27-02-07

EENZAAM OF ALLEEN


damaged

Soms kom ik terug op thema’s die me bezig houden. Waarom zou ik ook niet? Het is geen herhalingsdwang. Als puntje bij paaltje komt zijn er niet zo gek veel onderwerpen om over te praten. Eenzaamheid is er wel een. Eenzame mensen hebben altijd nogal veel indruk op mij gemaakt. Er is ongetwijfeld een – wellicht subtiel – verschil tussen eenzaamheid en alleen zijn. Eenzaamheid lijkt mij iets positiefs; je kiest er zelf voor. Alleen zijn impliceert verdriet en lijden, je kunt je niet herkennen in iemand anders, je maakt geen deel uit van een gemeenschap, je bent ‘alleen op de wereld’.

Ik kan niet tegen alleen zijn. Ik ben in vroeger dagen nooit alleen geweest. In 1969 ben ik als filmstudent in Brussel komen wonen. Al na een paar weken logeerde Reinhard bij me. Die jongeman wilde dringend van huis weg, want hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een ex-nazi, die nog steeds zijn zwarte laarzen droeg en Reinhard 's morgens bevelen toesnauwde. Geen ex-nazi maar een volbloed 1969-nazi… Voor hem was ’69 geen ‘année érotique’ maar een (imaginaire) tijd van definitieve Endlösung.
In mijn gezelschap leek Reinhard gelukkig, zeker als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met Sarah, die mijn eerste vrouw zou worden, moeder van mijn zoon, mijn enig kind. Voor Reinhard was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet leuk hem erbij te hebben als we vrijden. Reinhard heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandenloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Een dagboeknotitie, kun je je dat voorstellen? Je moet nu al een container vol shit laten aankomen in de haven van Antwerpen om nog gerechtelijk vervolgd te worden. Nog later is Reinhard in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest. Zijn zus Reinhilde is op het einde van de jaren '70 verongelukt op de weg. Een broer van hem is tijdens zijn legerdienst in een keuken ontploft. Wat er met Reinhard uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet, ik vermoed dat hij nog wat leeft.

Met Sarah heb ik het vijf jaar volgehouden, tot mijn studie filosofie was voltooid. In mijn thesis behandelde ik het einde van het burgerlijke gezin. (Ik ben een licentiaat in de geschiedenis van de filosofie. Wat betekent dat nu nog? Ik ben niet eens een master…)
Op eigen initiatief, zonder de aantrekkingskracht van iemand anders, zou ik nooit van mijn eerste echtgenote weg zijn gegaan, denk ik, hoe hard het er tussen ons soms ook aan toe ging. Sarah was een lieve, intelligente en sterke vrouw, maar onze karakters pasten niet bij elkaar. Wij waren nog veel te jong toen we trouwden, onze ouders hadden ons daar voor gewaarschuwd, maar natuurlijk hadden wij niet willen luisteren naar hun raad, integendeel, het was veeleer een stimulans geweest voor ons. Wij spiegelden ons aan John en Yoko. Gelukkig ben ik verliefd geworden op Laura, wat het vertrek minder zwaar heeft gemaakt.

Nee, ik ben nooit echt alleen geweest. De jongste jaren begin ik er wel last van te krijgen, maar daar wil ik nu niet dieper op ingaan. Ben je niet altijd eenzaam uit vrije keuze? Is het geen (gemoeds)toestand die je moet koesteren, iets wat je zolang het duurt enige vrijheid schenkt?

Foto: Martin Pulaski, Holsbeek.

25-02-07

CARNAVAL IN HASSELT


carnival 1968

Een straatfotograaf maakte deze foto in café Skalden in Hasselt in 1968 tijdens het grote carnavalfeest dat jaar. Mijn vrienden en ik wilden carnaval op een andere manier vieren dan de 'anderen'. We verkleedden ons zonder ons te verkleden. Wat we deden was onszelf, de manier waarop we ons aan de wereld presenteerden, nog wat meer accentueren. Een bepaalde overdrijving is mij nog steeds niet vreemd, zoveel jaar later. Skalden was de beatnikkroeg van Hasselt. Alle plaatselijke kunstenaars kwamen er over de vloer. Ik plaats deze foto hier omdat ik een paar dagen geleden de opmerking kreeg dat ik nogal leek op Rick Wright van Pink Floyd. Ik weet niet of dat waar is, maar alleszins was ik in de periode dat deze foto werd gemaakt een groot bewonderaar van de toetsenspeler van Pink Floyd. Vandaar ook de hoed (die ik van mijn vader had 'geleend').

24-02-07

DE TWEE IRENES


Ik zou gaan lunchen met mijn vriendin Irene. Maar dan bleek dat ik ook nog met een andere vrouw had afgesproken, die eveneens luisterde naar de naam Irene. Ik werkte in een ministerie waar tevens les werd gegeven. Het was een oud gebouwencomplex, met een patio in het midden.

Omstreeks tien uur ‘s morgens kreeg ik het bericht dat een inspecteur met me zou komen praten over een nieuwe methode die in het werk zou worden toegepast. De methode was op wiskunde gebaseerd. Die mededeling irriteerde me mateloos. Ten eerste omdat de man tijdens de lunchpauze zou komen, ten tweede omdat ik een afkeer had van wiskunde en ook niets aan mijn werkmethode wilde veranderen. Om twaalf uur stipt klopte de inspecteur op de deur van mijn bureau. Op een pleintje wat verderop zag ik Irene ongeduldig staan wachten op me. Toen ik merkte dat ze mij door het raam zag kijken deed ik haar teken dat het nog een vijftal minuten zou duren.

