootste vijand, Richard Wagner? Wie was eigenlijk zijn Ariadne? Lou of Cosima? Zullen we het ooit weten en heeft het belang? Ik vond de geschiedenis interessant omdat Andreas-Salomé een soort van begin- en eindpunt op een cirkel was, een slangachtig wezen, in wier staart heel wat geniale mannen graag hun tanden zetten. Of had zij voor elke gelegenheid een andere staart?

EEUWIGE TERUGKEER


éternel retour

Ik wil toch nog even terugkomen op de Oeroboros en de vicieuze cirkel. In de Wikipedia las ik dat vicieuze cirkel niet noodzakelijk een negatieve betekenis heeft. De term is afgeleid, zo staat er, van het Latijnse circulus viciosus, waarbij viciosus ‘wederkerig’ betekent. Het ene leidt tot het andere waarbij het andere weer tot het ene leidt. De verwarring ontstaat doordat ‘vicieus’ ook een afleiding kan zijn van het Latijnse vitiosus, ‘schadelijk’. Als gevolg van deze verwarring wordt de term tegenwoordig meestal wel als negatief opgevat. Aldus de Wikipedia. De Vicious Circle van Lou Reed is duidelijk een negatieve constructie, de eeuwige terugkeer van Nietzsche niet.

In ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’ schrijf Borges over de Uroboros (zijn spelling) onder meer het volgende:

“Heraclitus had gezegd dat bij een cirkelomtrek het begin en het einde hetzelfde punt zijn. Op een Griekse amulet uit de derde eeuw die in het British Museum wordt bewaard, staat een afbeelding waardoor die oneindigheid beter voor ons wordt geïllustreerd: de slang die in zijn eigen staart bijt, of zoals Martinez Estrada het fraai zegt ‘die bij het eind van zijn staart begint’. Uroboros (hij die zijn staart verslindt) is de technische naam van dit monster die later door de alchimisten werd verspreid.”

De illustratie hierboven is een kopie van pagina’s 54 en 55 uit mijn exemplaar van Pierre Klossowki’s ‘Nietzsche et le cercle vicieux’. Ik lees daar nu het volgende:
Or, à partir de l’expérience de l’Eternel Retour, qui s’énonce en tant qu’une rupture de l’irréversible une fois pour toutes, se développe aussi une version nouvelle de la fatalité: celle du Cercle vicieux qui, précisément, supprime le but et le sens, le commencement et la fin se trouvant toujours confondus l’un dans l’autre.” Ook hier bijt de slang weer in zijn eigen staart.
De Britse filosoof Roger Scruton, die wat op Brian Jones lijkt, hoorde ik op televisie ooit beweren dat de zeventig jaar die je krijgt – in de veronderstelling dat je zeventig wordt – volledig de jouwe zijn. Ze zijn voor alle eeuwigheid van jou. In zekere zin is die gedachte zeer verwant aan de eeuwige terugkeer van Nietzsche, en zo zijn we terug bij de circulus viciosus en bij het begin dat tevens het einde is. Voorlopig toch.

16-04-07

LOU REEDS VICIOUS CIRCLE EN DE OEROBOROS

alchimie,herhaling,letteren,filosofie,lou reed,nietzsche,pierre klossowski,oeroboros,rilke,balthus,zarathoestra,borges,muziek,boeken,troost,radio

Ik draai in kringetjes. Op 3 februari dit jaar schreef ik ook al over de troost van de muziek en maakte ik zelfs een radioprogramma over de troost. Lijd ik aan geheugenverlies?

Ik ben als de Oeroboros van Borges en van de alchimisten, de slang die zichzelf in de staart bijt. Alleen heb ik niet echt een staart; ik heb niet meer dan een beentje. Maar ooit heb ik zeker een staart gehad en Nietzsche beweert dat alles terugkomt. Dat staat in Aldus sprak Zarathoestra, en het concept wordt bestudeerd in Nietzsche et le cercle vicieux van Pierre Klossowski. Klossowski is dan weer de broer van de onvolprezen schilder Balthus en er wordt tevens beweerd dat hij verwant zou zijn met Rainer Maria Rilke. Deze dichter had een relatie met Lou Andréas-Salomé, de enige vrouw die Nietzsche ooit heeft liefgehad. Of toch bijna. En zo is de cirkel weer gesloten.

En dan heb je de - als het over staarten gaat - altijd op de proppen komende Lou Reed, die zingt:

“You’re caught in a vicious circle
Surrounded by your so called friends
You’re caught in a vicious circle
And it looks like it will never end.”

15-04-07

 PATTI SMITH, DE FOTOGRAFEN EN DE ANDEREN

fotografie,muziek,patti smith,twelve,schoonheid,troost,karen dalton,folk,elsene,museum,eerbetoon,bob dylan,fred neil

Op de foto hierboven – ik kan niet ontcijferen wie de fotograaf is – staan drie van mijn (anti)helden voor altijd verenigd: Bob Dylan, Karen Dalton en Fred Neil. Het zijn zangers, muzikanten, songschrijvers van wie ik de muziek bijna dagelijks beluister. Karen Daltons Something On Your Mind en Right Wrong Or Ready, Fred Neils The Other Side Of This Life, Everybody’s Talking en That’s the Bag I’m In – en tientallen songs van Dylan hebben al zo vaak troost geboden, zelfs als ik niet aan droefheid ten prooi was; zo enorm vaak hebben ze troost geboden dat ik deze kunstenaars voor altijd dankbaar ben. Ze helpen je uit jezelf te treden, jezelf te vergeten, ze openen andere kamers voor je, blauwe, groene, witte, ze tonen je vreemde en uitnodigende landschappen. Soms ook maken ze duidelijk dat de wereld een hel is en dat de mensen slecht zijn, maar zelfs zulke mededelingen bieden troost. 


