31-01-07

CAT POWER, SEXY PRESIDENT

cat power,chan marshal,richard avedon,bob dylan,sexy,muziek,pop,the greatest,soul

Een onafhankelijk weekblad voor radio en televisie zette mij op het spoor van deze foto van een sexy Chan Marshall, alias de onovertroffen Cat Power, die met The Greatest de beste cd van vorig jaar uitbracht. De foto is van meesterfotograaf Richard Avedon. Ik ben hem eeuwig dankbaar voor deze parel. Een moeilijke opdracht, gelet op mijn sterfelijkheid.

30-01-07

ALS OP EEN WINTEROCHTEND

ochtend,jas,wintersport,metro,foto,martin pulaski,winterkleren,seizoenen,klootjesvolk,kleding

Scwhab's in Memphis, Tennessee, 1992. In deze winkel kocht de jonge Elvis Presley zijn tot zedenverwildering aansporende kledingstukken.


Vanmorgen ging alles verkeerd. Het scheren wilde niet vlotten. Het water uit de douchekraan was te heet. Ik deed lang over mijn ontbijt, had een slechte cd opgezet (iets van the Jon Spencer Blues Experience), de koffie was te sterk, ik kon maar niet wakker worden, hoewel ik nauwelijks geslapen had. Is dat overigens niet paradoxaal, niet kunnen slapen en toch niet wakker kunnen worden?

Na een uur ‘voorbereidingen’ was ik klaar om de deur uit te gaan. Maar ik had niet op de ritssluiting van mijn bruine leren jas gerekend. Die rits wilde niet toe. Maar daarna wilde ze ook niet meer open, zodat ik maar zeer moeilijk uit die jas geraakte. Zelfs Harry Houdini zou het er moeilijk mee hebben gehad. Uiteindelijk is dat wel gelukt, en heb ik nog enkele vergeefse pogingen gedaan om de rits toch weer op het spoor te krijgen. Vervolgens moest ik op zoek gaan naar een andere jas. Het probleem is dat ik weinig winterkleren heb. Ik ben alleen maar op de lente en de zomer ingesteld, waarschijnlijk ter compensatie van mijn winters temperament. Tenslotte heb ik mij tevreden moeten stellen met zo’n rood wintersportgeval dat ik ooit in een (echte) koortsbui heb gekocht en maar één keer heb gedragen. De eerste en - voor vandaag - enige keer dat ik die jas aanhad zag ik overal om mij heen wat in de jaren zestig ‘klootjesvolk’ werd genoemd met zulke rode wintersportjassen aan zich naar het werk haasten. Talloos was hun aantal. Het is dan ook een zeer lelijk kledingstuk. Het moet een bizarre koorts geweest zijn, dat ik zulke jas heb kunnen kopen. Wintersport haat ik met een groot genoegen. Als ik het woord après-ski hoor, grijp ik naar mijn imaginaire revolver, om Goebbels te parafraseren. Ja, soms ben ik wel eens gewelddadig in mijn verbeelding.

In de metro lag links van me op de zitbanken een dakloze te slapen. Hij verspreidde een geur om wierookstokjes van sandelhout bij te branden. Maar ik liet me niet van de wijs brengen. Ik had mijn rust teruggevonden, ondanks het feit dat toen ik onderweg was naar metrostation Bizet de oortjes van mijn iPod niet in mijn oren wilden blijven zitten en dat de stem van Mark Everett vreselijk kraakte.
Aan station Beekkant bleef de metro staan. Dat doet hij meestal wel, maar nu veel langer dan anders. De dakloze moest de trein verlaten, wat geen eenvoudige onderneming was. Waarom mocht de man zijn roes niet uitslapen? Hij stoorde niet echt, de metro zat niet eens vol. Alleen die geur een beetje… Maar dan zouden overdadig geparfumeerde dames ook de metro moeten verlaten, want daar krijg je hoofdpijn van. Regels zijn regels, hoorde ik de twee metrobeambten blaffen. (Zijn dat pursers? Of wat is de naam van hun beroep?) En bevel is bevel, dacht ik.
En toen… En toen… En toen moest de dag nog beginnen.

29-01-07

NAAKTE OLYMPIA

manet,station,eros,theater,olympia,erotiek,exhibitionisme,seks

In een station. Stel je voor: honderden vrouwen en mannen spoeden zich weg van elkaar. Maar welke bestemming, wat te doen? Ruighoudt, waar lood om glas lacht en ja, nee, niets, liggen liegen. 