Maar geheel onverwachts stonden mijn broer en mijn moeder nu in mijn kamer. En waar was de tweede Irene? Wat moest ik doen? De inspecteur liet ik duidelijk verstaan dat een wiskundige werkmethodehervorming mij niet aanstond. Ik zou er weliswaar over nadenken en later weer contact met hem opnemen. De man, die een zekere autoriteit uitstraalde, was duidelijk beledigd. Ik zou nog problemen krijgen, dat was duidelijk te voelen aan de handdruk bij het afscheid. Mijn moeder en mijn broer toonde ik waar ze het brood en het beleg konden vinden. Ze mochten eten wat ze wilden, zei ik.

Een volgend probleem was de verdwijning van mijn schoenen. Ik vroeg me af of ik op mijn sokken met de twee Irenes kon gaan lunchen. Misschien kon ik onderweg gauw een paar nieuwe schoenen kopen. Maar dan moest ik nog kunnen verklaren waarom ik met die twee Irenes tegelijk had afgesproken.

23-02-07

IK SLOEG EEN VETTE KEREL


Vorige nacht sloeg ik een vette kerel, een misdadiger die al was gevangen genomen, recht in het gezicht. Hij had de vreselijkste misdaden gepleegd, maar spijt scheen hij niet te hebben. Hij zat recht voor me in bloot bovenlijf en lachte luidkeels, trots op zijn daden. Daarom klopte ik hem ook nog met mijn haarborstel op het hoofd. Het enige wat ik zo bereikte was dat hij mij nu volop uitlachte. Ik sloeg harder en harder, ook op zijn wit, papperig bovenlijf, maar ik had net zo goed op een zak bloem kunnen slaan. Dit alles vond ik hoogst onbevredigend.

22-02-07

DE HUMANISTISCHE TUIN BLIJFT ONVOLTOOID


Bij het doorbladeren van Tzvetan Todorovs ‘De onvoltooide tuin’ heb ik nog twee voortreffelijke ‘tuinteksten’ aangetroffen:

“Aan het humanistische streven kan nooit een einde komen. Het wijst het ideaal af van een paradijs op aarde waarbij de definitieve orde tot stand zou worden gebracht. Het beschouwt de mensen in hun reële onvolmaaktheid en denkt niet dat die stand van zaken kan veranderen; het aanvaardt, met Montaigne, de gedachte dat hun tuin voor altijd onvoltooid zal blijven.”

“God is ons niets verschuldigd; noch de Voorzienigheid, noch de natuur. Het menselijk geluk is altijd voorlopig. Toch kunnen we boven elk ander koninkrijk de voorkeur geven aan de onvoltooide tuin van de mens, niet als een noodoplossing maar omdat die tuin ons in staat stelt waarlijk te leven.”

Tzvetan Todorov, De onvoltooide tuin – Het humanistische denken in Frankrijk.

21-02-07

TUIN IN DE WINTER


first snow #1

'Onze' tuin in november 2005. De cipres waarover ik het in het vorige stukje had was zoals je kunt zien een soort siamese tweeling. Nu is daar een leegte. De sneeuw onttrekt de lelijkheid ook nog wat aan het oog.

Ach, misschien was het zelfs geen cipres, ik ken niets van bomen, ik ben een stadsmens, zoals ze dat zeggen.

Foto: Martin Pulaski.

DE VERDWIJNING VAN DE CIPRES UIT ONZE TUIN


Laura was nog maar net thuis van het werk gisteravond toen ze me riep om even te komen kijken door het raam van onze slaapkamer. Van daaruit heb je het beste zicht op ‘onze’ tuin. Het was een stralende februariavond, de wolken in het Westen kleurden al wat rood. Had je dat al gezien, vroeg ze. Onze boom is weg. Welke boom, vroeg ik. De grote cipres, zei ze. En inderdaad, de hoge cipres, die zo vaak voor afleiding heeft gezorgd in ons leven, was verdwenen. Ik was de hele dag thuis geweest en ik had helemaal niet gemerkt dat iemand de boom was komen omzagen en uit de tuin verwijderen. Het is een vreemd zicht, de tuin zo leeg en in de nabije verte de vuile achterkant van merendeels lelijke huizen en de vele hokken die erachter ‘gebouwd’ zijn. Honden, duiven, ganzen, hanen, geiten, stuk voor stuk dieren die er grauw en ziekelijk uitzien. Die ene cipres onttrok die lelijkheid aan ons zicht, aan onze schone zielen. Vaak zaten er vreemde vogels in onze boom, soms zelfs de limoengroene parkieten van een buurvrouw. Waar moeten die parkieten nu naartoe als ze eens een luchtje willen scheppen? En hoe moeten wij ons onttrekken aan de nieuwsgierige blikken van de onbekenden in de vuile huizen aan de overkant? Elke mens maakt – na de verbanning uit het paradijs - bewust of onbewust een moordkuil van zijn hart, las ik afgelopen nacht nog, zowel in een roman van Georges Simenon als in een surrealistisch manifest van André Breton.

