31-05-06

HET PLEZIER VAN DE PARADOX


Ik maak me niet echt zorgen over indelingen in hokjes, categorieën, types, soorten. Evenmin ben ik ongerust over opsommingen, lijsten, groepen, families, enzovoort. Met het vorige stuk, over categorieën en literatuur, wilde ik alleen maar de kwestie van de grens ter sprake brengen. Wat is dit en wat is dat? Waarom delen we de wereld zo graag in? Wat zit daar achter? Heeft dat met ons verlangen naar kennis te maken? Of met iets onduidelijkers?

Wat ik even goed wilde doen was mij beschermen tegen de literatuur en de poëzie. Ik heb mij ten overstaan van die ‘wereld’ altijd afzijdig gehouden, omdat hij me te levenloos leek. Levenloosheid is een zonde, heb ik toen ik nog jong was, bij Bob Dylan gehoord. Bob Dylan is trouwens een mooi voorbeeld van literatuur die geen literatuur is en muziek die geen muziek is, maar iets anders, iets ondefinieerbaars, iets dat altijd ontsnapt aan onze indelingen en categorieën. Niet dat ik mij met Bob Dylan wil vergelijken, maar ik heb hem altijd bewonderd, en dat zal wel zijn sporen getrokken hebben. Als ik samen ben met mijn vrienden spreken wij niet over het weer, maar over Bob Dylan, altijd over Bob Dylan. Er is geen ontkomen aan, een raadsel, een mysterie…

Ik ben niet bang om niet te worden gevonden of ontdekt. Als ik had willen worden gevonden dan had ik een bedrijfje opgericht of een vzw met als missie mij onder de aandacht brengen. Ik heb geen bedrijfje opgericht. Ik hoor nergens bij, ik hoor nergens thuis. “I’m a stranger in my own home town”. Het is een paradoxale situatie, want ik verlang er natuurlijk wel naar om ergens thuis te kunnen komen. Ik verlang er ook naar om ergens bij te horen, ‘to be one of the boys’. Alleen weet ik niet wie die ‘boys’ zouden kunnen zijn (of ‘girls’). Ik heb het nogal vaak over zielsverwanten, maar zijn zielsverwanten geen illusie? Moet je als puntje bij paaltje komt de wereld niet moederziel alleen trotseren, met de taal als je wapen, ook al wil je de vrede verkondigen? De taal als je spel. De taal als een mogelijkheid om tot de taal toe te treden. Is het niet de taal die je moet troosten? Of zijn het de handen van je geliefde?

Ik wil me niet afzonderen. Ik wil weten wie ik ben. Nog niet zolang geleden heb ik me een keer geïdentificeerd met de bloggers. “Wij bloggers” heb ik geschreven. Dat meende ik natuurlijk ook. Ik geloof dat ik niet kan liegen. Maar dat weet ik niet zeker. Die identificatie was gemeend, maar na zulke momenten van identificatie komt er altijd het afstand scheppen. Je kunt niet samenvallen met datgene waarover je nadenkt of met degene met wie je praat, hoewel Virginia Woolf schreef “we melt into each other with phrases…” Die woorden van Virginia Woolf kloppen ook wel, alleen is dat met elkaar versmelten van korte duur. Alle lust wil diepe, diepe eeuwigheid, maar slechts enkele ogenblikken zijn ons gegund.

Toch wil ik niet zeggen dat ik helemaal onvindbaar wil zijn. Door hier tevoorschijn te treden vraag ik aandacht. Ja, natuurlijk, ik krijg graag aandacht. Ik zal wel een narcist zijn. Als niemand een spoor achterlaat bij mijn teksten overvalt me soms een gevoel van diepe droefheid of voel ik me nutteloos en overbodig. Ik krijg graag reacties en commentaar. Jullie geven me moed om door te gaan, zijwegen in te slaan, mezelf in de spiegel te bekijken, een Narcissus die zichzelf heruitvindt, jullie inspireren me en maken me soms boos. Het gesprek in al zijn vormen is de adem van het leven.

Veel plezier vloeit voort uit de tekst. Het plezier van de tekst van de andere. Het plezier in de tekst. Het plezier van de echo van je ‘eigen’ tekst. Het plezier van de echo van de tekst van de andere in je ‘eigen’ tekst. Het plezier van het citeren en het zich toe-eigenen van de tekst van de andere. Het spelen met het vuur van de woorden. Het strelen van woorden, het stelen van woorden. In zekere zin. In een bepaald opzicht.

IN WELKE CATEGORIE HOOR IK THUIS?



