24-07-06

SALUT AU MONDE!

vertrek,toscane,afscheid,reizen,vriendinnen,vrienden,martin pulaski,vriendschap,hittegolf,muziek,pop,john fahey,nico,ipod,foto

Ik laat onze gevaarlijke maar toch ook overweldigende hoofdstad een weekje verder schoeien in de zon en begeef me naar waar het gras groener is, zoals de mensen zeggen. Over enkele uren vertrek ik naar Toscane, volgende maandag ben ik terug. Ik reis in het gezelschap van fijne vrienden; daarom ben ik er gerust in, ook al ben ik nog niet helemaal hersteld van de harde klappen en schoppen. Vandaag zat er overigens een brief in de bus van de Brusselse politie – in het Frans, maar het was goed bedoeld – dat ik recht heb op slachtofferhulp, psychologische steun en zo. Dat zal moeilijk zijn, want ik ben er niet. Zodra ik terug ben ga ik toch eens poolshoogte nemen, om te zien wat deze mensen zoal te bieden hebben. Misschien leer ik er weer iets bij… Maar dat zijn plannen voor later. Nu moet ik mij dringend klaar maken voor de reis. Doodzenuwachtig, en de hitte in deze kamer maakt het er niet beter op. Ik heb de allerrustigste muziek opgezet, Nico en daarna John Fahey. Maar nu moet ik er toch een voorlopig punt achter zetten. De Toscaanse schoonheid wacht op me, in de verte hoor ik haar sirenenzang al. Nu nog wat boeken selecteren om mee te nemen. Mijn iPod zit al vol uitverkoren muziek. Zo neem ik toch een klein deel van mijn vertrouwde omgeving met me mee. Het meest vertrouwde laat ik met spijt in het hart achter.

Foto: Martin Pulaski, zelfportret.

23-07-06

"EEUWIGE ROEM"


Het is geen toeval dat Hölderlin hier weer opduikt. Er is een duidelijk verband met Syd Barrett, zij het niet uitgesproken inhoudelijk. Wat beide mannen verbindt is de verbluffende uniciteit; zij sprongen uit de band, waren op artistiek vlak ver vooruit op hun tijd. Zij waren heldere sterren, onverschrokken in hun jeugd, overmoedige ontdekkers – maar wat doofden zij snel uit! Beiden gingen al op jonge leeftijd de nacht van de waanzin in, zij trokken zich terug in een soort van kunstmatige baarmoeder, de ene in een toren, de andere in het huis van zijn moeder, bij wie hij vaak in de tuin zat, zo wordt beweerd. Wellicht hebben zij het leven ervaren als een ballingschap uit het paradijs, dat gelegen is kort bij het hart van de moeder.

Hölderlin was in zijn tijd geen populaire dichter, maar hij oefende desondanks aantrekkingskracht uit op de jongere generatie. Hij kreeg heel wat bezoek, in weerwel van zijn weinig coherente monologen en zijn eentonig pianospel. Syd Barrett was een levende legende. Bekende en minder bekende, vooral Britse, popzangers volgden zijn voorbeeld, zoals David Bowie en Kevin Ayers. Hölderlins dood heeft weinigen beroerd, later is zijn aanzien gestegen, vooral bij filosofen als Nietzsche en Heidegger. Een van zijn voornaamste volgelingen in de Nederlandse taal was Lucebert, een van onze beste dichters. Syd Barretts dood heeft velen geraakt, zowel tijdgenoten, mensen van mijn leeftijd, als jongeren. Beide kunstenaars zullen zolang er mensen bestaan verder leven.

21-07-06

OVER EEN DICHTER EN ZIJN TOREN

holderlin,toren,materiaal,tubingen,hitte,pijn,artaud,reizen,kleist,kester freriks,lezen,poezie,rilke,waanzin

De tekst hieronder beschouw ik niet als ‘poëzie’. Het is een lectuur van nagelaten fragmenten van Friedrich Hölderlin. Meer bepaald van de derde versie van het gedicht Mnemosyne. Ik zou dit hölderlinmateriaal willen noemen, zoals er ook medeamateriaal bestaat. Ik heb me in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw intensief bezig gehouden met Hölderlin, maar ook met Kleist, Artaud en Rilke. Tussen alle documenten die toen zijn ontstaan zal nog wel wat waardevols zitten. Het zou digitaal moeten worden omgezet, maar ik heb daar geen tijd voor, en ik wil evenmin geconfronteerd worden met dat verre verleden. 


Ik las in die dagen veel over het werk van Hölderlin, ook wel wat over zijn leven. Heideggers Erlauterungen Zu Hölderlins Dichtung, Peter Szondi’s Hölderlin-Studien, uit 1967, Jean Laplanches Hölderlin et la question du père, M.B. Benns Hölderlin and Pindar, het Hölderlinstuk van Peter Weiss, interessante essays van Georg Lukacs, Klaus Pezold, Martin Walser en Pierre Bertaux, en, ook interessant vanuit een linguïstische hoek, Roman Jakobsons studie getiteld Hölderlin. Klee. Brecht. Ik hield veel, herinner ik me, van Pierre Jean Jouves Poèmes de la folie de Hölderlin,waarin tevens fragmenten uit dagboeken en brieven van Bettina Von Arnim en Wilheml Waiblinger waren opgenomen.

Hölderlin was een dichter met wie ik me om een mij nu niet meer zo duidelijke reden nogal verwant voelde. Ik denk dat de ontroostbaarheid er een rol in speelde; zijn eenzame strijd tegen de tijdgenoten, om boven de idyllische romantiek uit te stijgen en iets nieuws en blijvends te stichten – en meer nog de miskenning en minachting die hem ten deel vielen, onder meer van Goethe en Schiller, de grote Duitse helden.

In 1980 verbleven Laura en ik een week in Tübingen, waar ik de hele tijd echt gelukkig was. We bezochten er de Hölderlin-toren, aan de Neckar, de rivier waar Hölderlin met zoveel liefde over schreef. Hölderlin verbleef in de toren gedurende de tweede, ‘donkere’ helft van zijn leven (van 1807 tot aan zijn dood op 7 juni 1843). We stonden natuurlijk, terwijl het zacht regende, aan het graf van de dichter en voeren met een bootje op de rivier, zoals de dichter wellicht zelf ook had gedaan. De toren die in Tübingen staat is niet meer de echte. Hij is in 1875 afgebrand. Nadien werd de toren en het aanpalende huis weer opgebouwd. Nu is het een literair-toeristische attractie. Kester Freriks heeft een vrij mooie roman geschreven, getiteld Hölderlins toren.

Het is alweer zo heet en ik heb nog altijd pijn, vooral aan de linkerkaak. Ik kan zeer moeilijk kauwen. De dokter veronderstelt dat ik te hard gegild heb, waardoor mijn kaakgewricht ontwricht is. Ik weet het niet. Het sleept wel lang aan. Die gekneusde ribben en die blauwe plekken, daar valt wel mee te leven. Maar die kaak… Ik bijt zo graag, vooral in de zachte hals van een vrouw.