Ik moet hier in het licht van voorgaande discussies en commentaren verduidelijken dat de tuin niet echt van ons is. Ik kan er niet zelf in werken. Een keer per jaar wordt hij door studenten van de tuinschool aan een mij volstrekt onduidelijke orde onderworpen. De grote tuin hoort bij de gelijkvloerse verdieping, waar een nogal mysterieus bedrijfje is gevestigd, dat geld leent aan een bepaalde categorie van mensen die een huis bouwen maar daar het geld niet voor schijnen te hebben. In ons huurcontract staat dat wij van de tuin gebruik mogen maken, maar dat doen we nooit. We moeten daarvoor immers een hele afstand afleggen en tenslotte via de kelder de tuin betreden. Je kunt net zo goed naar het Astridpark gaan, dat is hier maar honderd meter vandaan. Het is wel een mooie tuin om naar te kijken, vooral als hij er wild bijligt. Dan denk ik vaak aan Virginia Woolfs To The Lighthouse, waar een tuin in voorkomt die er vooral in het hoofdstuk ‘Time Passes’ nog veel wilder bijligt. Liggen? Neen, je ziet en hoort hem groeien in de betoverende en vaak ook ontluisterende woorden en zinnen van Virginia Woolf. De tuin van Voltaire zijn we inmiddels grondig vergeten.

PINK FLOYD, BRUSSEL 1968

1968,pink floyd,brussel,atomium,rick wright,syd barrett,psychedelica,pop,popcultuur

Februari 1968. Syd Barrett heeft net de groep verlaten. David Gilmour (op de achtergrond) heeft zijn plaats ingenomen. Pink Floyd treedt op 23 februari 1968 op in het Pannenhuis in Antwerpen en op 24 februari 1968 in de Cheetah Club in Brussel.

20-02-07

HET LEVEN VAN JEZUS

bruno dumont,het leven van jezus,snaporaz,tuin,vrienden,noord-frankrijk,realisme,film,seks

La vie de Jésus, het debuut van Bruno Dumont, is een uitstekende realistische film, met verbluffende beelden, die je onwillekeurig doen denken aan Italiaanse renaissanceschilderijen. Nochtans, vreemd genoeg, ziet het er allemaal heel gewoon uit. Het magere verhaal is gesitueerd in Bailleul, in het Noorden van Frankrijk. Het gaat over een groep jongeren die de hele dag lusteloos rondhangen. Ze zijn geen klein beetje racistisch. Het hoofdpersonage, Freddy, een jongen die aan epilepsie lijdt, heeft een vriendinnetje, Marie, waar hij heel vaak mee neukt. Heel dierlijk, erin en eruit, alsof het zo hoort en niet anders. Een Noord-Afrikaanse jongen, die met datzelfde meisje flirt, wordt door Freddy omgebracht. Dit was een passieve zin, wat alle stijlregels tart. Freddy's moeder baat een café uit, waar nooit iemand schijnt te komen. Ze kijkt vooral televisie. Ook als moeder en zoon met elkaar praten is hun blik op de televisie gericht. Als het warm is neemt de moeder meermaals per dag een bad. Het is een dikke vrouw. De film is bijzonder traag. Er komt geen moraal aan te pas. Het is een heel gewone ongewone film. Ik beveel hem sterk aan, net als L’humanité, van dezelfde Bruno Dumont. Niet dat ik alles weet. Snaporaz heeft mij enkele jaren geleden al op het spoor gezet van deze unieke Franse regisseur. Waarvoor dank, beste Snaporaz.


Ik wilde nog iets over tuinen meedelen, en meer in het bijzonder over ‘onze’ tuin, maar dat zal voor morgen zijn, hoewel ik ongeduldig ben en zin heb om er nu al over te beginnen. Is een eenzame vent die niet kan zwijgen op het gepaste moment niet een beetje bespottelijk? Welnu dan.

19-02-07

HET SPOOR GEVONDEN


Ik droomde van een reis en vooral van de terugkeer. Op de terugreis naar de hoofdstad moesten we onverwacht ergens overstappen. In the middle of nowhere zoals sommige mensen zeggen. Er viel nauwelijks een station te bespeuren. Wel was het landschap rondom van een intense schoonheid. Duizenden klaprozen in de zonovergoten velden naast de sporen. Blauwe korenbloemen in de wilde velden. Jonge sparren erachter. Geen wolk in de lucht. Ik wist dat we op spoor twee moesten zijn. Nergens was een richting aangegeven. Geen pijl, geen nummer, geen naam. Na lang zoeken, via overwoekerde paden en ondergrondse doorgangen, had ik het juiste spoor gevonden. Ik voelde iets van een triomf. Veel later kwamen de medereizigers aan. Eerst deden zij net of ze me niet zagen. Ze wilden niet toegeven dat ik lang voor hen het juiste spoor had gevonden. Na een tijdje zei een van hen: o, ben jij hier ook al? In een droom.

18-02-07

EDIE SEDGWICK : FACTORY GIRL

 

manhattan,drugs,pop art,andy warhol,edie sedgwick,bob dylan,just like a woman,popcultuur,amfetamine,jean stein,pop

Edie Sedgwick zat nooit stil. Een mooie, unieke jonge vrouw, die nooit zal worden vergeten. Net zomin als haar uitzinnig en tragisch leven. Lees het boek “Edie. An American Biography” van Jean Stein. Bob Dylan schreef wellicht I Want You en zeker Just Like A Woman voor haar:

"Nobody has to guess
That Baby can't be blessed
Till she sees finally that she's like all the rest
With her fog, her amphetamine and her pearls."

manhattan,drugs,pop art,andy warhol,edie sedgwick,bob dylan,just like a woman,popcultuur,amfetamine,jean stein,pop