Plotseling staat met rode lippen Olympia naakt in hun midden, haar huid wit afgetekend tegen hun uittocht. Kijk naar me. Mijn geslacht oog in oog met wat moet gebeuren, de zwaluwen boven het slagveld.

De zon op, dinsdagochtend. Stemmen van Grieken. Weg van haar schande geven zij zich aan licht, branding, als vermoeide, overwinterende sfinksen.

28-01-07

PRETTY FRAULEIN - EEN GEDICHT IN PROZA


Opgedragen aan Townes Van Zandt

Het begon allemaal moeilijk. Je moest bewijzen dat je de woorden bezat. Ideeën reikten in de tijd tot voor Socrates. Boeddha's volgelingen reden op hun rode motorfietsen naar Italië, tot helemaal in Rome, bezochten daar Caracalla's baden, en Cinecittà in een vuile buitenwijk. Het hart van Percy Shelley rustte voor eeuwig in een boek van zand en zaad, lag begraven onder een maansteen in de Pisaanse heuvels, waarop je de liefde bedreef voor de mooie ogen van de soldaten. Pretty Fraulein!

Oog in oog met de vijand van het verdriet viel eenvoud over je land, hand en woordenschat. ‘Van een blik tot een moord’, (Zwart Beertje), kon hier nu in, net zo goed als ‘On the road (again)’, je Plechtige Communie en de hele mikmak van je uiteengespatte, verspilde leven.

Dat je er toch nog iets schoons van maakt! Dat je hogerop geraakt. Tussen zwervers, protestanten, goochelaars en beambten. Tussen komedianten die aangenaam je tijd verdrijven. En al het zachte dat er is zul je nog geduldig tot je nemen. Tot de laatste dag komt, tot de eindeloze en verblindend parelende nacht.

27-01-07

TOAST


Terwijl ik te slapen lag is de 200.000ste bezoeker of bezoekster van hoochiekoochie langsgekomen. Jammer dat ik haar of hem niet digitaal heb kunnen omhelzen. Laura en ik zullen hier thuis vanavond een glas champagne drinken en klinken op de gezondheid van die welkome gast en het – voor mij onverklaarbare - succes van mijn weblog, dat ook jullie weblog is. Zonder jullie aanmoedigingen, commentaren, kritische opmerkingen en gewone ‘bezoeken’ zou hoochiekoochie al lang niet meer bestaan.

Soms denk ik dat ik dit allemaal voor mezelf doe, dat het een zuiver egoïstische aangelegenheid is, maar als ik er wat dieper over nadenk besef ik dat vooral wil delen. Ik wil jullie toegang geven tot boeken, films, muziek, kunstwerken, ontmoetingen, tot alles wat mij gemaakt heeft wie ik ben. In dat lang verhaal van mij, waarvan het einde niet in zicht is, wil ik openhartig zijn en zo eerlijk mogelijk. Ik wil over mijn momenten van geluk en euforie vertellen maar mijn tegenslagen krijgen ook hun plaats. Ja, ik wil eerlijk en openhartig zijn, maar niet naïef. Elke mens heeft zijn geheimen nodig om te kunnen overleven, zo ook ik. Mijn geheimen geef ik niet prijs. Maar dat betekent niet dat ik leugens vertel. Ik kan dat zelfs niet. Indien ik de gave van het liegen wel bezat, zou ik romans schrijven.

26-01-07

THE MAN WHO FELL TO EARTH

nicholas roeg,david bowie,film,overeenkomsten,odyssee,the man who fell to earth,wrelden,ulysses,james joyce,stephen dedalus,1970,hippies,tegenculuur,pop,popcultuur,misdaad,leopold bloom,performance,analogie,gelijkenis,poezie

Iets over The Man who Fell to Earth, van de geniale filmregisseur Nicolas Roeg. Met David Bowie in de rol van Thomas Newton, Candy Clark (Mary-Lou) en Buck Henry (Oliver Farnsworth).
Een film over vervreemding? Het personage van David Bowie is de ‘alien’, afkomstig van een andere, uitgedroogde planeet. Hij is op zoek naar water. Maar misschien heeft hij – bewust of onbewust - ook een ‘geestelijke’ opdracht, een zending. Misschien is zijn werkelijke missie: de aardbewoners erop wijzen dat ze ‘gealiëneerd’ zijn, van zichzelf, van hun werk, van elkaar, van de natuur? Zoals hij vaak doet behandelt Roeg ook in deze sciencefiction film de fatale consequenties van een ontmoeting van twee werelden of twee culturen. Ontmoeting? Het is veleer een botsing. Zoals in het lied When two worlds collide:

“Your world was so different from mine, don't you see
And we couldn't be close, though we tried
We both reached for heavens, but ours weren't the same.
That's what happens when two worlds collide.