19-07-06

VEEL ECHTER MOET BLIJVEN


(Een halssnoer van hölderlinwoorden. Voor wie het past. Enige nieuwe namaakparels erin verwerkt).



rijp zijn
in vuur ondergedompeld
gekookt zijn de vruchten
en ook is de aarde beproefd

een Wet waarin alles past
en elk ding weegt op de hand
ook op de heuvels de vlammen
donker blaffende honden
in overstelpende zomer

ook slangen leven van de hemel
van de aarde de vogels

veel moet blijven
een last op de schouders
en een juk verbrand
as in de aarde

vele wegen zijn wild
hoe zouden zij ergens heen kunnen leiden
hun vuurstenen en chaotische sporen
materia prima

helder afgetekend
in de vlakte waarboven het blauw immens
en moeder aardes groene wenkbrauw

op de veldwegen worden wilde paarden getemd
en de tamme wild-
gapend geleid naar het slachthuis

maar altijd in het ongebondene
gaat een begeerte

veel echter moet blijven
moet passen in het ene-al
ook op een feestdag
als niemand toekijkt

voorwaarts wagen wij ons
omkijken durven we niet

ons
wiegen laten we
als in wankel evenwicht
een kano op het water

...

en de tijd die alles

BOZE EN BOOSAARDIGE MENSEN


Omdat mijn bril gestolen werd door de hoofdstedelijke aasgieren moet ik gebruik maken van een oud exemplaar. Veel zie ik daar niet mee. In Italië zal ik er misschien wat artistieke foto’s mee kunnen maken. Niet met de bril, natuurlijk, maar je weet wat ik bedoel. De vertroebelde blik, het vermoeide oog, een acht jaar oude focus. ‘Mijn’ opticien gaat met vakantie en kan hoe dan ook op drie of vier drie dagen geen degelijke bril klaar hebben.
Ik wil alleen maar zeggen dat het wat moeilijk is om nu te schrijven. Het is natuurlijk ook zeer warm, ongeveer veertig graden in deze veredelde zolderkamer. Hot stuff… Ik kan eieren bakken op mijn boeken. Maar ik ben niet gek. Als er iets op de grond valt, een potlood bijvoorbeeld, laat ik het gewoon liggen. Koorts in het bloed. Vroeger was ik gek op de hitte, nu houd ik veel meer van de koude dagen. ‘Alaska’, zoals in het lied van Lou Reed. Ik denk trouwens dat ik wat in de war ben. Hoe heet het? Post-traumatische shock? Niets nieuws onder de zon, ik ben ten slotte 56 geworden en zoek geregeld het gevaar op. Ik vier feest en verlies mijn verstand, vergeet zelfs dat er slechte mensen bestaan.
Ik zou graag relaas uitbrengen van wat me overkomen is, maar dat gaat nog altijd niet goed. Het wordt trouwens een afgezaagd verhaal. Iedereen kent het al. Je krijgt een aantal rake klappen, er wordt wat tegen je geschopt; men wil zijn geweld kwijt, omdat men geen liefde heeft gekregen als kind, men laat je bloedend op het trottoir liggen, men maakt zich uit de voeten met het weinige dat je naar de stad hebt meegebracht. Heeft men wel al je zakken afgetast? Je loopt weg van die akelige plek, harder dan je ooit gelopen hebt. De adrenaline en endorfine doen hun werk, maar maken je nog kwetsbaarder. Een auto komt aangereden, vertraagt, stopt. Bezorgde mensen? Je hebt geen bril op, die is al lang gestolen of onder zware schoenzolen vermorzeld. Elke vreemde zou nu troost moeten bieden. Wat is er aan de hand, vragen ze. Een van de jonge mannen stapt uit. Een blonde, met een vriendelijke stem. Kunnen we je helpen, vraagt hij? Gaat het niet goed met je, vriend? De woorden zijn nog niet uitgesproken of hij heeft je ook al een flinke mep gegeven en vliegensvlug je broekzakken doorzocht naar bruikbaar materiaal, vooral geld, kredietkaarten, weet ik veel wat ze willen. Ze mogen alles hebben, het weinige dat ik nog heb, als ze me maar laten leven.
Ik denk aan mijn dode vrienden, Jos en Willy, die er zelf een eindpunt achter hebben gezet. Zij zijn aan deze algemene ontmenselijking ontsnapt. Hadden zij het voorvoeld? Zoals Hölderlin kort na de Franse revolutie en in 1970, na de omwentelingen van de jaren zestig, Syd Barrett? En zoals zovele anderen. Beroemden, naamlozen. Virginia Woolf, Cesare Pavese, Adrian Borland, Richard Manuel. De namen van de naamlozen ken ik niet.
Een aantal zinnen van Peter Sloterdijk uit ‘Het kristalpaleis’ kunnen deze pijnlijke gebeurtenis misschien in een bredere context plaatsen.

“De naïeve aanname van een potentiële openheid van allen voor allen wordt door de globalisering ad absurdum gevoerd. Integendeel, hoe meer de wereld in een netwerk verandert, hoe duidelijker de onvermijdelijke eindigheid van de belangstelling van mensen voor mensen wordt – er treedt alleen een morele accentverschuiving op, en wel in de richting van een steeds toenemende belastbaarheid ondanks verhevigende stress. Men moet er niet raar van opkijken als blijkt dat hoe meer de wereld in een netwerk gevangen raakt, hoe meer de symptomen van misantropie in aantal zullen groeien. Als mensenvrees een antwoord is op onwelkome nabuurschap, dan kan men op grond van de gedwongen nabuurschap-op-afstand van de meerderheid met de meerderheid een ongekende epidemie van misantropie voorspellen. Dat zal alleen diegenen verbazen die vergeten zijn dat de uitdrukkingen ‘buur’ en ‘vijand’ van oudsher nagenoeg synoniem waren. Tegen deze achtergrond krijgen begrippen als ‘beschaving’ en ‘wereldburgerschap’ een andere betekenis: ze verwijzen naar de horizon van misantropie onderdrukkende maatregelen.”

En ook dit nog:

“Om antropologisch te spreken: de homo sapiens heeft van alle levende wezens de breedste rug – hij heeft hem nodig om hem zijn medemensen toe te keren. In-de-wereld-zijn heeft altijd al de trekken gehad van een overweldigend wijd verspreid veronachtzamen-van-al-datgene-wat-niet-direct-opgenomen-kan-worden.”

Schitterend boek, overigens, dat kristalpaleis.

17-07-06

BRUSSEL IS EEN GEVAARLIJKE STAD

brussel,gevaar,misdaad,dieven,zinloos geweld,levenslust,boeven,valse vrienden,donkere terrassen,pooiers,bont en blauw,schoppen,taxi,politie,aasgieren,middernacht,middernacht van de ziel,ex-schoonbroer,dronkaards,zatlappen,gebroken ribben,ademnood,haat,geweld,frustratie,onverschilligheid

Brussel is een gevaarlijke stad. Je leest het in de krant, soms zie je het eens een keer op televisie. Je beleeft het al eens aan den lijve. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. Na middernacht, maar soms ook veel vroeger, komen naast de goede mensen die feest willen vieren en gelukkig zijn, de lage mensen buiten, de aasgieren zullen we maar zeggen. Voor 20 euro snijden ze een zwakke feestvierder de keel over. Je mag al zeer tevreden zijn als het ongedierte - een veel te mooi woord en beledigend voor het werkelijke ongedierte, maar ik vind geen alternatief - je alleen maar bont en blauw schopt. Je mag al zeer tevreden zijn als je levend en nog enigszins intact de nachtelijke Brusselse straten achter je kunt laten, de ruige kroegen, de donkere terrassen, het gejank van de ambulances, de ziekenhuizen, de geweldenaars met hun vuisten, stevige schoenen en messen, met hun dure auto's, de onverschilligen, de politiekantoren (met hun onbeschoft en zeer humaan personeel). Je mag al zeer tevreden zijn als je na een lange en bange taxirit troost kan vinden in de armen van je geliefde. 