17-02-07

MIJN ONVERDRAAGZAAMHEID

amour fou,opstand,kant,andre breton,verward,verontwaardiging,verdraagzaamheid,spektakel,onverdraagzaamheid,apocalyps,themroc,huizinga,potemkin

Een tijdje geleden viel ik de komediantenmaatschappij aan, waar wij met zijn allen deel van uitmaken. Individuen als Johan Huizinga (van Homo Ludens) en André Breton (van L’amour fou) zijn niet meer mogelijk, denk ik. Authentieke mensen, die volledig autonoom denken en handelen. Iedereen gedraagt zich min of meer volgens dezelfde regels en stilzwijgende afspraken. Alleen misdadigers wijken daar nog van af - of bevestigen ze net door ze te ontkennen, door ze te overtreden. Iedereen handelt alsof hij/zij de wereld aangenaam vindt en niet ziet wat voor een schandaal het bestaan in werkelijkheid is. Alsof het doodgewoon is dat de armen razendsnel armer worden, de ellendigen ellendiger, en dat de minderheid die bezit zich zeer ellendig voelt (zonder het te uiten, tenzij tegen de psychiater). Alsof het vanzelfsprekend is dat niets nog iets betekent. 


Ging ik te ver met mijn tirade? Ik weet het niet. Ik was in de war. Vandaag ben ik nog meer in de war. Ik heb zo van die dagen. Niets schijnt dan nog steek te houden. Supermarkten, televisietoestellen, hondenhokken, sterrenstelsels. Wat maakt onze samenleving kapot? Moeilijk te zeggen. In de eerste plaats onze verdraagzaamheid, denk ik. Ik heb het nu niet over het omgaan met mensen uit andere landen, over onze houding tegenover onze broeders en zusters, onze gelijken. Ik heb het over de verdraagzaamheid ten aanzien van alles wat ik hierboven al heb genoemd. Wij zwijgen en doen wat van ons wordt verwacht. Uit ons midden staat geen Themroc op, of, zoals in de Pantserkruiser Potemkin, een matroos die weigert nog langer rot vlees te eten.
Is het de teleologie die onze wereld vernietigt? Het kantiaanse doelgerichte denken? Where will it end? De managersmaatschappij? Ik manage jou als jij mij managet. Come on baby, scratch my back!

We lijden aan het onvermogen om werkelijk kritisch te leven, onszelf telkens opnieuw uit te vinden, we zijn slaven van onze gewoonten, van onze dagelijkse routines. Wij zij arrogant in onze zelfgenoegzaamheid. Wij zijn niet brutaal als we brutaal zouden moeten zijn en verbannen de waanzin van de liefde uit ons bestaan. Lef is een lelijk woord, maar ik vind geen ander. Of toch wel… Opstandigheid, rebellie, gelukzalige ontevredenheid, verontwaardiging, woede, razernij, tederheid, ziedend verlangen, niets ontziende liefde, alles ontziend egoïsme, openheid… Zijn die begrippen geen sporen die in de juiste richting wijzen? Die ons opnieuw wortel kunnen laten schieten in een vruchtbare afgrond? Ja, afgrond, want ik huiver van de grond, die met bloed doordrenkt is. Ik ben in de war vandaag. Hoe kunnen wij de wereld zuiveren van al dat bloed? Hoe kunnen wij de eeuwige vrede vinden? Hoe kunnen wij de laatste oorlog luidkeels een halt toeroepen? Hoe? Ik ben in de war vandaag en zeer onverdraagzaam. Hoe kan ik anders zijn?

16-02-07

JOY DIVISION : DANCE DANCE DANCE TO THE RADIO

joy division,dans,revolutie,punk,trance,autobiografie,jeugd,antwerpen,cinderella s ballroom,1977,brussel,verhuis,nachtleven,roes,roest,dood,nicole van goethem,mok,de kat,cafes,drinken

Ik luister na lange tijd nog eens naar Joy Division. Love will tear us apart again… Transmission… Dance, dance, dance to the radio… Opeens is er weer die onbestemde angst voor het oud worden, de zintuigen die één voor één ‘uitvallen’, als onderdelen van een machine, of als programma’s op een computer. Ik denk aan L’homme machine van La Mettrie. Voor mij begint de aftakeling met doof worden. Ik ga inderdaad slechter en slechter horen. En nu het warme truiendag is kan ik eveneens toegeven dat ik veel last heb van de kou. Mijn verwarmingsmotor doet het niet meer zoals het hoort. Er zit roest op mijn lichaamsmachine. Dance, dance, dance to the radio. Hoor die energie, die bezetenheid! 


Dance, dance, dance, Ian Curtis’ bezeten stem roept herinneringen op aan iets, een ‘je ne sais quoi’. Iets, niets, iets. Of alles? Ja, hier gaan we dan. Het ritme van Joy Division wordt geleidelijk mijn ritme, I ‘ve lost control again and how I’ll never know just why or understand. Toe-eigening, eenwording. Mijn ritme roept herinneringen op aan mijn tweede jeugd, in Antwerpen, van 1977 tot 1984, ongeveer.