Your world was made up of things sweet and good.
My world could never fit in, I wish it could.
Two hearts lie in shambles and oh, how they've cried.
That's what happens when two worlds collide."

The Man Who Fell To Earth is naast het verhaal van een odyssee een onderzoek van het beeld in de Westerse cultuur. Van de voor- en nadelen van het beeld. Tegenover het statische beeld (ook het filmbeeld is statisch : 24 beeldjes per seconde) plaatst Nicholas Roeg het reizen en het zien. Elke reis is een ontdekkingsreis. Elk landschap opent een wereld. Elke ontmoeting schept mogelijkheden, positieve of negatieve.
Er is een overeenkomst tussen Thomas Newton en Stephen Dedalus in Ulysses van James Joyce; en Farnsworth verwijst in zekere zin naar Leopold Bloom uit dezelfde roman. In Performance – de eerste film van Nicholas Roeg (in een co-regie met Donald Cammell) - heb je een gelijkaardige botsing van culturen, met name van die van de ex-rockster en hipster Turner en die van Chas, de misdadiger. De wereld van de hippies – in 1970, toen Performance uitkwam, was er sprake van ‘underground’ en ‘tegencultuur’ - komt in ‘aanraking’ met die van de misdaad. Harry Flowers, de naam van een ander personage uit Performance, is overigens ook een pseudoniem van Leopold Bloom in diens correspondentie met een jong meisje.

Wat mij bij deze tekst ook weer opvalt is mijn zoeken naar overeenkomsten, gelijkenissen, analogieën. Wijst dat op innerlijke onzekerheid? Ik denk het niet. Liggen analogie, gelijkenis, en overeenkomst niet aan de basis van alle poëzie?

 

nicholas roeg,david bowie,film,overeenkomsten,odyssee,the man who fell to earth,wrelden,ulysses,james joyce,stephen dedalus,1970,hippies,tegenculuur,pop,popcultuur,misdaad,leopold bloom,performance,analogie,gelijkenis,poezie

24-01-07

LARVATUS PRODEO

descartes,schrijven,nutteloosheid,raymond carver,treinreis,sin city

In de trein lees ik een verhaal van Raymond Carver, The Compartment. Over een man die met de trein reist. Om het even waar naartoe, als hij zijn zoon maar niet hoeft te zien. Alles vergeten wil hij. Zich herinneren doet teveel pijn. Raymond Carver verwoordt telkens weer zeer genuanceerd en helder wat ik zelf soms voel.


Veel te snel moet ik hier alles noteren, hier op de zoveelste verdieping van een oud neo-klassiek gebouw in Sin City. Niemand in mijn omgeving mag het zien, mag het weten: dat ik teksten voor niets of niemand schrijf. Het is volkomen nutteloze energieverspilling. Iets onnoemelijks, lijkt het wel, een ‘tijdverdrijf’ waar zware straf op staat. Gemaskerd ga ik door het leven. Larvatus pro deo, noemde Descartes deze levenswijze. Het is tevens de naam van een Australische centrum-linkse groepsblog.

23-01-07

LIED VAN WIE DRONKEN IN EEN TAXI ZIT


Alle katten waren zwart die nacht toen we verdwaalden: heldere sterrenwichelaar en uit een aardappelkelder ontsnapte idiot savant, raaskallend als een kind dat donker is van schrik. Geduld en trouw zijn rake plekken in the heart of darkness. Als je vervolgens elkaar in elkaars stemmen herkent, hees van droeve herinnering en plannen smeden, dan moet je maar gaan zingen samen, zelfs wat zuchten volstaat als de andere door jouw ogen kijkt. En kijk, kijk dan toch: alles is wat het lijkt.