Ik heb het een beetje lastig met de blogcategorieën van skynet. Hoochiekoochie is ingedeeld bij de literaire weblogs. Maar wat hier staat is geen ‘literatuur’. Het is iets anders. Deze woorden overschrijden de grenzen van categorieën en classificaties. Literatuur is vaak vervalsing, verschoning, verfraaiing. De schone letteren maken het leven aangenamer, gezelliger, leuker. In een hoekje met een boekje. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, zoals Fernando Pessoa, Michel Houellebecq (van wie ik niet houd), Lewis Carroll (een genie), August Strindberg, Antonin Artaud, Geerten Meysing, enzovoort. Maar doorgaans heeft een literator niet de intentie het leven te veranderen. Hij schrijft en schrapt en verbloemt. Dat mag allemaal. Ik ben niet van mening dat schrijvers moeten worden opgesloten of verbannen. Wat ik eigenlijk wil zeggen is dat wat ik hier schrijf geen literatuur is, of vaak geen literatuur is. Wat is het dan wel? Dat weet ik niet. Maar je zou mijn ‘boodschappen’ veel namen kunnen geven. ‘Ik’ hoor onder veel categorieën thuis. Of, beter nog, onder geen enkele. ‘Ik’ ben echter alleen maar terug te vinden onder ‘literatuur/poëzie’, terwijl sommige van mijn teksten eerder filosofisch zijn. Heel vaak geef ik mijn mening over films, muziek, het weer, mijn lichamelijk toestand. Ik schrijf over liefde, steden, reizen, kunst, het gevoelsleven, utopieën, en vele andere dingen. Mijn teksten vormen een autobiografie, een ‘onderzoekend’ dagboek. Waar hoor ik dan thuis? Waar zou ik moeten worden aangetroffen?

30-05-06

HET OFFER

horror,broers,dronkaard,bijbel,cain,abel,vlees,vuur,letters

De man voedde de jonge kersenbomen met het bloed van zijn zo- en zoveel drinkende broer. In de dagen van augustus verbrandde hij de nu ouder wordende bomen met wortel en tak in zijn braakliggende, zonovergoten tuin. Het lichaam van zijn broer had hij al in stukken gehakt, zijn ledematen, zijn rode, dronken hoofd, zo vaak als eens zijn schip zwalpend. “Ben ik mijn broeders hoeder?”, mompelde hij. Hij wierp de brokken vlees, die niets meer betekenden, tussen het brandende hout van de stammen en de takken.


Vroeg in de ochtend stopte hij het geblakerde vlees in een Adidastas. Stinkende hompen en lompen, een afgedragen leren jas, een paar uitgelopen schoenen. In de ingewanden van de bloedverwant brandde een onbekend zuur. Hij was zich bewust van zijn onvermogen, van zijn schrijnend gebrek aan woorden. Aan zijn armen bespeurde hij zijn overbodige handen, die enkele zwarte twijgjes omklemden. Uit zijn ogen was de wereld verdwenen. Nu gaf hij de laatste letters van zijn alfabet prijs aan de zwarte hemel. Letters stricto senso waren het niet, wat hij afstond waren niet meer dan wat schrille klanken.

Opgedragen aan Andrej Tarkovski.
Afbeelding: uit de film East Of Eden.

29-05-06

THUISKOMST II

film,john ford,lied,the searchers,wachten

Dit beeld uit John Fords film 'The Searchers' hoort bij de tekst hieronder (thuiskomst). Een vrouw wacht op de thuiskomst van haar geliefde, een soldaat. Een huisvriend troost haar met een vrolijk lied.

THUISKOMST

                                                                                                                                                          

agnes, johny and corine in cap gris nez, france


In een al wat oudere tekst van mijn oude en goede vriend Johny Lenaerts (op de website http://www.yabasta.be/), las ik over de afname van de communicatie, van de ontmoeting. Wij zouden met zijn allen veel te veel televisie kijken en ons gezellig opsluiten in onze woonkamers, lekker bij de flikkerende beelden van soaps en reality shows. Cocooning, heet dat. Er zouden mede daardoor veel te weinig ontmoetingsplaatsen zijn. Dat zal wel waar zijn, maar geldt ongetwijfeld niet voor iedereen. Een eerste opmerking die ik daarbij wil plaatsen is dat afzondering vaak onder dwang gebeurt. Innerlijke dwang, sociale dwang, psychologische dwang, enzovoort. Ik zit veel thuis omdat ik niet anders kan. Buiten is heel vaak nergens. Ontmoetingsplaatsen zijn er in overvloed. Brussel, Gent en Antwerpen krioelen van de cafés, waar je vaak lang moet wachten op een ‘vrije’ stoel. Mogelijkheid tot ontmoeting is er zeker wel voldoende. Maar welke projecten hebben al die mensen die elkaar ontmoeten? Ik weet het niet. Ik voel me onder hen niet thuis. Of zoals Bob Dylan zei: ‘a house is not a home’. Als ik me in een ‘ontmoetingsplaats’ bevind, met name in een café, kan ik twee dingen doen: ofwel me bedrinken (en na verloop van tijd gaan denken dat ik een soort van Malcolm Lowry ben, of Guy Debord), ofwel me niet bedrinken en zo spoedig mogelijk weer naar huis gaan. Als ik niet drink in een café ben ik er alleen. Als ik wel drink ben ik ook alleen maar leef ik even in de illusie dat er diepe contacten zijn met verwante zielen.