Hoe je danste tot de gouden ochtend. Hoe je leven op danspassen en sprongetjes over slecht verlichte trottoirs doelloos zijn gang ging. Of zoals the Beatles al zongen: oh that magic feeling nowhere to go. Geen doelstellingen, geen maten en gewichten. My only ambition in life is to get high and dance, dance, dance to the radio. De andere, alledaagse wereld, was het vijandige element. De familie, de school, huis-tuin-en-keuken. Métro-boulot-dodo. Niet je vader of je moeder of een schoolmeester, maar Leopold Flam, een joodse atheïstische filosoof had je opgevoed. Je had jezelf heruitgevonden in de periode 1975-1977, toen je je thesis over het einde van het gezin beëindigde en de huiselijk haard ontvluchtte, toen je je geestelijk distantieerde van je Brusselse vrienden en je armen uitstak naar je geboortestad Antwerpen. Tijdens die vierentwintig maanden van transformatie – om niet te zeggen transsubstantiatie - beleefde je het theater van de liefde en de waanzin. Je verslond pagina’s Artaud en Rimbaud. Je was in de ban van de Franse Revolutie. Je schreef een toneelstuk waarin Marat en Saint-Just rechtvaardige helden waren. Empedocles sprong in de Etna vanwege ontgoocheling in laffe en domme soortgenoten. Geleidelijk aan, of nee, eerder bruusk, werd je filosofie er een van het feest. Zoals in het boek van Remco Campert, alle dagen feest. Je was tegelijk ernstig en ontleedde la société du spectacle en bekeek in het filmmuseum acht uren durende films van Jacques Rivette.

In ’77 verhuisde je naar Antwerpen. Je zei tegen Lenny dat niet de jaren 'zestig maar de seventies je levensbepalende decennium waren. Hoe je danste in Cinderella’s Ballroom. Television, Patti Smith, the Ramones, David Bowie, Roxy Music, the Clash, the Slits, Joy Division, reggae, Talking Heads, X-Ray Spex, Ian Dury, Fad Gadget, Suicide en Holly & the Italians. Joy Division. Olifantenpijpen eerst, daarna rode broeken, Converse All Stars, meisjes in micro-rokjes en zonder ondergoed, T-shirts waarop de aan heroïne verslaafde Keith Richard stond afgebeeld. En the Dead Kennedys met Too Drunk To Fuck. Dat T-shirt droeg je als een trofee. Extase en illuminatie. De teksten van Philippe Sollers waarover je ruzie maakte met Leo, die zei dat het onleesbare troep was. Had hij geen gelijk? Nachtenlange dronken en speedconversaties met Jos. Over Schopenhauer, over Céline, over Gram Parsons, Neil Young en the Beach Boys (die totaal onhip waren in die dagen). Van het Pannenhuis naar Cinderella’s en daarna dansen op de tafels van de Gnoe. In de zomer werd op straat gedanst, voor café de Mok in de Wolstraat, Martha en the Vandellas indachtig. Ria Pacquée, Guillaume Bijl, Renée Strubbe, Nicole Van Goethem en al de andere nachtvrienden. Waar zijn ze gebleven? Waar ben ik gebleven? Gotta find my destiny, before it gets too late.
Een grotere intensiteit dan die in de stem van Ian Curtis ken ik niet. Joy Division zal nooit vergeten worden, dat weet ik nu wel zeker.

Iets helemaal anders of misschien ook niet: de Italiaanse filosoof Lucilio Vanini (1585-1619) ontkende de onsterfelijkheid van de ziel en werd leven verbrand op de markt van Toulouse.

“Instants that can still betray us
A journey that leads to the sun
Soulless and bent on destruction
Struggle between right and wrong
You take my place in the show-down
I'll observe with a pitiful eye
And humble ask for forgiveness
A request well beyond you and I
Heart and soul, one will burn.”

Joy Division, Heart and Soul.

Closer: hoesontwerp van Peter Saville. Ian Curtis stief op 18 mei 1980. Joy Division-producer Martin Hannett stierf op 18 april 1991.

DANCING QUEEN


dancing queen

Herinnering aan Antwerpen = Nightlife. Een oudejaarsnacht. Het gescheurde beeld. Ik heb deze foto niet zelf gemaakt, maar kan me niet meer herinneren wie wel. Ik zal het moeten navragen. Het is een verrukkelijke momentopname.

14-02-07

NA DE VAL / AFTER THE FALL

na de val,marilyn,val,brussel,herstel,billen,wachten,borges,geluk,muziek,cds,dvds,red,bob dylan,peter case,lachen,boeken,film,pop

Van het dagelijks front is er weinig nieuws. Ik zit thuis te wachten op herstel. Neen, ik ben niet overvallen. Eigenlijk wilde ik er niets over zeggen, maar wat doe je eraan, een mens kan niet zwijgen. Ik ben gevallen. Uit het paradijs maar ook in de werkelijkheid, in het weinig nieuws verkondigende dagelijkse leven. Het voorbije weekend wilde ik na een etentje in de stad de metro nemen aan Sint-Katelijne, maar er lagen wat winterbladeren op de prefabtrappen – het metrostation wordt gerenoveerd – en ik gleed uit en viel op mijn gat. Ik viel helemaal tot beneden, tsjak, tjsak, tsjak. Op mijn rug een rugzakje met als inhoud de dvd Reds van Warren Beatty, de cd Live At Budokan van Bob Dylan (zijn enige echt slechte plaat) en de soundtrack van Walk the Line + nog wat medicijnen. Ho, ho, geen drugs; medicijnen voor de slokdarm en tegen astma. Mijn val is gebroken door die meer dan drie uur durende Reds, de verpakking is helemaal stuk, gelukkig niet de dvd’s (hoewel het een saaie film is), en door mijn bil. Die is nog altijd inktzwart. In het midden wat blauw. Een geluk dat je wat gedronken had, zei mijn huisdokter. Daardoor waren je spieren ontspannen en ben je goed terechtgekomen. Je had op je staartbeentje kunnen vallen of op je ruggengraat. Ja, ik begrijp het. Ik had nu in een rolstoel kunnen zitten. Heb ik toch chance. Jongens toch. James T. Chance. That’ll be the day! Ik ga, zodra ik weer normaal kan lopen, naar de kerk wat kaarsen branden voor de ene of andere god. De voorzienigheid heeft het goed met mij voor. Terwijl mijn vrienden vallen als vliegen of vliegtuigen ga ik onoverwinnelijk door het leven. Ik tart het lot en het lot tart mij maar we blijven even goede vrienden. 