Genetisch bepaald ontsnapten wij aan onbekende soldaten in onze spraakverwatering en liepen in vrede elkaar tegemoet. Tegen beter weten in ging het verlangen in het ongewisse van elkaars woorden rusten. Op die wijze – muzikaal - was de roes helder zien. In kobaltblauwe nacht zag ik de ogen van een blijvende, onvervangbaar, a son, a cosmos. Een mens, jij, die me ook nu weer naar het hoofd stijgt.

WAAROM KIEZEN MENSEN ERVOOR OM VERBLIND EN ONDERDRUKT TE WORDEN?


De politieke wereld heeft het graag over anti-politiek in verband met burgers die op extreemse-rechtse partijen zoals Vlaams Blok en Front National stemmen. Maar zou je van mensen die anti-politiek denken niet verwachten dat ze reikhalzen naar echte politiek, naar meer politiek, gemeenschap, gemeenschapszin, een werkelijke 'polis', etcetera, dat ze vooral behoefte hebben aan een uitgesproken, duidelijke, transparante democratie? Dat ze verlangen naar politici en politiek met een menselijk gezicht. Mensen met ogen in en oren aan hun hoofd.

Waarom zouden mensen die zich afkeren van de traditionele partijen (inderdaad traditioneel, ook al hebben ze, zoals de banken, hun namen veranderd) stemmen voor anti-politieke partijen bij uitstek? Partijen waarbij het alleen maar om negativiteit en naakte macht gaat, partijen bevolkt door anti-politici, heerschappen die nog nooit naar de woorden van een ‘gewone’ – en zeker niet van een ‘ongewone’ - mens hebben geluisterd en die geen enkel besef hebben van wat het is in de wereld te zijn en zorgen te hebben. Waarom zouden zulke zogeheten anti-politieke burgers hun stem geven aan degenen die precies belichamen wat zij vrezen, aan degenen die hen een ‘ideologie’ willen opdringen van wreedheid, haat, afgunst en een absoluut onbehagen in de cultuur?

22-01-07

NATTIGHEID

hotel,feest,spa,treinreis,gesprek,landschap,winter,wijn,duvel,boudewijn de groot,brussel,muziek,soul,regen,lezen,boeken,conversatie,luc sante,dansen,james brown,pop

Ik ben dan toch als dezelfde man uit Spa teruggekeerd. Niets veranderd. De treinreis erheen was aangenaam en vooral zeer goedkoop. Ik heb geen Simenon gelezen, evenmin iets anders. We hebben gepraat over reizen, over New York, Chicago, Nashville. Over Lissabon, waar we in maart naartoe gaan. Over allerlei bestemmingen, maar niet over Spa. Ik heb veel naar de winterse landschappen gekeken en zitten mijmeren. Sommige vergezichten deden me aan Breughel denken. In Verviers gingen mijn gedachten naar Luc Sante en zijn schitterend boek over – onder meer - deze streek, ‘De feitenfabriek’.
In Spa regende het hard, en het was een heel eind naar het hotel. Druipnat worden in de nabijheid van de thermen, dat was weer eens iets anders. Aangezien het hotel maar niet in zicht kwam hebben we in een toeristisch informatiecentrum een taxi laten bellen. Het stadje telt er drie. Drie taxi's.

Dat ik ondanks de goede nachtrust niet zou veranderen, daar had ik al een vermoeden van, ik had me dan ook wijselijk ingedekt.

Over het verblijf in het hotel en het feest heb ik weinig te melden. Het was een personeelsfeest zoals er twaalf in een dozijn zijn. Drinken, eten, speeches, muziek en dansen op oubollige muziek. Af en toe wat praten over wat je nog te binnen wil schieten. Laat op de avond vroeg iemand me, wat heb je graag gelezen in 2006? Ik kon geen antwoord geven, ik wist niets meer, geen enkele titel, geen enkele naam. Na een paar minuten of zo hebben we het over Borges gehad, en nog wat later over Paul Auster en Ian McEwan. Ik zei dat ik die hedendaagse schrijvers zeer bewonderde. Mijn hersens hadden zich kennelijk helemaal op het oppervlakkige ingesteld en waren niet meer soepel en scherp genoeg om dieper te graven. Na al de wijn moest ik dringend een Duvel drinken om weer wat op gang te komen. Maar zoals Boudewijn De Groot al zong, we zijn niet meer als toen.