Thuis echter is er de zelfwerkzaamheid, de communicatie via nieuwe sociale groepen (zoals die van de bloggers, en ook wel die van flickr); thuis luister je naar muziek, je bespeelt een instrument, zingt als je er zin in hebt, drinkt of drinkt niet, thuis kijk je naar films, niet zomaar naar het eerste het beste shitprogramma op het eerste het beste shitkanaal. Daarom denk ik dat het onderscheid tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ nogal artificieel is. Ik weet dat de dialoog noodzakelijk is en dat je alleen jezelf kunt zijn (of worden) door communicatie met de anderen. Maar er worden voortdurend andere, nieuwe vormen van ontmoeting bedacht. Ik denk dat op die manier het kapitalisme zichzelf ondermijnt. Natuurlijk moeten wij niet passief zitten toekijken op die nieuwe vormen, maar moeten wij ze ons toe-eigenen. Ik neem aan dat we daar volop mee bezig zijn, thuis en op andere plaatsen. Het heeft geen zin het ene tegenover het andere te plaatsen. Thuis zijn, thuis komen, is fundamenteel voor de menselijke existentie. Johny Lenaerts verwijst in zijn artikel naar Leopold Flam, van wie we beiden heel veel hebben geleerd. Ik wil dat ook graag even doen in dit verband: Leopold Flam had het namelijk vaak over ‘het huis van de wereld’. Zonder een thuis kan de wereld onmogelijk ons huis zijn. We voelen ons dan vreemden op deze planeet. De eenzame Johnny Guitar, die zegt: ‘I’m a stranger here myself’. We vluchten dan weg in de religie van Born Again Christians en andere sekten en zingen (gemeend) liederen in de trant van ‘this world is not my home’ of we zoeken ons (on)heil in het nihilisme van Baudelaire (die overigens meestal in hotelkamers woonde) met zijn ‘anywhere out of the world.’ Het belangrijkste is dat iedereen naar huis gaat, en weet dat hij thuiskomt. Dat geldt nog het meest van al voor alle soldaten die nu ergens oorlog voeren zonder goed te weten waarom, zonder een doel voor ogen. All the soldiers must go home.

Foto: Martin Pulaski, met mijn vrienden in Cap Griz Nez

26-05-06

DESMOND DEKKER, ALTIJD JONG

 

desmond dekker,dood,in memoriam,vk,live,007,israelites,molenbeek,pop,reggae,ska,popcultuur


Desmond Dekker is op 64-jarige leeftijd gestorven. Een paar jaar geleden zag ik hem nog optreden in de VK hier in Brussel. Eén en al vitaliteit en overgave. Van niet eens zo ver zag hij er nog uit als een teenager, in zijn leren lekker, James Dean-stijl. Hij scheen ook evenveel energie te hebben als een teenager, alsof de tijd op hem geen vat had gehad. Desmond Dekker was geen ‘echte’ held van me, ik ben namelijk geen volbloed reggaeliefhebber, maar zoals velen kick ik nog altijd op ‘007’, ‘Israelites’ en ‘It Mek’.’ Ik herinner me dat ‘Israelites’ op een schitterende manier werd gebruikt in de film ‘Drugstore Cowboy’ van Gus Van Sant. Ik herinner me ook dat dat concert in Molenbeek bijzonder vrolijk was, en dat ik daar meer dan een uur als een jonge hond heb staan dansen. Dank je voor die momenten van zorgeloosheid en vreugde, Desmond.

25-05-06

MARK E. SMITH EN HET GEHEUGEN

the fall,mark e  smith,country,pop,paris texas,nietzsche,woestijn,stem,william burroughs,velvet underground,spoken,vader,tantes,zelfmoord,wim wenders,film,ibsen,limburg,zingen,moeder,muziek,radio,familie,ziektes

Ik hoor nu, na bijna dertig verloren jaren in cafés, dancings, restaurants en ministeries, opnieuw ‘No Xmas voor John Quays’ van The Fall. Ik dacht dat deze harde, monotone muziek me na zoveel tijd (waarin ‘country noir’, Lambchop, Bach, John Coltrane en altijd weer Bob Dylan, zelfs in de metro na een concert van Neko Case, zich aan me voordeden) zou tegenvallen, maar dat is helemaal niet het geval. Deze bepaalde song klinkt zelfs beter dan alles wat ik nu op de popradio hoor. Ik volg Mark E. Smith niet meer, hij brengt te veel platen uit en ik heb het geld niet om die allemaal te kopen (en niet de tijd om ernaar te luisteren). Ik wens hem wel veel geluk en een goede gezondheid. Want hij ziet er niet goed uit op foto’s die ik zo nu en dan in popmuziektijdschriften bekijk. Mark E. Smith spreekt Xmas uit als EXmas. Dat is mooi, vanwege zijn stem, vanwege zijn frasering, en vanwege het feit dat niemand het in 1979 in zijn hoofd zou hebben gehaald om dat te doen. En hij zingt, met veel overtuiging,: “there is some christmas for junkies”. Had William Burroughs, de Wilhelm Tell van de 20ste eeuw het beter kunnen verwoorden? Als the Velvet Underground niet the Velvet Underground was geweest, was the Fall the Velvet Underground geweest. Bij wijze van spreken.