Brussel is een gevaarlijke stad. Meer kan ik er op dit ogenblik niet over zeggen. Mijn vakantie is begonnen.

15-07-06

HERBEGINNEN

poezieavond,muziekdoos,pauze,stilstand,antwerpen,herman j  claeys,marc tiefenthal,bart van peer,kaatje wharton,lieve mensen,vrienden,foto,martin pulaski

Waar herbeginnen? Het is alsof ik na de poëzieavond in de Muziekdoos in Antwerpen ben stilgevallen. Ik heb het niet over writer’s block of iets dergelijks, want ik weet dat het allemaal terugkomt. Misschien heb je dat leeg gevoel, die tijdelijke stilte wel nodig. 

Hoewel ik het in café de Muziekdoos zeer naar mijn zin had, kan ik op dit ogenblik weinig kwijt over mijn eigen optreden en dat van de andere dichters (onder wie echte meesters in het vak). Wat ik ik nu wil doen, voor ik het nog zou vergeten, is iedereen die er bij was hartelijk bedanken. Natuurlijk Stichting Pipelines / De Muzeval die me uitnodigde, en in het bijzonder Herman J. Claeys, Marc Tiefenthal, Bart van Peer en Kaatje Wharton die me echt in de watten hebben gelegd. Lieve mensen! En natuurlijk mijn trouwe vrienden, zij die er bij waren en zij die er niet konden zijn. Ik wil meteen van de gelegenheid gebruik maken om Evy en Iris te bedanken voor hun interesse. Ze waren graag gekomen maar waren verhinderd. En Marc, die me moed insprak. Tot de volgende keer.

Foto: Martin Pulaski, door Agnes Anquinet

13-07-06

PERFORMANCE IN DE MUZIEKDOOS


M


Geen tijd voor nieuwe zaken vandaag. Syd Barretts dood neemt mijn gevoelens nog in beslag. De onzin die over de man werd en wordt geschreven! Op de voorpagina van het vodje dat Metro heet bijvoorbeeld.
Iets geheel anders is mijn optreden vanavond. Plankenkoorts, onzekerheid; twijfel of ik er wel goed aan doe nog eens in de ‘openbaarheid’ te komen. Voor iets nieuws is er geen tijd, geen geestelijke ruimte. Er is nochtans veel te zeggen, onder andere over die kleine polemiek naar aanleiding van mijn stukje over Slavoj Zizek. Maar niet nu.

Lezers van Hoochiekoochie die naar me willen komen luisteren: ik lees vanavond om 8 uuur voor uit ‘eigen werk’ in café de Muziekdoos, Verschansingstraat 63, in Antwerpen-Zuid. Een muziekdoos maakt normalerwijs muziek. Dat zal vanavond niet anders zijn.

Foto: Peter Lorre in M van Fritz Lang.

12-07-06

SYD BARRETT: WHEN I LIVE I DIE


Syd Barrett is dood. De echte plaatsvervanger van Hölderlin. ‘Gekke pauzen’ worden niet verkozen, ze verkiezen elkaar en zichzelf en wij herkennen hen meteen. Heiligen. Ik heb voldoende geschreven over Syd Barrett. De man heeft mijn leven veranderd zoals niemand tevoren en niemand sindsdien, tenzij misschien Bob Dylan (waar Syd de spot mee dreef). Hoe heeft hij mijn leven veranderd? The Piper At the Gates of Dawn, is het antwoord. Ja, ik heb genoeg gepraat en geschreven over Syd Barrett. Ik was vaak in zijn nabijheid, in zeer verschillende situaties en levensomstandigheden. “I really love you and I mean you”. Talloze zinnen en fragmenten, in dat mooie Syd-Engels, dringen zich aan me op, en maken me duidelijk dat ik niet nog meer onzin moet neerschrijven dan hijzelf al deed. “When I live I die”, een bijna willekeurige zin uit No Man’s Land (The Madcap Laughs). "The wind blows in tropical heat". Ik heb Syd Barretts teksten nooit willen lezen en zeker niet doorgronden. Zijn woorden, elk woord een afgrond, zijn ongeëvenaarde uitspraak ervan, volstonden. Hij was de eerste popzanger die uitgesproken, delicaat Engels zong, en niet een soort van ‘blues-Amerikaans’, wat in zijn tijd in Groot-Brittannië de gewoonte was. Niemand schreef songs zoals Syd Barrett, niemand bespeelde op zulke originele wijze de elektrische gitaar. Sprookjes, vuurwerkvonken, dromende subtiliteit, romantisch futurisme. Hybris en 'waanzin'. Een nieuwe plaatsvervanger heeft zich nog niet aangediend. Er is geen Olympische medaille aan deze discipline verbonden.

"Oh where are you now
pussy willow that smiled on this leaf?
When I was alone you promised the stone from your heart
my head kissed the ground
I was half the way down, treading the sand
please, please, lift a hand
I'm only a person whose armbands beat
on his hands, hang tall
won't you miss me?
Wouldn't you miss me at all?"

"I tattooed my brain all the way."

Goodbye Syd: my book is closed, I read no more.

11-07-06

VOOR EN NA DE REGEN 5

pop,popcultuur,vriendschap,blues,pannenhuis,pink floyd,garelli,bilzen,jazz bilzen,flower power,free jazz,poezie,slam,pillen,gin,heilig,woord,kussen,brugge,liefjes,ouders,antwerpen,piper at the gates of dawn

Opgedragen aan Syd Barrett, in memoriam.


5.

Henry zit weer achterop mijn gele Garelli, we rijden door Sledderlo om de show te stelen. Niets is gelukzaliger dan de wind in je haren, vooral als je net East West hebt gekocht voor honderd frank, & zo de Chicago blues hebt ontdekt. Met geschaafde ellebogen & handen - want natuurlijk zijn we gevallen met die brommer - moeten we nu naar Bilzen. Als we tenminste geen tetanus krijgen, zegt Henry's vader, die onze wonden grondig ontsmet. Bilzen, waar flower power, free jazz & orale poëzie de lucht verluchten, zoals in de middeleeuwen monniken met manuscripten deden. We drinken gin & slikken hoesttabletten. De kleine Johannes heeft een lief uit Holland. Ze legt me uit wat een knaak is. Eindelijk een heilig woord, denk ik, maar alleen uit haar mond, weet ik nu. Ook ontdekten we waarvoor scholen dienden. Om er in te breken, te roken, gin te drinken, op de tafels te slapen. & 's morgens het hoofd te verfrissen onder een kraantje in de toiletten.
Ik heb aan zee een heerlijk meisje leren kennen. Pauline blijft me drie lange dagen kussen. & dan zegt ze opeeens, jij past meer bij hààr, dat kotsende meisje daar, een schoonheid, die luistert naar de naam Claudia Chauchat. Terwijl Zager & Evans hun sentimentele science-fiction spuien neemt ze plaats op mijn schoot en vult mijn mond met haar zure tong tot ik bijna overga tot ontbinding, klaar voor Gods Laatste Oordeel. Daarna vervloekte Claudia mijn ziel, omdat ik 's avonds, als zij in een tapijtenwinkel moest werken Anny door de zee gezouten verhaaltjes vertelde. Anny's ouders, een bakker & zijn vrouw, wilden mij in een Brusselse gevangenis zien zitten. Dank je Anny, je hebt me niet verraden. Een altijd boze Claudia Chauchat klom een paar jaar later 's nachts uit het raam, om te gaan zuipen & zich aan mijn kameraden aan te bieden, maar ze viel, brak haar benen, en verdween uit het beeld. Claudia, alleen met jou sta ik op een foto met een stralend wit Levi's jasje aan.