En zo ben ik nu weer thuis in Brussel, dezelfde man voor het raam, de man die zichzelf moet aanvaarden, die geen vat heeft op de dagen en het klimaat. De man die zich afzondert en vanuit de verte bewondert en liefheeft.
Neen, het was geen gewoon feest, het was een mooi feest. Ik heb fijne mensen ontmoet, lekker gegeten en gedronken, fijn gepraat, mezelf vergeten. Ook heb ik op muziek van James Brown gedanst. Een in memoriam dans.

20-01-07

SPA IN HET VOORUITZICHT


De wind is gaan liggen, het is opgehouden met regenen. Over enkele uren vertrekken we naar Spa. Met de trein natuurlijk. Het belooft een mooie reis te worden, want ze duurt twee uur, mogelijke vertragingen niet meegerekend. Op die tijd kan ik waarschijnlijk wel een romannetje van Georges Simenon uitlezen en zelfs nog wat van het winterse landschap genieten. In een chic hotel, betaald door het bedrijf, een multinational, waar Laura ten koste van veel inspanningen haar dagelijks brood ‘verdient’, neem ik een heerlijk bad in het water van Spa, waar vroeger hertoginnen en prinsessen kwamen (toen ze nog hoofden haddden).

Ik heb nu weinig tijd om te schrijven, de koffer moet gepakt. Het is altijd een getwijfel: wat zal ik meenemen, welk pak, welk hemd, welke schoenen? Hoeveel medicijnen zal ik nodig hebben? Ik mag vooral mijn afstershave gel – van Issey Miyake – niet vergeten. Pen en papier moeten mee, een identiteitskaart (sinds ik de voorlopig laatste keer beroofd werd heb ik die nooit meer op zak; het vergt teveel van mijn zenuwen om een nieuwe vast te krijgen). Er moeten nog een paar andere boeken mee, voor het geval die Simenon niet weet te boeien. Dat lezen van detectives in de metro en de trein is overigens een nieuwigheid. Ik hoop op die manier een tijdelijk nirvana te bereiken. Maar een paar glazen wijn helpen soms ook wel. Vanavond zal vooral de wijn het moeten doen. Ik slaap vreselijk slecht behalve in dure hotels, ook daarom kijk ik uit naar de weekendtrip. Slapen! Morgen al zit hier een andere mens, maar toch dezelfde. De filosofie komt altijd weer om de hoek kijken.

18-01-07

1968


1968 on the beach

Flashback naar 1968, mijn extase op het strand, aan de Belgische kust. Dit is mijn populairste foto op de fotowebsite 'flickr'. Helaas heb ik hem niet zelf gemaakt. Ik weet ook niet meer wie de fotograaf was, het moet ongetwijfeld een van mijn beste vrienden zijn geweest, iemand bij wie ik me zeer op mijn gemak voelde. Of was het een meisje, mijn toenmalige vriendin? Misschien.

Voilà, dat was mijn noodzakelijke hoeveelheid narcisme voor deze week. Het kunnen niet altijd tekeningen van Dick Bruna of filmdiva's zijn.

17-01-07

TAAL, SEKS EN APOCALYPS


haneke


Ik houd niet van ‘seks’, ‘neuken’, ‘lul’, ‘kut’ en dergelijke woorden. Ik vind ze lelijk en gebruik ze in mijn teksten zo weinig mogelijk, hoewel ik graag erotische taferelen beschrijf (maar het veel te weinig doe, waarschijnlijk als gevolg van de afkeer van dat seksuele vocabularium). Toch, ondanks mijn weerzin, ben ik soms in zekere zin genoodzaakt om sommige van deze woorden te hanteren in een tekst. Bijvoorbeeld een paar dagen geleden in de korte poëtische schets, met als titel ‘Verstrooiing’. Ik had het woord daar nodig om de banaliteit van die handeling uit te drukken, en meer nog om de sereniteit van het geschrevene stuk te slaan, als kostbaar porselein met een zware hamer. Het was bijvoorbeeld niet mogelijk om de uitdrukking ‘de liefde bedrijven’ te gebruiken. Dat zou belachelijk zijn geweest.