Wat je vergeet is wat aan je deur komt kloppen. De ‘spoken’ van Ibsen. Het niet-bestaande verdringt de realiteit van je dagelijks leven. Het niet-bestaande en het niet-uitgesprokene komen in je bewustzijn spoken en doorboren de woorden die je uitspreekt of niet uitspreekt. De taal is er niet voor jou. Er is een taal en er zijn de woorden die jij toevallig vindt en in zinnen combineert. Zingend of niet zingend. Je voorouders van vaderskant waren Limburgers, arme boeren. Rijk had je kunnen worden via je moeder, maar dat was een aftakelende familie, met je twee tantes en een oom die respectievelijk zelfmoord pleegden, gek werden en op jonge leeftijd van een hartziekte stierven. Je moeder werd eenennegentig, in armoede. Geld was er niet meer. Niet dat je er in geïnteresseerd was. In de jaren tachtig waren er ten minste twee soorten mensen: dansende gekken (inclusief beginnende kunstenaars) en door geld geobsedeerde normalen. Die werden yuppies genoemd. Jij hoorde bij de eerst soort. Maar maakt het uit? Inmiddels is iedereen van die generatie een gekke dansende normale yuppie of iets dergelijks. En iedereen zit met die spoken in zijn hoofd. Zoals John Wayne in ‘The Searchers’. John Ford heeft dat personage met een immense geschiedenis opgeladen. Geen wonder dat hij uiteindelijk opnieuw de woestijn intrekt. En dat hij er weer uitkomt als Harry Dean Stanton in Paris, Texas. Wim Wenders heeft dat zeer goed gezien. My generation. Your generation?

Maar in de woestijn verdwijnen, zoals Nietzsche in zekere zin wilde? Ik denk dat het echt belangrijk is dat je blijft schrijven. Misschien moet je een gulden middenweg proberen te vinden. Het is niet gemakkelijk, ik weet het. Maar toch komt het daar op neer, al was het maar om gezond te blijven: doorgaan met schrijven. Natuurlijk is er het andere werk, we moeten overleven en voor de anderen zorgen, en voor onze eigen gezondheid. Die mogen we niet ondermijnen.

Je herkennen in anderen, in schrijvers, in kunstenaars, in plukvogels allerhande, dat is toch een uitzonderlijke en zeer verheugende ervaring.Je kunt niets onthullen over je teksten. Dan zou je heel lang moeten nadenken, jezelf analyseren en dat kun je niet. Vaak vertrek je van een begrip, of van enkele woorden. Soms zijn het droombeelden, droomflarden, een beetje buñuelesk misschien, of fantasieën, waarmee je de realiteit probeert te doordringen. Alsof je in je eigen vel snijdt. Alsof je een borderline geval bent. Een lichaam zonder organen. Deleuze en Guattairi? Al lang dood. Je kent dat wel. En dan werk je daarop verder, meestal door associatie. Je schrijft dat dan snel neer, en dan probeer je het te ordenen, visueel, ritmisch, je vervangt woorden door andere. Dat is belangrijk, omdat het je enige vrijheid is tegenover de taal. Jouw taal, de taal van de anderen.
In een bepaald gedicht had je eerst het woord ‘urinekelder’ geschreven of gesproken, daarna maakte je er ‘schimmelkelder’ van en uiteindelijk heb je er opnieuw ‘urinekelder’ van gemaakt. Je vond geen beter woord in de taal. Het was iets uit het verleden, waarschijnlijk, dat in je hoofd kwam spoken. Zoals de naam ‘Wiliam Wilson’. Dat is de naam die je had willen gebruiken om, toen je een jongen was, je brieven te ondertekenen, om op je identiteitskaart te zetten, als potentiële moordenaar. Als ‘Rebel Without A Cause’. (Ik denk dat Wim Wenders geen nederlandstalige weblogs leest, maar ik wil hem toch bedanken voor alle nieuwe inzichten die hij me destijds heeft gegeven in het werk van Nicholas Ray, een grootse filmregisseur, van wie het werk door de Hollywoodbrigade vaak verknoeid is door het in stukjes te snijden en als sentiment te verkopen aan het publiek, aan ons.)

The Fall dacht dat allemaal te kunnen veranderen met songs als Rebellious Jukebox, en misschien heeft de groep dat ook wel gedaan. Alleen, heel zeker, niet in Hollywood.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan Mark E. Smith, aan zijn scherpe stem, een rappende pen.

24-05-06

LOF VOOR EIGENZINNIGHEID



In de Standaard las ik een intelligente, jubelende bespreking van het optreden van Neko Case in de Botanique vorige zondag. Het artikel van Peter Vantyghem is een hart onder de riem voor allen die van eigenzinnige kunstenaars houden, van mannen en vrouwen die hun eigen weg gaan en (daardoor) weinig bijval vinden bij het grote publiek en in de massamedia, wat voor deze outsiders wellicht een geluk is. Bedankt, Peter Vantyghem. Ik wil je graag even citeren:

“Ze is ook nog maar in kleine kring bekend. Country geniet in Vlaanderen sowieso weinig bijval en Case pakt die Amerikaanse traditie ook nog zo eigenzinnig aan, dat ze algauw voer voor fijnproevers wordt.”