Pink Floyd in 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen met Lucas & de kleine Johannes. Belletjes hangen klingelend op onze borst. We hebben veelkleurige zijden sjaaltjes van onze moeders aan & roze & rode fluwelen jassen. Als we slapen eten we margrieten & tulpen en overdag kussen we de zomerregen.


Epiloog.

Overal waar ik kom breng ik de geur van de scheepvaart met mij mee en laat ik een spoor van jullie liefde, waanzin & doodsverachting achter. Om mijn hoofd blijft het klinken van koebellen in Zwitserse weiden & waarom is dat? Omdat niets heiliger & eenzamer kan klinken, een geluid uit de eeuwigheid, dat de eeuwigheid afzweert. Dat eeuwigheidsgeluid - en nog veel meer - hoor ik ook in The Piper At the Gates At Dawn en in de twee echte solo-elpees van Syd Barrett. Hij heeft zijn 'toren' nu voorgoed verlaten, op jongere leeftijd dan 'Scardanelli'.

VOOR EN NA DE REGEN 4

pop,popcultuur,vriendschap,familie,stratego,mama,brieven,karmelietenstraat,gimme shelter,albert ayler,cowboy,maas,jimpy,hond,papa,doodgeschoten,bocholt,scheepvaart,schippers,albertkanaal,vrienden,rekem,vaders,hasselt,dood,ricky nelson,cinema,eden,bioscoop,kermis,rups

Opgedragen aan Syd Barret, in memoriam. 

4.

Kijk daar op het schip, jij, kleine jongen alleen in de mist boven de Schelde, de Maas & het Albertkanaal. De gevaarlijke Schelde die je neef tot zich nam. Twee maanden later werd hij gevonden, een opgezwollen, rottende ledenpop. Door palingen aangevreten. Die palingen aten wij dan weer op. Als mama ze bakte in de pan bleven ze kronkelen van genot. De voedselketen was gesloten. By and by Lord, by and by.
De Maas, omgeven door groene heuvels, wilde mij dichter, schilder doen worden. Maar de Maas kreeg mij niet klein: ik was een cowboy, een eenzame cowboy, ver weg van mijn huis, hier in Brussel. Toch had je een vriend, trouwe Jimpy. Wat had je toch lange oren. Maar nu niet te sentimenteel worden, jongen. Jimpy was de eerste kankerpatiënt in je leven. Papa heeft hem doodgeschoten in Bocholt. Ik werd al lang ziek van dat beest, met zijn zieke adem & zijn schor geblaf. Goed gedaan papa, wilde jager!

Tintin, Margarita & Melinda's vader was een rijkswachter, een zwaantje dat al voor zonsondergang te diep in het glas keek. Pierre's vader was een verpleger in het gesticht in Rekem, een gebouw dat we nu bewonderen vanwege zijn onvolprezen architectuur. Als hij 's avonds thuis kwam van z'n werk was in zijn blik iets van die gekken blijven haken. Trouwens, hij had zelf de geur van een zwetende zot. Pierre & ik speelden stratego tot we erbij neervielen. Ik was Napoleon XIV, hij was Napoleon Solo. They're coming to take me away, aha. De vader van Omer werkt in de grintwasserij in Neerharen. Omers moeder heeft een winkel. Vandaar die dozen Jacques chocolade (bananen), die mij een kijk op Claire's kuiten verbieden. Vaders. Die van de kleine Johannes een juwelier op de Botermarkt in Hasselt. Aan de wanden van de salon hangen foto's van stierenvechters. De broer van de kleine Johannes heb ik nooit horen spreken.

Conny is al langer dood dan Ricky Nelson. Hello Marylou, Goodbye Heart. Het enige meisje in onze klas, Conny, altijd op de eerste rij. "Meneer Pulaski zit weer te dromen", zei de Dog. Die man probeerde mij zeven uur per week te vermorzelen met zijn algebra & driehoeksmeting. Conny, ben jij opgegeten door de pieren, of vliegen je stofjes samen met die van Josse hier in het rond? M'n adem begint er van te piepen, van al dat verdomde, motherfucking stof.

Mama zat in Rekem, in een nieuw gesticht, glazen paviljoenen verborgen in het bos. In dat zeer morele concentratiekamp zat zij, lag zij haar laatste stripjes geheugen te verliezen, geen liefde meer op deze wereld. Geen liefde op enige andere wereld die zij had kunnen kennen. Rekem, het dorp van de kermis, de cinema tegenover het huis waar Aster & Lucia slapen en wakker worden. In de rups met Margarita, met Lucia, Hello Jim, luider dan ooit, She's About A Mover het lied waardoor onbewust in mij Mexico ontstaat. Vijf frank voor een ritje. Vijf frank voor een kus. "Martin, ik kan niet met je gaan. Ik hou van je maar ik heb al een ander. Later misschien." Dat schrijft me Lucia als ik van iedereen verlaten sta te kotsen in mijn kamer in de Karmelietenstraat. 's Morgens nog kickend op Gimme Shelter, om middernacht met mijn kop in de nageboorte van mijn euforie. Abstractie op de rode linoleumvloer. De dag erna belt Mijl aan, afgepeigerd van die negerinnen, zegt hij, met Albert Aylers New Grass onder zijn arm.

VOOR EN NA DE REGEN 3

 

syd barrett,pop,popcultuur,vriendschap,zuiden,rock n roll,schwerin,tongeren,bush,osama bin laden,bob dylan,julie driscoll,rostock,marokkaanse vriend,zeemanscafe,john fogerty,elvis,bad nauheim,hakenkruizen,concentratiekampen,dennenbomenlucht,limburg

Opgedragen aan Syd Barret, in memoriam.

3.

In de jaren tachtig voerden muziekgolven mij via omwegen naar het platteland in het Zuiden van de Verenigde Staten. Samen met Teddy Bear maakte ik de lange, imaginaire reis, die nu nog voortduurt. Wij kickten op Carl Perkins, Charlie Rich, Bobby Charles' Tennessee Blues en altijd opnieuw op Sin City van the Grievous Angel.

Bij Marco hoorde ik voor het eerst I Wonder If I Care As Much. We stapten een platenzaak binnen waar een elpee Van Mott The Hoople in het uitstalraam lag. At the Crossroads, Laugh At Me, alsof Dylan herboren was in onze straten. Wandelen in het Zoniënwoud, altijd zingend: I See A Bad Moon Rising, Syd Barrets The Gnome (“I want to tell you a story bout a little man”.) Vriendschap het hoogste goed.

In Rostock dragen Hoessein & ik een bak bier & glimlachen elkaar toe. Marokkaanse vriend, mag ik je mooie stem nog eens horen? Dans nog een keer met bleke Lena in dat zeemanscafé in Rostock. Ik zal toekijken met buikkrampen, van die Duitse worsten. Bij het slot van Schwerin valt de regen op de zwanen. "Geel rijmt op haar wispelturigheid, zoals anijs op ijskoud water."