na de val,marilyn,val,brussel,herstel,billen,wachten,borges,geluk,muziek,cds,dvds,red,bob dylan,peter case,lachen,boeken,film,pop

Ik zit nu thuis te wachten op het verdwijnen van het postmoderne blauw. Zit? Ik sta, ik loop, ik lig. Zitten gaat niet goed. (En zaterdagavond, na middernacht, zag zelfs mijn gitaar er opeens postmodern blauw uit, zoals die van Peter Case, niet die van Wallace Stevens.) Zitten gaat slecht. Ik wacht. Ik wacht tot ik het zittend bestaan van de kantoorslaaf kan hervatten en weer kan zwanzen met mijn collega’s. Hun geroezemoes en gelach mis ik zeer. Ondertussen probeer ik opnieuw te leren lachen, diep vanuit de buik (de billen ontziend), omdat lachen goed is voor de slaap, naar het schijnt. Dat heb ik toch ergens in een blaadje gelezen. Elke dag een portie hartelijk lachen en je slaapstoornissen verdwijnen als zon door een sneeuwbui. Alleen een kleine glimlach is me nog maar gelukt, na wat valentijnchampagne, maar ik span me in, ik doe mijn best, voor ik straks in bed ga wil ik echt één keer schaterlachen. Misschien moet ik die Chinese encyclopedie van Borges nog maar eens ter hand nemen. Dat ik aan slaapstoornissen leed had ik nog niet verteld?

ZELFPORTRET MET TWEE DODEN


small mountain boy

Ik zag mezelf zeven keer op zeven verschillende leeftijden. Het was een warme junidag. We zaten wat te af te zweten in een prefabklasje. Ik werd telkens opnieuw naar voren geroepen om plaats te nemen in een van de brandweerwagenrode zetels die naast elkaar op een klein podium stonden. De eerste ‘ik’ was een jongetje van een jaar of zeven. Degene die naast hem ging zitten was de tienerversie van mezelf, en vervolgens nog vijf versies tot aan de door het leven verbitterde vijftigplusser die ik nu ben. Ik stond erbij en keek ernaar en was niet tevreden. Als een bol wol bij het breien zag ik de mij toegemeten hoeveelheid leven snel slinken. Het gedeelte dat achter de rug lag was een exact meetbare hoeveelheid, die snel toenam. Intussen waren nog anderen, vrienden en kennissen zo te zien, tussen mijn zeven zelven komen zitten. Ze waren heel wat jonger dan mijn oudste ik, mijn galspuwende spiegelbeeld. Dat vond ik allerminst rechtvaardig. "Zo oud al!" riep ik wanhopig uit. "Zo vreselijk oud!" brulde ik.
En ik schrok wakker, bevend en zwetend, met krampen in de hartstreek. Marc en Rom zijn dood, dacht ik onmiddellijk, geboren uit de geest van rock & roll, gestorven van een vermoeid, gebroken hart.

Illustratie: de kunstenaar als jonge bergbeklimmer. Foto: François Brouns.

13-02-07

MEESTERWERKEN


Al die harde schijven vol meesterwerken, die stof liggen te vergaren in toekomstige antiekwinkels.

12-02-07

IS ALLES IJDELHEID?

suicide,elvis costello,drugs,rock   roll,dood,antwerpen,vrienden,kunstenaars,schrijvers,nachtleven,brussel,ab,live,concert,punk,new wave


“All these people that you mention
Yes, I know them, they're quite lame
I had to rearrange their faces
And give them all another name.”

Bob Dylan, Desolation Row.

Hij dacht niet meer aan Phyllis. Hij zag haar niet meer. Uit het oog is uit het hart, zeggen de mensen. Wel wist hij dat ze aan de grens woonde, bij haar zus Marcella en haar schoonbroer Louis en hun kinderen Raoul en Emma (naar Emma Bovary genoemd). De laatste keer dat hij haar had gezien was in café Het Spiegelbeeld of dat andere café, er net naast. Haar toenmalige vriend, een zekere Spano, was toen bij haar. Zij zag er niet slecht uit maar toch ook niet goed. Spano leek hem niet iemand die haar uit haar miserie zou weghalen. Hij had wel grootste plannen: hij zou detectives gaan schrijven, in de stijl van Raymond Chandler en Dashiel Hammett. Dat vertelde Spano hem toen ze aan de bar whisky zaten te drinken maar hij geloofde de would-be misdaadauteur niet. Sommige mensen gelooft hij onmiddellijk, van anderen heeft hij meteen door dat ze zitten te liegen of te fantaseren. Phyllis sprak weinig. Hij had haar anders gekend. Ze kon bijvoorbeeld de hele autobiografie van Claire Goll op een uurtje navertellen.