“Dat ze zou eindigen met ,,Hold on, hold on'', de meest autobiografische song die ze ooit schreef, was te voorzien. Het is een van de beste songs die dit jaar al verschenen, een klein wonder van harmonie en sfeer, gezegend met een mysterieuze tekst over het gevecht tussen moraal en de demonen in jezelf.”

“Neko Case is een van de boeiendste Amerikaanse artiesten van het moment, zonder twijfel een groeier. Nu ze op een groter label (Anti) zit, is het tijd dat ze ook in Europa bekender wordt.”

Ik denk dat dit de eerste keer is dat ik de Vlaamse pers citeer. Maar ik kon er niet aan weerstaan. Het enige wat ik mij afvraag is waarom er geen woord af kon voor Catherine Irwin, nochtans ook een meer dan middelmatige ‘country noir’ zangeres. Ik vind ‘country noir’ overigens een uitstekende omschrijving voor dit genre. En het besef dat je als 'fijnproever' niet alleen staat geeft een bijzonder aangenaam gevoel. Mijn dag kan niet meer stuk, maar dat zeer terzijde gezegd.

23-05-06

DE OUDE MAN EN DE DOOD



Met zijn allen willen ze zijn dood, met bier en stront zullen ze hem opvullen (als was het stro). Het zit hem tot daar. Een oude man die moet sterven. Zie je hem zijn tuin bevochtigen met een druppelteller? Vooral de paarse tulpen krijgen extra veel aandacht. Zie je hem om vijf uur 's middags razen tegen het razende verkeer?

Nooit liep hij iemand in de weg. Hij had het beste voor met jan en alleman. Hij probeerde het goede te doen. Dat zegt hij keer op keer. Maar wie luistert naar de oude, verbitterde heer?

Een gesprekstherapie dan maar? Een zachtaardige vrouw die hem zou begrijpen? De oude man gelooft er allemaal niet meer in. Dat ze naar de kloten lopen, verdomde oplichters.

Om zes uur staat hij op de hoek van zijn straat om zich wat te laten beledigen. Rampzalige, sukkelaar, hij kan niet eens praten over het weer.

Het maakt allemaal niets uit voor de man die ze willen opvullen met bier en stront. Wat heeft dit leven voor zin? Hij kan even goed dood. Zijn hele bestaan speelde hij voor idioot. Had hij niet veel beter van het leven geprofiteerd? Een idioot is hij, die zich altijd heeft laten gebruiken. Pispaal van de dommekloten. Ja hij is beter dood. Maar hij moet wel voor ogen houden dat nogal wat mensen tevreden zouden zijn. Dan hebben ze weer iets om over te praten.

De stad gonst van het elektrische leven en daar zit hij met zijn ziel blauw van verdriet, alleen met een kloppend hart en vier muren. Niemand zal hem begraven in de woestijn. Hij is niet geobsedeerd door de dood. Hij is geobsedeerd door niets. Het geluk is voor hem weggelegd.

Ik wil dit stukje graag opdragen aan de nagedachtenis van Louis Paul Boon. Boon was ook nogal eens een donker boontje.

22-05-06

VERLIEFD OP NEKO CASE

pop,popcultuur,botanique,live,concert,neko case,catherine irwin,oekraiene,james ellroy

Neko Case

Gisteren dat concert van Neko Case & Her Boyfriends. Of hoe heet haar band? Want die schijnt nogal eens van naam te veranderen. Wat kan ik nog schrijven zonder op een teenager te zullen lijken? Ik denk dat ik voor een keer eens aan écriture automatique ga doen. Hold on to that teenage feeling… Impressies, associaties, dingen die in mijn hoofd zitten, feiten, verzinsels… Ik ben alleen al een bewonderaar van Neko Case omdat ze een heel mooie cover opnam van The Train From Kansas City van the Shangri Las. Minder goed dan de originele versie, maar beter dan die meisjes het deden is niet mogelijk: de Shangri Las waren het hoogtepunt van de meisjespopmuziek, ‘the leaders of the pack’. Neko Case werd in 1970 geboren in Alexandria. Misschien is het daardoor dat haar teksten zo literair zijn? Het is alvast geen bakvissenpoëzie in de ‘stijl’ van Avril Lavigne, Robbie Williams & Serge Simonart. Neko Case stamt af van een oud Oekraïens geslacht. Dat waren daar allemaal nihilisten in de negentiende eeuw. Er was daar in die jaren niets te doen. Daarom trokken vele Oekraïeners naar Canada en de wouden van Oregon, op zoek naar goud en pelsdieren. In zekere zin kan het nog altijd. Lees er TC Boyle maar op na. Niet dat die afkomst, dat ‘eigen volk’, veel uitmaakt. Of toch wel? Kennelijk heeft de zangeres voor de teksten van haar jongste cd, Fox Confessor Brings the Flood, inspiratie gezocht in de geschiedenis van haar voorouders, in verhalen, mythen en sagen uit Oekraïne. Daarmee is nogmaals bewezen dat countrymuziek niet zuiver op de graat is. Het is een hybride volksmuziekvorm, de invloeden komen van overal waar je reizen kan. Alexandria ligt in Virginia. België in Congo, Vlaanderen in Oost- en West-Vlaanderen.