En wat jij, John Fogerty, Amerikaanse zanger, met je door een Indiaanse god gezegende stem? Je weet het wel: het is blijven regenen. En het zal blijven regenen. When It Rains It Really Pours (“I got troubles, troubles, troubles: when it rains, it really pours”). En elke maand zal de maan ons met liefde en onheilspellende dromen verrassen. Ja, Sinister Purpose, maar de vriendschapstrein vertrekt toch ook weer uit zijn klein stationnetje 's morgens in de vroegte. Neem het bittere maar met het zoete, mister Fogerty, & doe de groeten aan Tom, je dode broer, als je bij hem op visite gaat.

Ook Elvis roep ik op. De ravenzwarte Elvis zingt opnieuw Bill Monroe’s Blue moon of Kentucky. (“Blue moon of Kentucky keep on shining”). Yes, sir! In Bad Nauheim croont hij voor de soldatenmeisjes die zich dan onder hun ganzenveren donsdekens betasten, daar waar het zo zacht is. In dat land waar kort tevoren hakenkruizen aan de dennenbomen groeiden. Mijn oude professor – maar hij niet alleen - had daar de geur van brandend vriendenvlees doorstaan. Elvis is bij me gekomen. "Are you sorry we drifted apart?" vraagt Elvis. "Yes," zeg ik, "You were my First real hero, you and Yuri Gagarin. We are so alone now…On our own in the deserted rooms." "I know what you mean," zegt Elvis. "Yes" zeg ik, "I stood at your grave in Memphis. At your real grave, I mean, the mighty Mississippi." "Aloha from Hawaii", mompelt hij nog. Of versta ik hem verkeerd?

Serge Groussard, kom hierheen, of vergat je dat je vier jaar lang de bossen met me deelde, ver van de ouders & pralines bij de koffie? Serge Groussard je zag mijn zweren groeien in de zuivere dennenbomenlucht. Mijn lippen, mijn tong blauw van de bosbessen, die we in het zweet ons aanschijns moesten plukken voor de zusters van onze smarten. Herinner je mijn Veronica Satory, naam van zijde en Demeters ogen. Ik zag dat ze vochtig werden als we elkaar vluchtig aanraakten op de schoolbank – juffrouw Bakkers was even een plasje gaan doen?

Dansen in de Chemin de Fer in Tongeren, Proud Mary (“Rolling, rolling on the river, Proud Mary keep on rolling…”). Elke zaterdag in de King & Queen met Josy, mijn hoofd verloren in haar blonde lokken. Verboden liefde, volgens haar ouders. Een langharige, ongewassen schipperszoon, & jij die apothekeres of laborante moest worden. Alle kleuren die ik kende vonden een weg naar je naam: Josy. Why Am I Treated So Bad, dat was Julie Driscoll, Aretha's blanke zusje. A Kind Of Love In, Dylan’s This Wheel's On Fire (“rolling down the road”).

Ja, een aanval van nostalgie als ouder wordende man. Sinds die kerels op de maan wandelden zijn er al veel mensen gestorven, veel ganzen, everzwijnen, mussen & kleinere dieren. Microben die ik met antibiotica om de hoek help, hebben jullie een ziel, het eeuwige leven? De twin towers zijn ook al foetsie. Twee grote kaarsen in rook opgegaan, dank zij de Allergrootste, de Heer die over alles waakt & ieders weg uitstippelt. Zegt president Bush, zegt Osama Bin Laden, zegden de zusters van onze smarten.

VOOR EN NA DE REGEN 2

syd barrett,pop,popcultuur,dansen,vrienden,school,provo,hasselt,londen,alken,guillaume bijl,jeugd,juke box,montaigne,sister ray,tongeren,pink floyd,velvet underground,beatles,skalden,swinging sixties,mick jagger,keith richards,droom,mei  68,mecca,kinks,jazz bilzen,bilzen,monique,antwerpen,jan,albert ayler,televisie,londerzeel,rome,junkies

Opgedragen aan Syd Barret, in memoriam. 

2.

Een nachtelijke ontmoeting in een huis in opbouw in Londerzeel. Malletje, Sarah (haar naam leer ik pas later kennen, de smaak van haar lippen). Negentienjarige zielsverwanten kickend op The Free.

Mijl in Londerzeel. "Ik ben de roadmanager van Jethro Tull" zegt hij & mag gratis binnen. Zijn Albert Ayler geeft hij me in ruil voor een dag Bed Peace met ex-miss België. Later voegt Rina zich aan Mijls zijde, mijn beste televisieavondvrienden. Bij jullie zag ik Wim Wenders, Rainer Werner Fassbinder, Van Kooten & De Bie. Waar ben je, Rina, zijn er nog sporen van je ziel, stofjes in de lucht die ik inadem? Wat is er met je boeken gebeurd? Met je geliefde Claire Goll? Ik mis je middernachtgesprekken, met letterlijke citaten uit interviews in de Humo - die ik zelf weigerde te lezen.

Marie liepen wij - ik was toen al een wij - jaren later in Rome tegen het lijf. Nee, mijn geheugen bedriegt me, ze fietste ons tegemoet op de Corso. Marie, die me aan Griet herinnert, Antwerpse junkie, en dan was er die andere uit de Middaglijnstraat in Schaarbeek, die in onze punkwoning in de Palfijnstraat onderdak vond & toch weer aan de spuit ging. Duchateau met zijn blikken doosjes. Met zijn pervitinepilletjes. Met – vele jaren later - zijn videocamera op onze huwelijksdag. Waar is die verdomde video, vriend? Ik wil zien wie wij waren in januari 1999 toen we innerlijk bruisend over de Anspachlaan liepen.

Ook Monique mag ik niet vergeten. Uit Alken. In mijn armen in Hasselt. In Blankenberge. Mijn eerste genotsvlees. Haar liefdesbrieven bewaar ik in een doos waar rode schoentjes in hebben gerust, die dansten op het ritme van the Slits, Clash en Television. Grijsgedraaide platen, brieven witgelezen

Paul V in Bilzen. Een Face, zoals ik. Een hele regenachtige middag speelde ik in zijn dichtbevolkte kelder ‘impromptus’ op de piano en zong de ziel uit mijn lijf. Bij The Small Faces in Diepenbeek kuste ik een Flower Power meisje. We waren twee uur lang lovers & ze dronk van mijn zakflesje Gordon’s Gin. Was ik niet zelf een Steve Marriott, een magere Tin Soldier, met lange haren & een hippe zonnebril, die ik in Maastricht had gekocht. Liefde op het eerste gezicht. Hoe heette je toch? Heb je nog altijd die modzonnebril van me? Denk je nog aan ons gekus als je de bril uit je oude prullendoos tevoorschijn haalt? Voor ons was de muziek het sacrale. Dylan's It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry, the Pink Floyds See Emily Play, the Pretty Things' Hey Rosalyn.

Op mijn eentje op het voordek van het ouderlijk schip. Bij het binnenvaren in het Straatsburgdok liet ik de beat weergalmen: Substitute, It's My Life (“and I do what I want”), I'm Free, All Day And All Of The Night. Of ik zat te lezen in het provoblaadje Lynx in café de Dolfijn in Maastricht, in café Skalden in Hasselt, Witch Doctor op de jukebox, Child Of The Moon. Kickend op Mick Jagger & Keith Richard, It's The Singer Not The Song, Got To Get Away. Een avond in juni, 1967, in the Mecca in Londen, dansend met de kleine Johannes en Lucas en de meisjes. Overal in de swinging London straten Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band en Are You Experienced?.