Waarom geef ik nu deze uitleg? Waarschijnlijk omdat ik er gisteravond heb zitten aan denken toen ik zat te kijken naar die vreselijke film van Michael Haneke, Le temps du loup, waarin een man een vrouw brutaal en met een grote onverschilligheid ‘neemt’, ’s nachts in de hal van een station vol ‘verstrooide’ mensen die er slapen of wakker liggen van de honger, de dorst of een andere kwelling.

Ik bedoel met ‘vreselijke film’ niet dat hij slecht gemaakt is, integendeel. Met het woord ‘vreselijk’ verwijs ik naar de inhoud. De film beschrijft een apocalyptische wereld waar geen morele wet meer bestaat en men doet waar men zin in heeft. De sterkste of degene met de krachtigste wapens geeft de bevelen, de zwakkeren gehoorzamen, zoals paarden, schapen en geiten. De vorm van de film is even vreselijk, doordat hij geen identificatie met een van de personages toestaat, tenzij helemaal op het einde. Tijdens het bekijken van die apocalyptische film (apocalyps=ontsluiering) bedacht ik heel even dat het goed was dat ik het woord ‘neuken’ gebruikt heb in mijn ‘poëtisch’ commentaar bij enkele regels uit Genesis.

16-01-07

BLAUWSEL

georges simenon,was,blauwsel,kinderjaren,boeken,dick bruna

Toevallig toch weer. Onlangs zat ik tijdens het avondmaal met Laura te praten over blauwsel. Je hebt zo van die gesprekken waarbij van de hak op de tak wordt gesprongen. We hadden het er opeens over hoe onze moeders blauwsel gebruikten in de wastobbe. Ja, in die dagen werd de was nog in een wastobbe gedaan. Dat blauwsel diende om het linnengoed zo wit mogelijk te krijgen, voordat het gebleekt werd op het gras (als er gras was). Als kleine jongen vroeg ik mij af hoe dat blauwsel het linnen wit kon maken. (Overigens associeerde ik het blauwsel van mijn moeder met het blauwe krijt dat mijn vader gebruikte bij het biljarten. Het blauw van het labeur tegenover het blauw van het plezier.) Ik ben nooit te weten gekomen hoe het mogelijk was: ik ben volwassen geworden. Op een dag is het vragen stellen opgehouden; hoewel de vragen nu ik ouder word opnieuw de kop opsteken...


Vanmorgen in de metro sloeg ik De blauwe kamer van Georges Simenon open en daar stond het, op pagina 6 al: “Hij moest zo’n vijf, zes jaar zijn en hij vroeg zich af door welk wonder de blauwe kleur het linnen wit kon maken.” Ik heb trouwens de indruk dat ik dit boekje graag zal lezen. Jammer dat het zo vlug uit zal zijn. De troost is echter dat er nog veel andere boeken van Simenon bestaan. Maar mag ik mijn tijd wel aangenaam verdrijven? Zal al niet spoedig de filosofie mij weer tot de orde roepen?

14-01-07

VERSTROOIING (Genesis 11 : 1-10)


Aan de aarde ontsprong één taal toen ik nog hele dagen in onbekende bomen adem vond. Rondom mij kwamen ze samen en legden de zoveelste steen. De toren van hun eenheid die tot in de stomme mond van de hemel moest reiken. En ik in de bladeren schreide. Maar zij bouwden boven mij uit en boven de bomen en in schaduw hoorde mij niemand. Zij brachten glas naar het hoogste, verborgen zich voor spiegels, geeuwden en neukten elkaar waar ze maar konden. Waarna zij zich over de aarde verspreidden en zochten en brandden en groeven. Ik bleef in de stad die er stond om toch nog wat op te hemelen wie over de brug kwam naar mij.

13-01-07

NEKO CASE, THANK YOU VERY MUCH




Neko Case live in Austin, Texas.

12-01-07

ONONDERBROKEN ELEGIE

elegie,schrijven,elvis costello,bob dylan,pop,bedenkingen,popcultuur,imperial bedroom,man out of time

Ik beluister na jaren nog een keer Elvis Costello’s Imperial Bedroom. Ik was vergeten hoe mooi die cd is, en hoe welsprekend Costello’s teksten. De song Man Out Of Time is even goed als het beste van Dylan. Op de oorspronkelijke elpee staan 15 tracks. Ik kocht vandaag in een bak met afgeprijsde cd’s een versie van Imperial Bedroom met een bonus-cd waar nog eens 23 songs opstaan. Niet alleen kwaliteit maar ook kwantiteit…


Ik moet mijn hoofd met iets vullen omdat ik de leegte die ik tijdens deze donkere, vochtige dagen ervaar niet kan verdragen. Afwezigheid, gemis, eenzaamheid, allemaal negatieve gevoelens en emoties. Ik heb er geen idee van waar die vandaan komen. Waarom voel ik me zo? Toch niet alleen maar als gevolg van die donkere dagen?