Neko Case zag er gisteren uit als een vermoeide vos, niet meer in staat tot streken. Nogmaals een vermoeide zangeres! Ja, ook weer zulk uitgeput meisje, net als Bettye Lavette een week of zo geleden. Wat is dat toch met die vrouwen van tegenwoordig, jong en oud? Overigens is zondag niet de beste dag om naar een rockconcert te gaan. Zelf zit je al met ‘maandag op het werk’ in je hoofd en de muzikanten gaan onder hun kater of hun cold turkey gebukt en zijn verward en humeurig. Dat was nu niet anders dan toen ik ooit Television in de Botanique zag spelen. Tom Verlaine, een groots gitarist, was die avond bovendien zeer boos omdat een of andere klootzak zijn gitaar had gestolen. In die tijd werden trouwens geregeld wat oudere mannen vermoord tussen de struiken en plantjes van de Botanique. Ik had die avond een kater van hier tot in Antwerpen. Om vijf uur ’s ochtends had ik nog op de foor rondgehangen, tussen immense roze beren en miereneters. En toch niet vermoord. Some guys have all the luck.

Neko Case is een Oekraïense schone, of heb ik dat al geschreven, met haar dikke rode haren en doordringende oogopslag. Soms kijkt ze je echt brutaal in de ogen. Ik zag haar ook een jaloerse blik werpen op mijn Bettye Lavette T-shirt. Ze is sexy, zonder dat ze daar veel inspanningen voor doet. Ze had geen make-up op. Ze droeg een heel gewone, maar toch stijlvolle jeans en een Fleetwood Mac niemendalletje van een T-shirt aan. Ze had niets te vertellen. Ze zong. Eerst was dat gewoon zingen, geleidelijk aan werd het hart en ziel. (Dit lijkt wel wat op de stijl van James Ellroy, geloof ik. Of heb ik weer teveel bourbon gedronken? Die man begint elke zin met hetzelfde woord. Die man is een schrijven. Die man kan schrijven. Die man verdient veel geld.)

Haar tweede cd Furnace Room Lullaby, uit 2000 kreeg lovende kritieken in de ‘muziektijdschriften.’ Ook de daaropvolgende cd’s, Blacklisted en The Tigers Have Spoken kenden succes bij degenen die zich kenners noemen. Kenners... Pfff... De opkomst gisteren in de Botanique gaf eerder de indruk dat een debutante het podium zou betreden.

 

pop,popcultuur,botanique,live,concert,neko case,catherine irwin,oekraiene,james ellroy

Catherine Irwin

Het zogenaamde voorprogramma was ik bijna vergeten. Neen, Catherine Irwin (van de alternatieve countrygroep Freakwater) is evenmin een groentje. Haar set was boeiend en overtuigend. Het was zo’n vrouw alleen met gedeconstrueerde traditionele liederen uit de Appalachen en blasfemische gospel en ze stond daar op dat podium met in haar blikveld allemaal onbekenden, die in die kelder bijeen waren gekomen zonder eigenlijk goed te weten waarom. Waarom eigenlijk? Waarom in vredesnaam in deze witloofkelder? Songs uitgevoerd zoals het hoort, in de stijl van The Carter Family en the Louvin Brothers, maar koel en soms cynisch. Catherine Irwin vond het jammer dat de apothekers gesloten waren, omdat de “hoestsiroop zo goed is in België”. Ook ‘ons’ witloof werd bejubeld; daartegenover staat volgens Irwin dat Kentucky, waar zij woont, slechts weinig te bieden heeft. En bourbon dan, vroeg iemand in het publiek zich luid af. Ja, zei Catherine Irwin, en de Kentucky Derby (waar Hunter Thompson zo waanzinnig aanstekelijk over heeft geschreven, lang voor hij zich een kogel door de kop heeft geschoten). Het begon meteen goed met My One Desire, en ging door in de traditie van ontsporing, onoverkomelijke honger en doodsdrift, met als hoogtepunt Will You Miss Me When I’m Gone van The Carter Family. Een mooie, sterke vrouw, met ongetwijfeld haar zwakke kanten. Veel van haar liederen gaan over drank, religie, slechte seks en het zich verdrinken in diepe, donkere rivieren.

Als ik het goed heb begrepen werd Neko Case begeleid door Jon Rauhouse (pedal steel), Tom Ray (bas, maar we konden de man niet zien, omdat hij achter een zuil stond te spelen), Paul Rigby (gitaar), Kelly Hogan (backing vocals) en Jason Creps (drums). Jon Rauhouse is een van de de beste pedal steelgitaristen die ik ooit aan het ‘werk’ zag. Ik zet dit woord tussen aanhalingstekens omdat ik me afvraag of je musiceren werken mag noemen.

Veel van de songs die de vermoeide maar vurige zangeres ten gehore bracht met haar dwingende, aan Patsy Cline’s verwante stem, kwamen uit Fox Confessor Brings the Flood: Maybe Sparrow (met een mooi la dee da dee da dee dum), Star Witness, Dirty Knife, Fox Confessor Brings the Flood, Margaret Vs. Pauline, That Teenage Feeling (alleen al de titel is een manifest), en Hold On, Hold On (“the most tender place in my heart is for strangers”), de afsluiter voor de encores kwamen. Tussen die songs werden wat oude parels rondgestrooid, zoals I Wish I Was The Moon Tonight (uit Black Listed) en een onvergetelijke versie van Dylans Buckets Of Rain, echt perfect uitgevoerd.