Dat was de laatste keer dat hij haar heeft gezien. Later had hij van Job wel gehoord dat het niet zo goed met haar ging. Ze had last van de lever en zo en ze at veel te weinig. Ze dronk veel, wat in haar toestand om problemen vragen was, en ze slikte pillen en nam hoestsiroop, Tux of iets dergelijks. Het belangrijkste was dat er codeïne in zat. Daar was ze verslaafd aan. Maar hij geloofde niet dat je van Tux kunt sterven. Sam Phillips zegt dat Elvis Presley van een gebroken hart is gestorven. Hij kon Priscilla niet vergeten. Voor Phyllis was het precies zo: het waren mooie jaren, met haar grote liefde, Mijl. Beatnikjaren, één lang feest met vrienden en drank en verrukking. Een tijd van rock & roll, een UP-periode. Punk en new wave waren ‘natuurlijke’ speed.

suicide,elvis costello,drugs,rock   roll,dood,antwerpen,vrienden,kunstenaars,schrijvers,nachtleven,brussel,ab,live,concert,punk,new wave

Hij is samen met Phyllis en Mijl slechts naar één concert geweest: Elvis Costello & the Attractions, op 16 juni 1978 in Brussel, met de New Yorkse groep Suicide in het voorprogramma. Tijdens de optredens braken rellen uit. Het begon al met het optreden van Suicide. Niet iedereen was even gek op het gegil van Alan Vega in 'Johnny Teardrop'. Een toehoorder vond het zo gortig dat hij Vega de microfoon uit de handen rukte. Na een korte pauze was Costello aan de beurt. Een boos kereltje boordevol drank en amfetamine. 'No Action' zong hij. En 'All this and no surpises for this year's girl...' Zijn optreden duurde niet langer dan de pauze. Het was wel heel krachtig. Maar wat een arrogant mannetje (vond hij toen). Het publiek werd razend, vanwege Alan Vega, vanwege de kerel die de micro had gestolen, vanwege het minimale concert van Costello. De veiligheidsmensen werden echter helemaal niet razend. Ze sloegen met microfoonstaanders op de voorste rijen van het razende publiek. Zelf had hij heel wat Captagon en Jim Beam naar binnen. Daardoor en natuurlijk ook uit pure morele verontwaardiging wilde hij de security op zijn beurt te lijf gaan. Gelukkig heeft Angelina hem toen tegengehouden of hij was waarschijnlijk in het hospitaal beland.

Die zelfde dag was Gisèle bij hen komen wonen. Hij en Angelina hadden Gisèle geholpen met haar verhuizing. Dat kon toen nog: eerst een hele dag verhuizen en daarna naar Brussel voor een concert en dan nog een nacht in de Antwerpse kroegen. De dag daarna hielden ze in de Dolfijnstraat hun Summer Party. Een kunstenaar die zich Crazy Dreamer noemde was die avond heel goed : hij heeft een uur lang heerlijke rock & roll gedraaid, wat in die punkdagen niet zo voor de hand lag. The Trashmen klonken echt heel nieuw en terzake, want de meesten die op de Summer Party aanwezig waren, waren trashmen. Geen job, geen vooruitzichten, weinig illusies. Tweede handskleren, muziek van the Clash, plastic en neon, goedkope wijn en tequila, amfetamine. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd (en sinds het midden van de jaren tachtig opnieuw, remember de yuppies), was voor hen een flitsende levensstijl. Sommigen die er toen bij waren zijn trashmen gebleven. Eigenlijk hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan zichzelf hadden ze allemaal trashmen moeten blijven. Maar je moet daar sterk voor zijn en hij was zwak. Daarom is hij geen trashman meer. En met Phyllis is het slecht afgelopen, of wat had je verwacht? Zij is een trashwoman gebleven, tot haar laatste snik. Alles is ijdelheid.

11-02-07

THE KILLER INSIDE ME (REVISITED)


the bodyguard

Een niet bepaald moreel en politiek 'correct' spelletje, zou je kunnen opwerpen. Mag dit wel? Wij, bloemenkinderen van de jaren zestig, die zo fel gekant zijn tegen wapens - mogen wij daar zo lichtvoetig mee omgaan? Ach, ik weet het allemaal niet zo goed. Het was weer zo'n dag van 'ordinary madness'. We lapten de normen aan onze spreekwoordelijke laarzen. We vonden dit gewoonweg opwindend. Je doet iets wat eigenlijk niet mag, je overschrijdt grenzen.

Overigens, voor degenen die het niet goed kunnen zien, gaat het om een speelgoedrevolver. Ik kreeg hem cadeau - een ironisch geschenk - van mijn lieve vriendin Isabelle nadat ik in juni 1997 was overvallen en in mekaar geklopt, ik ben toen echt op het nippertje aan de dood ontsnapt, in een straat in het centrum van Brussel. De Kiekenmarkt. Dat gebeurde op een zonnige zomeravond, er was geen vuiltje aan de lucht. En even later lag ik bloedend in het midden van de straat, met auto's die me onverschillig voorbijreden. Tot de politie en de ambulance arriveerde. Dan was er opeens wel belangstelling. Ik heb foto's van hoe ik er daarna uitzag, vreselijke beelden, maar die wil ik niet publiek maken. De politie heeft trouwens nooit iets gedaan. Het gerecht heeft de zaak geseponeerd. Maar dat verhaal - hier heel kort samengevat - werpt een verkeerd licht op deze speelse foto die als ik me niet vergis dateert uit 2001, toen mijn wonden al lang geheeld waren.