Ik beluister nu twelve, Patti Smiths eerbetoon aan haar (anti)helden. Na drie beluisteringen kan ik al zeggen dat dit een van haar beste elpees is. De manier waarop zij de schoonheid en de troost tevoorschijn haalt uit ‘versleten’ songs als Gimme Shelter, The Boy In The Bubble en Smells Like Teen Spirit – een geraffineerde versie waarin een belangrijke rol is weggelegd voor de banjo - bewijst haar uitzonderlijk kunstenaarsschap en haar eigen gevoel voor diepe schoonheid. Deze cd wijst zeker niet op opportunisme of writer’s block: Patti Smith laat de fan in zichzelf aan het woord. Dat heeft ze eigenlijk van in het begin gedaan, met onder meer Gloria en Land – maar nu zet ze nog een stap verder. Het is hartverwarmend hoe ze in vier liederen terugkeert naar de ‘summer of love’, hoe ze die magische tijd en sfeer opnieuw weet op te roepen met haar covers van Within You Without You, Are Your Experienced?, White Rabbit en Soul Kitchen. Ja, twelve, bevat twaalf parels.

Ik zag gisteren in het Museum van Elsene een aantal foto’s die mij aan het denken zetten. Het moeten al uitzonderlijke fotografen zijn, om daarin te slagen. Ik denk niet graag en vooral denk ik niet graag na. Ik blijf liever aan de oppervlakte van de dingen en de ‘anderen’ moeten ook niet te dichtbij me komen want dan sla ik op de vlucht of sluit me op in mezelf, tenzij ik gedronken heb en voor een stonde één word met de wereld.
De foto’s die nu in het Museum van Elsene te zien zijn, zijn allemaal portretten van ‘anderen’. Ze worden ‘geïllustreerd’ – en ik gebruik deze term bewust – met uitspraken van schrijvers en filosofen als Cioran en Sojcher. “De tentoongestelde werken – gevoelig, intens, verontrustend – nodigen ons uit om de andere en onszelf opnieuw te ontdekken.” Zo staat het in de folder en zo is het ook. (Meestal vertellen folders onzin.) Het meest werd ik getroffen door de portretten van adolescenten door Hellen Van Meene. Rineke Dijkstra maakt ook zulke haarscherpe, wonderlijk belichte foto’s. Zijn deze fotografen beïnvloed door de Nederlandse schilderkunst met hun uniek gebruik van het licht (Vermeer, Rembrandt en vele anderen)? Natuurlijk houd ik evenzeer van het werk van Nan Goldin en nog meer van dat van Shirin Neshat, maar dat verrast me minder omdat ik het zo goed ken. Op de tentoonstelling lag een klein aantekenboek van Anne De Gelas, waarin ik - aangenaam verrast – mezelf herkende, waarin ik mijn dromen, mijn obsessies, mijn nachtmerries terugvond. Het is een vreemde wereld waarin wij leven en waarin wij voor altijd vreemden voor elkaar blijven en elkaar soms toch opeens herkennen.

Wow, hoe aangrijpend zingt Patti Smith nu Smells Like Teen Spirit. Ik moet even dansen. Ik kan onmogelijk stil blijven zitten. Voilà, zo is het beter. Als dit deze zomer niet uit alle radio’s zal weerklinken, dan eet ik mijn panamahoed op. En nu volgt alweer Midnight Rider, oorspronkelijk van the Allman Brothers. … And the road goes on forever. And I got one more silver dollar. But I’m not gonna let him catch me, no…

13-04-07

REISBESTEMMINGEN


Later op de avond, kort voor zonsondergang, aan tafel, terwijl ik in een stukje staartvis hapte, vroeg ik Laura: wat is onze volgende reisbestemming? Allerlei plaatsen die we al bezocht hebben of die we nog graag wilden bezoeken passeerden de revue. Seattle, San Antonio, Flagstaff, Chicago, Nashville, New York, Macao, Singapore, Hong Kong, Tokyo, Kyoto, Berlijn, Hamburg, Dresden, Sofia, Riga, Sint-Petersburg, Kransnovodsk, Bangkok, Warschau, Krakau, Calcutta, Bombay, Damascus, Beiroet, Aleppo, Napels, Todi, Spoleto, Lucca, Ferrara, Parma, Siracuse, Istanbul, Izmir, Mandalay, Rangoon, Yokohama, Shanghai, Surabaja, Manilla, Buenos Aires, Sao Paolo, Rio De Janeiro, Lima, Montevideo, Caracas, Valparaiso, Guadalajara, Budapest, Eger, Nice, Parijs, Aix-en-Provence, Bordeaux, Tarbes, Salamanca, Cadiz, Sanlucar de Barameda, Sevilla, Porto, Lissabon, Stockholm, Oslo, Constanta, Tirana, Arad, Sarajevo, Caïro, Fez, Essaouira, Kaapstad, Johannesburg, Jeruzalem. En toen zwegen we en sloegen duidend andere reisbestemmingen over.

Is het niet paradoxaal dat je droomt van reizen als het in je eigen stad zo stemmig en lustopwekkend is door het mooie weer en de vele mooie mensen die zo opeens de straten vullen? Is het niet vreemd? Zijn wij geen bizarre wezens? Zijn wij wel normaal? Dat is de vraag.

BLONDE ON BLONDE : DE BELGISCHE KUST IN 1983


belgian beach blondes in 1983

De schrijver en zijn muze en het lieve dochtertje van hun goede vrienden gefotografeerd aan de Belgische kust in 1983.

DE BELGISCHE KUST IN 1967



photographing luc

De fotograaf gefotografeerd aan de Belgische kust in 1967 tijdens de Summer Of Love.