Een mooi assortiment instrumenten stond op het veel te kleine podium van de witloofzaal, waaronder een aantal oogstrelende akoestische gitaren, ook zo’n rode Gibson Hummingbird, die Neko Case regelmatig ter hand nam. Met haar zeer kleine vingers. Deze gitaar past goed bij haar liedjes, waar vogels vaak in figureren, en bij haar aantrekkelijke rode lokken.

En dan was er de tweede en laatste afsluiter, de gospel John Saw That Number. Waarna we in de kou van de witloof bar stonden. De concertzaal is een gezellige ongezellige kelder, met zuilen die het zicht hinderen. Gisteravond bevond zich daar bovendien nogal wat onbeschoft volk. Tijdens het optreden van Catherine Irwin stonden er twee mannen van zeker twee meter voor ons, en voor alle andere kleine(re) mensen. Of is dat niet onbeschoft? Vermoedelijk wordt daar niet meer over nagedacht. Zoals de Belgen niet nadenken bij het instappen in bussen of treinen of trams. (Ikke ikke ikke en de rest kan stikke.) Tijdens het optreden van Neko Case en haar vrienden kronkelde, ik weet niet hoe ik het anders moet noemen, voor me een vreselijk onbeschoft schepsel, volgens A. was het een vrouw, vet en met heel veel haar op het hoofd. Vanaf een bepaald ogenblik zag ik geen Neko Case meer maar alleen nog die vette kop en dat haar (dat ik helaas ook kon ruiken). Maar wat geeft het! Laat de mensen maar onbeschoft zijn. Ik geraak altijd nog wel op de metro, op de bus, op de tram, op de trein. Desnoods sta ik een kwartiertje. Als ik maar niet ben zoals de anderen. Als ik maar een glimp kan opvangen van een vrouw als Catherine Irwin, van een vrouw als Neko Case, van een steelgitaarspeler als Jon Rayhouse, van een Gibson Hummingbird. Dat volstaat. Dat maakt me gelukkig. En ook dit nog:

Last night I dreamt I've forgotten my name
'Cause I sold my soul
But I woke just the same
I'm so lonely,
I wish I was the moon tonight.

IF THE RIVER WAS WHISKEY



If the river was whiskey I'd stay drunk all the time.

21-05-06

BEAT THE DEVIL

film,autobiografie,melancholie,medrol,cortisone,discussie,blogs,vijand,pop,popcultuur,bach,fugs,john coltrane,wiliam blake,beat the devil,john huston,truman capote,sonny boy williamson,schrijven,paul auster

Beat the Devil, John Huston

Na enige jaren opgewekt door het leven te zijn gegaan ben ik opnieuw ten prooi gevallen aan zwaarmoedigheid, en dat nog wel in het hart van de lente. Vloeit die gemoedsstemming nog altijd voort uit het gebruik van bepaalde ‘geneesmiddelen’ en, vooral, uit het ontwenningsproces? Ik weet het niet. We zullen wel zien. Ik heb er genoeg over gezeurd. 

Ik ben niet echt in de ‘mood’ om te schrijven. De interessantste uitspraken, wat mij betreft, staan in de commentaren bij dat polemisch stukje hiervoor. Ik vond het een boeiende discussie, maar ik wil er nu een punt achter zetten. Als ik er naar verwijs is het alsof ik het over een tekst van lang vergeten schrijvers heb, onverwachts ontdekt en enthousiast over die ontdekking. Het heeft niets met mezelf te maken. Het leek me gewoon goed om even vijand te zijn, om mezelf te definiëren, niet om iemand anders neer te sabelen. En nu die zeer tijdelijke ‘vijand’ met vakantie is wil ik hem zeker niet meer bestrijden. Ik neem aan dat deze zaak nu afgesloten is, ook al zijn er geen conclusies getrokken en werd niemand tot enige straf veroordeeld. Evenmin werd iemand vrijgesproken.

Ik kocht gisteren of eergisteren de nieuwe cd van the Flaming Lips, maar ik heb er nog niet naar geluisterd. Het zal wel de moeite lonen om dat wel te doen, maar ik heb voorlopig geen zin in muziek. Ik was zelfs vergeten mijn ‘jukebox’ in gang te zetten; dat heb ik nu wel gedaan, ik hoor the Cramps een nummer van Ricky Nelson verknoeien, dat moet ik maar snel wissen. Er is een tijd geweest dat ik van the Cramps hield, die is nu voorbij. Hun 'muziek' klinkt fake, je luistert dan veel beter naar Ricky Nelson zelf. En naar Bach, altijd naar Bach. Naar John Coltrane. Altijd naar John Coltrane. En waarom niet naar the Fugs, met hun Coca Cola Douche en How Sweet I Roamed From Field To Field? Dank zij the Fugs ben ik William Blake gaan lezen. En the Beach Boys, natuurlijk. De enige popmuziek die de popmuziek overstijgt, die groots is, tijdloos, overweldigend.