De titel 'The Killer Inside Me' heb ik gepikt van Jim Thompson. De Amerikaanse rockband van Chuck Prophet en Dan Stuart, Green On Red, ging me daar in voor. Ze hebben een elpee met dezelfde titel. Dan Stuart heeft zich al meer dan tien jaar geleden teruggetrokken uit de muziekwereld, maar ik las net dat hij samen met Steve Wynn - ooit gitarist en zanger in The Dream Syndicate - optreedt op 10 april in de AB, onder hun oude troetelnaam Danny and Dusty. Wie de elpee The Lost Weekend, ook een gestolen titel, van Danny en Dusty bezit - ik geloof niet dat ze ooit op cd is verschenen - zal er dan zeker bij zijn.

09-02-07

GEERTEN MEIJSING: MOORD EN DOODSLAG

geerten meijsing,boeken,nederlandse literatuur,jk huysmans,e-mail,lezen,syracuse,sicilie,sttefan hertmans,bernard dewulf

Lange tijd las ik veel Nederlandse literatuur, vooral proza, maar zeker ook poëzie. Tijdens mijn adolescentie hield ik het meest van Remco Campert (Het leven is vurrukkulluk, Een ellendige nietsnut, Liefdes schijnbewegingen), Hugo Claus (De koele minnaar) en Louis Paul Boon (ongeveer alles wat er tot dan verschenen was, met een grote voorkeur voor De Kapellekensbaan). Later las ik enige romans van Willem Frederik Hermans, Frans Kellendonk en Jan Wolkers. Mijn uitverkoren Nederlandstalige schrijver werd Herman Heijermans, met als hoogtepunt Kamertjeszonde. Ik hield van Jan Arends en Louis Ferron. Ik las graag poëzie van Hendrik Marsman, Lucebert, Hugues Pernath en Herman Ter Balkt (die zich toen nog Habakuk de Balker noemde). Ik heb het verzameld werk gelezen van Maurice Gilliams. Dat is de enige Vlaming van wie ik echt ben blijven houden. Hij is een buitenbeentje. Je kunt hem met niemand vergelijken. Ik zal nu wel een paar namen vergeten. Er is heden ten dage ook nog Stefan Hertmans. En Bernard Dewulf schrijft sterke gedichten en zeer leesbare columns. 

Waar ik echter naartoe wil is dat ik geen Nederlandse letteren mee lees. Geen jota meer. Ik probeer nog wel, maar het is allemaal vervelend, ik word er depressief of tureluurs van. Ik vind geen diepe gedachten, geen afgrondhumor, geen enkele uitdaging. Niemand zegt me: stop met die verdomde routine (wat ‘eilandman’, een collega-blogger, me onlangs wel meedeelde, als commentaar op een stukje dat ik had geschreven). Dat is nochtans – onder meer - wat ik van literatuur verwacht en dat is wat literatuur vermag. Paul Auster, om maar één buitenlander te noemen, zegt dat in al zijn boeken: stop met die fucking routine, laat je eens meeslepen door het toeval, open je ogen, overal ligt het avontuur voor het grijpen.

Er is echter één uitzondering. Er is een Nederlandse schrijver die met kop en schouders boven alle boekenbeursauteurs en literaire clowns uitsteekt. Zijn naam is Geerten Meijsing. Zijn eerste boek, Erwin, verschenen in 1975 - als ik me niet vergis, want ik heb het hier niet bij de hand -, veranderde mijn wereld. Na enkele bladzijden al was ik verslaafd aan zijn proza. Hij noemde zich toen nog Joyce en Co. Wat hij schreef was decadente esthetiek, geïnspireerd door de zwarte romantiek. Schrijvers als Joris-Karl Huysmans en personages als Des Esseintes hadden hem ongetwijfeld geïnspireerd. En talloos veel Grieken en Romeinen. Toen al was Meijsing gefascineerd door de schitterende cultuur en de aardse vruchtbaarheid van Italië. Hij heeft jarenlang in Lucca gewoond, nu verblijft hij in Syracuse op Sicilië.

Ik wil hier evenwel niet de hele bio- en bibliografie van Geerten Meijsing uit de doeken doen. Onlangs las ik Moord & Doodslag, een dubbelroman die hij schreef samen met zijn zus Doeschka Meijsing. Opnieuw een verbluffend boek, waar niets menselijks vreemd aan is. Aan het exemplaar dat ik op een boekenbeurs aan de Heizel had gekocht ontbraken helaas enkele bladzijden. Ik meldde dit via e-mail aan De Arbeiderspers in Amsterdam. Ik kreeg een vriendelijk mailtje terug, waaruit ik kon afleiden dat hun bijhuis in Antwerpen deze zaak wel zou oplossen. Een paar dagen laten kreeg ik echter een bijzonder hoffelijke e-mail van Geerten Meijsing zelf. Of ik al een gaaf exemplaar ontvangen had? Zoniet zou hij er wel een bezorgen. Een paar weken later zat een min of meer gaaf exemplaar in mijn brievenbus gepropt: poststempel Antwerpen. Nog geen week later ontving ik een postpak uit Syracuse, met een door Geerten Meijsing gesigneerde druk van Moord & Doodslag. Aangename verrassing. Een al vrolijkheid. Wat een schrijver, wat een hoffelijke man! Inmiddels weet ik ook hoe het boek afloopt.

Portret van Geerten Meijsing © Chris van Houts, Amsterdam