Een andere vraag die ik me stel is waarom ik zo vaak in memoriams schrijf. Ben ik een soort van vampier? Schep ik er eigenlijk een heimelijk genoegen in dat er weer iemand dood is? Nee, dat kan ik maar moeilijk geloven. Maar het blijft een vreemde zaak. Ik denk dat ik de doden een tijdje met rust ga laten en me wat weer ga bezighouden met de levenden. De hongerigen spijzen en de naakten kleden, bijvoorbeeld. Of is dat in memoriams schrijven eveneens een dwanghandeling, en zal ik zodra er weer iemand sterft meteen opnieuw een treurig bericht de wereld insturen?
Ik denk dat ongeveer alles wat ik schrijf een lange, doorlopende elegie is. Schrijven over de dood van een geliefd persoon is daar een logisch onderdeel van. Er valt niet aan te ontsnappen, evenmin als aan de eigen dood. Ik zal nog maar wat Elvis Costello beluisteren.

10-01-07

SNEAKY PETE & THE FLYING BURRITO BROTHERS

sneaky pete kleinow,flying burrito bros,steelgitaar,patrick riguelle,in memoriam,dood,autobiografie,country,country rock,americana,marc didden

Sneaky Pete, tweede van rechts.

Gisteravond vertelde een collega me dat Sneaky Pete gestorven was. De ernst van de boodschap drong niet meteen tot me door. Onbenullige maar opdringerige werkfeiten zaten nog in de weg. Onderweg naar huis overviel me echter een grote treurnis. Iemands dood, zeker van iemand die we hebben bewonderd, herinnert ons onvermijdelijk aan onze eigen sterfelijkheid. 

Sneaky Pete Kleinow was in 1969 medeoprichter van the Flying Burrito Brothers, een band die voor blanke ‘rockmuziek’ evenveel betekend heeft als James Brown voor soul en funk. De Burrito’s waren de grondleggers van de country rock, en daardoor meteen ook van een muziekgenre dat nu alt.country of americana wordt genoemd. Muzikanten en bands als Bonnie ‘Prince’ Billy, Ryan Adams, Lambchop, Calexico en the Walkabouts volgen het country rock-spoor en zorgen vandaag voor veel muzikale opwinding. Gram Parsons, samen met Chris Hillman de belangrijkste songschrijver van the Flying Burrito Brothers, noemde het Cosmic American Music. Die term zal altijd geldig blijven.

Sneaky Pete was de steelgitarist van de band, visueel een achtergrondfiguur maar muzikaal zeer op de voorgrond, ook letterlijk, in de mix. Pete Kleinow bespeelde zijn steelgitaar helemaal anders dan de brave jongens in Nashville. Door allerlei geluidseffecten zorgde zijn instrument bij de luisteraar voor talloze kippenvelmomenten. Je kon dat geluid in die agen alleen maar psychedelisch noemen; er was geen ander woord voor.

Tot 1969 had ik country & western een zeer oubollig genre gevonden, maar een recensie in het tijdschrift Aloha had me ertoe aangezet om de eerste Burrito-elpee, The Gilded Palace Of Sin, aan te schaffen. Na een eerste beluistering wist ik al dat deze elpee me mijn hele leven zou begeleiden. Het is nu bijna veertig jaar later en ik luister nog wekelijks naar de plaat.
Gisteravond heb ik het originele vinyl uit ’69 nog eens uit het rek gehaald. Die prachtige, romantisch-decadente hoes!