Mei 1968. Kicken op Let's Spend the Night Together, Matilda Mother & op mijn eigen experimenteel toneelstuk "De droom", waarin de in werkelijkheid voortdurend gepeste en verstoten Kikkeroog - zo werd hij genoemd, ik ben zijn voornaam vergeten - van het getreiter werd gered. Een catharsis zonder dat wij het wisten. Kickend in de kelder van het Atheneum op The Velvet Undergrounds Sister Ray, met Popov & Fiat de andere spitsbroeders. In "De droom" zaten zolang het stuk duurde drie kortgerokte meisjes zwijgend neer. Zitten, zwijgen en mooi zijn. Meer mocht niet van de prefect. Meisjes die samen met jongens repeteerden, dat was des duivels, vond de prefect. Korte rokjes en lange haren waren al schandalig genoeg.

Zo heb ik de draad toch weer te pakken: vriendschap is het allerhoogste, zoals ook Montaigne wist.

VOOR EN NA DE REGEN 1

sixties,meisjes,vrienden,vriendinnen,scheepvaart,flower power,pop,john fogerty,syd barrett,winkel,fietsen,dorp,jeugd,jeugdherinneringen,popcultuur

Opgedragen aan mijn jeugdvrienden & aan John Fogerty en Syd Barrett

Deze tekst over vriendschap en popcultuur - en het ontstaan van het ene uit het andere - verscheen hier al eerder - op 15 juni 2005 - maar er stonden te veel fouten in en de namen werden niet consequent gehanteerd. Mijn slordig gebruik van het ampersand behoud ik vrijwillig. Het is een speelse verwijzing naar de beat generation en naar de brieven en dagboeken van Virgina Woolf. Deze 'herneming' wijst niet op een gebrek aan inspiratie.

Waarin jeugd en volwassenheid aan bod komen en vooral de schakel tussen beide stadia, de vriendschap. Als de onschuld schuld wordt, dan blijft de vriendschap vanop een afstand toekijken, dan zijn vrienden engelbewaarders, zoals in Wim Wenders' Der Engel über Berlin. Als wij - ook al geloven we niet in god en zijn geboden - onze dagelijkse zonden begaan zorgen wij er gelijkertijd ook voor dat onze vrienden iets heiligs krijgen. Elke vriend is vrij van zonde; zeker is dat zo in de herinnering. Wat klinkt dit allemaal plechtig. Maar dit is een intentieverklaring. De plechtigheid wordt in de uitvoering van het plan vanzelf ondergraven. Wie zonder humor is werpe de eerste steen.


1.

Was dat het hoogtepunt van mijn leven? Hello Mary Lou stroomde uit de mini-transistor. Ik reed achter Marie-Louise aan, uit het dorp weg, op het zadel van mijn glitterende fiets de prijs die mijn vader me waard vond, hij met zijn tedere, beminnende ogen. Over de veldwegen, langs korenbloemen en klaprozen. De blauwe ogen van Marie-Louise, als zij stil blijft staan in de Dorpstraat en ik haar langzaam voorbij rijd, openen mijn ogen voor een nieuwe religie. Geur van vers asfalt hangt om mijn hoofd, scherp en zoet parfum van de toekomst. Wat ik in je zocht was mijn eigen rosebud, mijn graal, vera icona achter sluiers verborgen.

Weken later reed ik zij aan zij met Omer, een winkeljongen, en slagersdochter Claire. Nahijgend zaten we daarna op de canapé in de kamer. Achter het établissement, tussen kartonnen dozen vol chocolade van het merk Jacques - bananen vond ik het lekkerst - en unheimische parafernalia door Louise's broer meegebracht uit Belgisch Congo. De fijne haartjes op Claire's rechterarm deden de haartjes op mijn linkerarm rechtkomen. Maar ook haar geheim bleef onbereikbaar. Ik vond er slechts sporen van in het zingen in haar stem, in de manier waarop ze in haar reep chocolade beet.

Omer, Pierre, Tintin: de bende van James Bond. De bende van Illya Kuryakin, man van Uncle. Ik roep jullie, oudere kerels, op in mijn geteisterd en getreiterd hoofd. Ik wil jullie terstond zien. Ik wil jullie nog een allerlaatste keer voor de eerste keer laten horen: Jefferson Airplane's Share a little joke with the world outside.
De oude geest van middernacht maakt zijn entree. Jullie staan stil, alles bevriest, er is weer oeverloos tijd, zoals toen wij liftend door Duitsland in Stuttgart stil stonden, auto's, uren, minuten tellend. En zongen, altijd zongen:
Sweet hitchhiker.
Hitch hike baby.
Wish I was back on the bayou.
Wish I was a catfish swimmin' in the deep blue sea.
Gonna find me a cajun queen, down on the bayou in New Orleans.
Elkaar gerimpeld, met zweethandjes, begroeten. Schrikken van die met grijs bespatte hoofden, die nog met moeite glanzende spiegels van de ziel, die mondenvol berusting: Pierre, Omer, Tintin.

Ja, Marie-Louise, Claire. Ja, Margarita. Salut les Copains! Ja, Brigitte met het kapsel van Françoise Hardy. Margarita's zus Melinda is een lerares op wie ik echt verliefd ben. Zij ook op mij, zegt ze, maar ze is al verloofd, groot ongeluk is dat.
Op een zomermiddag in het zwembad in Rekem had Sylvia niets anders meer aan dan een bikini. Die avond in het clubhuis moest ik haar wel kussen en schreef ik een gedicht in assimilengels: Sylvia in the wood. Asters zus heet Lucia. Ze woont tegenover cinema Eden in Rekem. Kijk, daar lig ik met haar te dromen in het gras op de 'kip' tussen de zachte paarden die er zo gelukkig uitzien, wellicht omdat zij de hele wereld kunnen vergeten. Het echte leven, voor de langgerekte doodsstrijd.

Vissers vond ik vreemde mensen. Waar bijvoorbeeld haalden ze hun übermenschengeduld vandaan? Mijn eigen vader ging vissen in de kiezelputten. 's Avonds kwam hij thuis met snoek & karper die naar modder, naar petroleum smaakte. Marcel Maris woonde aan de rand van het Bos. In de tuin van z'n ouders stond dat clubhuis waar Sylvia werd gekust en in verzen gegoten. Van die visser werd gezegd dat hij dom was. Een boerenzoon, met goede ogen, dat was hij zeker.

Ook mijn liefste vriend Josse was een visser. Josse, jij klootzak, in rook opgegaan, zonder nog een woord tegen mij te zeggen. Ik liep met Laura op het strand van Cadiz en jij stortte je op de Leuvense straatstenen. Mika’s ritueel in de Cinderella: "Heb jij Josse nog gezien?" "Nee, ik heb hem niet gezien." "Waar zou hij zijn?" "Ik weet het niet, misschien in zijn stamcafé."

INTIMITEIT: DE PENIS VEROVERT HOLLYWOOD

penis,zizek,hanif kureishi,intimiteit,tegencultuur,hollywood,jane campion,meg ryan,themroc,sixties,blow job,eros,thanatos,kierkegaard,dood,tolerantie,porno

Als voorproefje op mijn bemoeienissen met Slavoj Zizek wil ik graag even iets citeren uit ‘Welkom in de woestijn van de werkelijkheid’. De filosoof gaat in op Hanif Kureishi’s ‘Intimacy’. Lange tijd was deze Britse schrijver, met zijn aparte en tolerante standpunten, mijn steun en toeverlaat. Vooral ‘The Buddha Of Suburbia’ en ‘The Black Book’ hebben mij zeer geboeid. De voorbije jaren is Kureishi, zoals veel tegencultuurmensen die in de jaren ’60 zijn opgegroeid, steeds meer zijn heil gaan zoeken in een magische en seksuele ruimte, weg van de wereld en de werkelijkheid. ‘Intimacy’ is daar een goed voorbeeld van: een man en een vrouw neuken elkaar keer op keer zonder dat ze elkaar kennen. Ze zoeken in elkaars lichaam de extase op, en die anonieme daad moet dan de revolutie voorstellen. Kureishi heeft zich daarmee ver verwijderd van de ‘dancing in the street’- ideologie en van de kleine, zwervende gemeenschappen die de wereld zouden veranderen. Vergelijk de film ‘Intimacy’ met ‘Themroc’ en je weet wat ik bedoel. In ‘Themroc’, een tegenculturele film, werden geen geslachtsorganen getoond, in ‘Intimacy’, een mainstreamfilm, wel. Dat laatste wordt overigens bon ton, zelfs in het nieuwe Hollywood. Nog deze avond zag ik de doorgaans brave Meg Ryan toekijken hoe een al even naamloze vrouw in het toilet van een nightclub een man een blowjob gaf, met een close up van de penis in erectie. Ik heb het over de commerciële film ‘In the Cut’ van Jane Campion. In de ‘dancing in the street’-ideology was een penis in een film op zijn minst een metafoor voor de bevrijding van Eros en een uitdaging van de gevestigde Thanatos-orde. Nu is dezelfde – of een andere, het aanhangsel van een doublure – penis een doodgewoon object in de snelcomsumptiegemeenschap. In dit verband, en meer bepaald naar aanleiding van ‘Intimacy’ schrijft Zizek het volgende:


“Zich terugtrekken in de privé-sfeer betekent vandaag de dag dat men de formules van een persoonlijke authenticiteit overneemt die de recente cultuurindustrie in omloop heeft gebracht – van het les nemen in geestelijke verlichting en het volgen van de laatste culturele en andersoortige modes, tot aan jogging en body-building. De uiteindelijke waarheid van de terugtrekking in de privé-sfeer is de publieke bekentenis van intieme geheimen in een tv-show. Tegenover dit soort privacy moeten we benadrukken dat het uitvinden van een nieuwe collectiviteit vandaag de enige manier is om uit de ketenen van ‘vervreemde’ verdinglijking te breken.”

Volgens Zizek, in het interview in Magazine Littéraire, leven we niet langer in een consumptiemaatschappij. Typische hedendaagse koopwaren zijn koffie zonder cafeïne, bier zonder alcohol en room zonder vetstoffen. Zizek ziet daarin angst voor het consumeren. De mensen willen wel, maar ze weigeren er de prijs voor te betalen. Hij vergelijkt dit in een snelle, maar terechte, gedachtesprong met de zogenaamde tolerantie. De tolerantie is in werkelijkheid intolerantie. Het subject vouwt zicht terug in zichzelf, wordt narcistisch; het bouwt zich op op de angst voor de nabijheid van de anderen. Hij verwijst daarbij naar Kierkegaards vraag en antwoord: “Wie is de naaste die men moet beminnen?”. “Degene die dood is.”

Zoals ik hierboven al aankondigde was dit een voorproefje.

10-07-06

MUIZENISSEN IN VERBAND MET SLAVOJ ZIZEK

zizek,jan temmerman,selectie,kick,antwerpen,voorlezen,poezie,uitstel,gedichten,voorbereiden

Jan Van Veen en ik. 

Ik beloof dat ik spoedig wat meer vertel over mijn lectuur van ‘Welkom in de woestijn van de werkelijkheid’ van Slavoj Zizek en over het gesprek met hem in Magazine Littéraire. Ik weet dat ik al vaker zulke dingen heb beloofd, en het dan niet heb gedaan (ik ben goed in iets niet kunnen afwerken of beëindigen), maar nu zal ik me aan mijn belofte houden. Eerst heb ik echter andere dingen aan mijn hoofd. Volgende donderdag 13 juli lees ik voor in de Muzeval in Antwerpen. Voorlezen heb ik al een hele tijd niet gedaan. Het is een uitdaging waar ik een heilige schrik voor heb. Zodra ik op het ‘podium’ sta valt die plankenkoorts gelukkig van me af. Het zijn vooral de dagen en uren die eraan voorafgaan die me parten spelen. Het voorlezen zelf geeft me meestal een kick. Nu moet ik teksten selecteren die thematisch en stilistisch enigszins samenhangen en dat is een hele klus. Niets is zo erg als je oude werk herlezen. Je weet dat jij het hebt geschreven, maar het is in heel veel opzichten niet meer van jou. Je bent iemand anders geworden. 

Na de ultieme selectie moet ik ze luidop leren lezen. Ik mag niet over de woorden struikelen, ik mag niet te veel zingen, ik mag niet mompelen, enzovoort. Wat mag ik eigenlijk wel? Zulke praktische beslommeringen zitten een kleine beschouwing, enkele woorden maar, over Zizek in de weg. Ik kan alvast zeggen dat hij een filosoof naar mijn hart is: hij is tegendraads en hij houdt van westerns – en van film in het algemeen – en heeft er boeiende en zinnige dingen over te zeggen. Dingen die je bij een Jan Temmerman nooit zult lezen. Maar wie is Jan Temmerman?

08-07-06

VERLANGEN

psychoanalyse,god,justine henin,zizek,freud,lacan,verlangen,gesprek,magazine litteraire

Vandaag las ik in Magazine Littéraire een interessant interview met Slavoj Zizek. Omdat het thema van de maand van het tijdschrift ‘het verlangen’ is, gaat het gesprek daar ook voornamelijk over. Zizek heeft een bijzonder originele kijk op de maatschappij waarin wij leven, die vaak als een ‘consumptiemaatschappij’ wordt aangeduid. Ook over Freud en Lacan heeft hij ongewone en vooral boeiende dingen te vertellen. De filosoof verwijst in het interview meermaals naar zijn boek ‘Welkom in de woestijn van de werkelijkheid’, een werk dat diepe indruk op me heeft gemaakt, en waarschijnlijk ook sporen heeft achtergelaten in mijn teksten. Ik ben nu echter te moe om mijn bedenkingen bij het gesprek nog neer te schrijven. Ik heb geen zin in gewauwel.


Er werd nochtans veel bij me wakker geschud, omdat het verlangen en de psychoanalyse thema’s zijn die me nauw aan het hart liggen (en niet alleen theoretisch) . We zijn echter maar splinters in de vinger van god, bij wijze van spreken. Waarmee ik wil zeggen – want ik geloof in geen enkele god - dat we niet sterker kunnen zijn dan we zijn en niet meer kunnen doen dan we doen. Ik denk in dit verband meteen aan Justine Henin, die vandaag alles heeft gegeven wat ze kon, maar toch het onderspit moest delven, omdat haar tegenstreefster sterker en, waarschijnlijk, minder moe was. Ik heb vol bewondering naar haar spel – en natuurlijk ook dat van Mauresmo – zitten kijken, of ze nu aan de winnende of aan de verliezende hand was.