Toen de Flying Burrito Brothers in 1970 in het Concertgebouw in Amsterdam optraden ben ik ernaartoe gelift. Mijn ex-vrouw en ik hebben die avond in Amsterdam, na het concert, bij een student op de vloer geslapen. We hadden net genoeg geld voor twee kaartjes. Ik herinner me dat die jongen die avond net ruzie had met zijn vriendin. Het was niet bepaald het geschikte moment om op bezoek te komen. In het statige concertgebouw was me opgevallen dat meer dan de helft van de bezoekers onafgebroken joints zat te rollen. (Erwin, een vriend van me zat op dat ogenblik in de gevangenis van Gent omdat hij in zijn dagboek had genoteerd dat hij af en toe een joint rookte.) Gram Parsons had de band net verlaten, maar desondanks maakten we een adembenemend concert mee. Vooral op Christine’s Tune – een song over een van die beruchte GTO’s, een bende zeer creatieve groupies uit Los Angeles – en op Hot Burrito # 2 ging Pete Kleinow hevig tekeer. Je kon hem met recht de Jimi Hendrix van de steelgitaar noemen.

Later was de steelgitarist zeer in trek als sessiemuzikant. Hij speelde onder meer bij Joni Mitchell (Blue), Joe Cocker (op diens enige geslaagde lp, de tweede titelloze), Sandy Denny, Delaney & Bonnie, Steve Miller Band (The Joker), Yoko Ono, John Lennon, Little Feat en de fantastische Lemonheads (Come On Feel the Lemonheads).

Marc Didden, een zeer goede oude vriend van me, stuurde me vanmorgen een mailtje waarin hij schreef dat ik -samen met hem - waarschijnlijk de enige persoon in heel Brussel ben die treurt om het heengaan van Sneaky Pete Kleinow. Het zou kunnen, maar ik hoop van niet en ik denk het ook niet. Een paar maanden geleden had ik een lang gesprek met Patrick Riguelle: ik heb zelden iemand met zoveel enthousiasme over the Flying Burrito Brothers en het steelgitaarspel van Sneaky Pete horen praten als hij. Daarom vermoed ik dat Patrick Riguelle en zijn vrienden ook wel zullen treuren.

 sneaky pete kleinow,flying burrito bros,steelgitaar,patrick riguelle,in memoriam,dood,autobiografie,country,country rock,americana,marc didden

De muziek blijft achter als een onuitwisbaar spoor. Dat moet ons troost bieden.

IN MEMORIAM SNEAKY PETE KLEINOW



09-01-07

LEVEN MET EEN DWANGNEUROSE


Bijna elke middag loop ik tijdens de lunchpauze van mijn werk in de Arenbergstraat door de rijkelijke Koningsgalerij en de Koninginnegalerij (ook bekend als de Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen) en verder langs het Agoraplein en de Grote Markt naar een of andere plek die mij toevallig lokt. Het is geen wandeling, veeleer een dwanghandeling. Maar ik ben wel in beweging, dat is mooi meegenomen. Meestal loop ik in de richting van De Slegte of een van de tweedehandswinkeltjes op de Lemonnierlaan, bijvoorbeeld de Pêle Mêle. What can a poor boy do? Het vreemde – of misschien is het doodgewoon – is dat ik van die stijlvolle Koninklijke Sint-Hubertusgalerijen en van die grandioze Grote Markt meestal niets zie. Ik merk niets van de chocoladewinkels, van de handtassen van Delvaux, van de luxueuze boeken in de kunstboekenwinkel, ik zie niet wie op het terras van de Mokafé zit, het dringt niet tot me door welke films er in de Arenberg Cinema op het programma staan, ik merk niets van de toeristen op de Grote Markt, vroeger overwegend Japanners, nu ook Chinezen en Amerikanen, mijn blik valt niet op het restaurant Le Cygne, noch op het Broodhuis, noch op het Stadhuis, waar ik toch ooit in het huwelijk trad. Ik weet dat ’t Serclaes bestaat, maar ik loop hem blindelings voorbij. Ik storm recht op mijn doel af en zodra ik daar ben aangekomen vraag ik me af: wat doe ik hier eigenlijk?
Vandaag had ik echter geluk: ik vond bij De Slegte zowel de mooi in één band uitgegeven verzamelde romans van Cesare Pavese, als een biografie van Karl Corino over Robert Musil. Pavese en Musil zijn twee van mijn vijf of tien uitverkoren schrijvers. Mijn dwangneurose heeft me voor een keer genoegen verschaft. Ik ga nu zwaarbeladen huiswaarts, maar voel me lichter dan toen ik deze morgen thuis vertrok. De volgende maanden zullen ongetwijfeld in het teken van Cesare Pavese staan. Jazeker!