Luister, ik kan vandaag het veld niet op. Morgen of maandag kom ik hier echter op terug. It seems like a mighty long time. Maar zo is het leven.

07-07-06

OP ZOEK NAAR DE VERLOREN TIJD?


Iedereen zal het al wel weten, maar gisteravond wist kennelijk niemand het: er konden geen berichten meer worden gepost. Ik deel dit even mee omdat de tekst hieronder, tot de nacht behoort. Het is bijvoorbeeld niet gebruikelijk dat mijn levensgezellin om 9.30 ’s uur morgens in bed ligt, wat lezers die het vorige niet weten zouden kunnen veronderstellen. Een andere zaak is dat ik geen pastis drink op mijn ‘nuchtere maag’. Ik drink zelfs geen pastis voor zonsondergang. Ik heb gisteravond tot ongeveer één uur verwoede pogingen gedaan om van die tekst een hoochiekoochietekst te maken. Het wilde niet lukken, ik raakte behoorlijk gefrusteerd, en uiteindelijk zeer boos vanwege de verloren tijd. Ten einde raad heb ik mijn computer afgesloten en ben ik op mijn bed gaan liggen, naast Laura, die inderdaad lekker lag te slapen. Het gevolg van die hele toestand is dat ik nu doodmoe ben. Maar hebben we dat niet over voor de kunst?

DE LUIE PASTISDRINKER


Misschien en zelfs waarschijnlijk leest niet iedereen de commentaarstukjes, en dan ben ik nog optimistisch. Want hoe belachelijk is deze eerste zin, met het woord ‘iedereen’ erin. Natuurlijk leest niet iedereen die commentaarstukjes! Ik besef maar al te vaak dat slechts weinigen zelfs maar de ‘echte’ body lezen, de tekst zelf, waar vaak hard aan gewerkt is, in de vrije tijd of tijdens gestolen kwartiertjes, en even vaak plezier aan beleefd (dat laatste vooral met het oog op potentiële, mooie vrouwelijke lezers, met zeker nu in de zomerdagen dunne niemendalletjes aan).

Om de niet-lezers van commentaren toch een tweede kans te geven – maar ook omdat het warm is en ik dan graag een paar glazen pastis drink en daardoor niet veel zin heb om veel te verrichten – herneem ik hier een commentaar (van mezelf, welteverstaan) op het vorige stuk, getiteld perversies. Wat nu volgt is dan een soort perversie in het kwadraat. Of een versie tot de zoveelste macht. Ik schrijf ‘zoveelste’ niet alleen uit luiheid, maar ook omdat macht nooit deel heeft uitgemaakt van mijn wereldbeeld. Met de macht kun je maar best de spot drijven. Nietzsche had daar andere ideeën over, maar ik ben Nietzsche niet. Ik neem bijvoorbeeld geen zweep mee als ik naar de vrouwen ga. Bovendien ga ik niet naar de vrouwen. Mijn vrouw zou dat niet waarderen, denk ik. Overigens noem ik mijn vrouw nooit mijn vrouw, maar mijn levensgezellin. Of Laura. Soms ook Daphne. Ze is een mooie vrouw, die nu vermoedelijk in de armen van Morpheus ligt, mijn onmiskenbare rivaal. Maar terzake. Wat schreef ik naar aanleiding van ‘perversies’?

De kilte – woorden over het ‘coole’ bestaan in tijden van oververhitting - ontsnapt aan mijn 'brein' per/versies van niet alleen uitgekozen maar ook toevallige thema's. Bouwstenen voor die op het eerste zicht chaotische woorden – perversies – zijn net zo goed alledaagse gebeurtenissen zoals het voetbal, de aankoop van boeken in de koopjesperiode (van de grondlegger Euripides, de hoerenloper Georges Simenon, de ‘mensenhater’ Thomas Bernhard, van Fernando Pessoa de liefdesbrieven), het lezen van een filosofisch werk van Peter Sloterdijk (Het kristalpaleis, over de 'ontdekkingsreizen' en de 'verovering van de globe', een boek mij geschonken ter gelegenheid van mijn zoveelste – nog een keer - verjaardag), het luisteren naar Coney Island Baby van Lou Reed, herinneringen aan een bezoek aan Coney Island in New York... Aan de wrede maand april had ik nog niet gedacht. Maar die maakt nu ook deel uit van de invoer. Het bloedgleufmes komt af en toe tevoorschijn in mijn teksten. Het heeft echt bestaan en misschien is dat nog steeds het geval. Het was een cadeau van een Deense zeeman aan mijn vader. Later werd het mijn bezit. Maar op een mooie zomerdag liet ik het onvrijwillig in een auto achter. Had ik iets kwaads in de zin gehad? Natuurlijk niet. De mensen die het onder de achterbank van hun auto hebben aangetroffen, zullen wel geschrokken zijn. Ik had het alleen maar bij om de moeder van mijn zoontje en mezelf in geval van nood te verdedigen. Het waren gevaarlijke dagen voor lifters. Geregeld werden vermoorde en verkrachte ‘hippies’ in het struikgewas teruggevonden. Dat schreven althans de kranten. Je kon maar beter je voorzorgen nemen. Nu weet ik wel beter. Ik bereid me nooit meer voor op onheil. We hebben dat niet in de hand. Je doet beter alsof je neus bloedt. Maar vandaar dat bloedgleufmes in die perversies. Of is het niet pervers dat brave mensen zullen geschrokken zijn van een wapen dat niet tegen hen gericht was, maar tegen boosaardige sujetten in mediaverhalen?

Over Bonnie Prince Billie en the Smiths zal ik het een ander keer moeten hebben. Ook aan verzen kom ik niet meer toe. Het wordt laat, de nacht is kort en morgen moet er hard worden gewerkt. Goodnight, sweet ladies and gentlemen.

04-07-06

PERVERSIES, UITGEKLEED



HG020080


Uit het Oosten is juli gekomen zonder geschenken. Hij dacht de globe en een vijftal bewoners te trotseren zonder. Boekenwijsheid zou moeten volstaan. In elk boek zat een zin verborgen, gesluierd als een Arabische furie. The glory of love. Maar die mensen lazen geen boeken. Laserstralen en het massaal aanbidden van Uitsluiters waren hun obsessies. Mannen met de stemmen van folteraars, maar het folteren dan wel beschouwd als vermaak. Zij – de vijf - verkochten er de rest van hun ziel voor. Hij had alleen maar Faust, en de oorsprong van Faust. Hij had Medea en de nakomelingen van Medea. Geschenken die niemand wilde. Giftig? Niet dat er tranen vielen. Hij dacht opeens terug aan Coney Island, het geringe van zichzelf dat hij daar had achtergelaten (hoeveel milligram?). Had dat kleine verlies de wereld veranderd? Nergens thuis zijn, zei hij, zoals een zeeman. De man die het bloedgleufmes aan zijn vader cadeau deed. Dat was het leven zoals het is. Echte geschenken. Wat heeft hij te geven? Juli, augustus, met hun aankondiging van de troosteloosheid en het snelle voorbijgaan. Ongeveer iedereen die feest viert voor niets in het bijzonder. De woeker van auto’s, machines, uitvindingen voor het einde van de tijd. Sneller naar het einde, ver over de grenzen van wat ooit leven en wereld werd genoemd. Maar treuren, neen, hij leefde nog in de tijd van de grenzen en van het verlangen. Nog had hij de treurmars niet geneuried en nog niet was hij tot de slotsom gekomen.