Gisteren en vanavond opnieuw zat ik te schaterlachen bij John Hustons Beat The Devil. Een oude film die ik nog niet had gezien. Je houdt het niet voor mogelijk. Alsof ik in een trailer woon, aan de rand van de stad. Met moordlust in mijn hart. Dat is natuurlijk niet zo… Ik heb Beat the Devil gewoon altijd gemist, ook destijds in het Filmmuseum, toen ik daar bijna elke dag het donker en het licht opzocht. Ik dacht dat ik daar alle films van John Huston had gezien. Maar niet. Ik heb in mijn hele lange leven geen gekkere, merkwaardigere film gezien dan Beat the Devil. Vraag me niet waar het over gaat, ik weet het niet. Het verhaal betekent niets. Truman Capote heeft het geschreven, als ik me niet vergis. In deze film van schitterende, geïnspireerde beelden, die vaak doen denken aan Bunuel en Vigo, en aan John Huston zelf, spelen de woorden de hoofdrol. Vanwege die woorden en het spel met die woorden heb ik zo gelachen. En natuurlijk vanwege de acteurs en actrices die die woorden uitspreken, ze op hun gezicht uitstrijken, vanwege de belichting die de woorden op hun gezicht accenten geeft, nuances, schakeringen, drama; vanwege John Huston, die middenin een woordenstroom de scène stopzet en overschakelt naar ‘something completely different’. >
Mijn hele lange leven heb ik niet eens geweten dat Jennifer Jones een echte sterke actrice was, even goed in het opwekken van de schaterlach als Groucho Marx of John Cleese.

Sonny Boy Williamson zingt inmiddels ‘Stop Right Now’ en dan zal ik dat maar doen. Wat ik nog wilde vermelden was de aanschaf van een nieuw scheerapparaat (voor mezelf!) en een nieuwe mobiele telefoon (voor A.) Waarom zulke banaliteiten vermelden? Binnenkort op dit scherm: de wederwaardigheden in verband met het gebruik van deze toestellen. Nu moet ik dringend naar the Flaming Lips gaan luisteren of, misschien veel beter, in bed met Paul Auster.

18-05-06

DE WAARHEID OVER BETTYE LAVETTE EN DE ECHTE SOUL


Bettye lAVETTE


Ik wil hier – zij het wat laat, maar wat is tijd? – reageren op een stukje van een zekere Marlon Vanco. Ik denk dat de brave man in een parallel universum leeft. Dat was zeker zo die avond toen Bettye Lavette in de AB optrad. De heer Vanco bevond zich in een geheel andere AB en heeft een geheel andere Bettye Lavette & band bezig gezien en gehoord dan de rest van het publiek. Ik schreef het hier eerder al, het was een schitterend concert, maar, toegegeven, de zangeres en haar muzikanten waren moe.
De heer Vanco heeft kritiek op de haardracht van twee van die vermoeide, maar toch uitstekend spelende muzikanten. Ik ben van mening dat iedereen met zijn haar mag doen wat hij wil. Bovendien had ik menen te begrijpen dat de parallelle heer een bepleiter was van authenticiteit, van zoveel mogelijk jezelf zijn, wars van trends en hypes.

Wat de heer Vanco niet schijnt te weten is dat wat hij ‘geïmproviseerde reclame’ noemt, de intro’s en het geklets tussen de songs, de bluf ook, zoals Bettye Lavette deed, typisch is voor soulconcerten. Het hoort bij de stijl. Ze hield alvast geen pleidooi voor zinloos geweld of stond niet lekker cool te wezen met haar rug naar het publiek.
Tars Lootens ken ik niet en de verwijzing naar Mac Rebennack (Dr. John) is volledig uit de lucht gegrepen. In verband met Janis Joplin draait Vanco de zaken om. Het was Joplin die soulzangeressen als Bettye Lavette imiteerde. Piece Of My Heart was oorspronkelijk een single van Erma Franklin (zus van Aretha). Janis Joplin heeft daarnaast nog soulnummers gecoverd van onder meer Bobby Womack, Howard Tate, Garnett Mimms (van The Enchanters), Nina Simone en Big Mama Thornton. Bettye Lavette had net zo goed in dat rijtje kunnen staan. Waarschijnlijk zou dat ook gebeurd zijn, als Janis Joplin niet zo jong zou gestorven zijn. Maar het gekrijs van Janis Joplin zou nooit de sublieme kracht hebben gehad van de echte soul, waar Bettye Lavette een voortreffelijke ambassadrice van is.
In tegenstelling tot wat onze paralllelle reporter beweert was er trouwens uitbundig applaus, en waar ik stond werd, vooral door mooie jonge mensen, flink wat gedanst. Overigens is het spelen en zingen van encores of bisnummers pas uitgekiend spektakel. Een echte kunstenaar houdt op als het gedaan is. Wel sympathiek dat Vanco de aanwezigheid van mijn schaduw vermeldt.

17-05-06

MICHAEL CUNNINGHAM: SPECIMEN DAYS

michael cunningham,specimen days,verleden,kinderarbeid,ziekte,dood,onverschilligheid,toekomst,berusting

Door het lezen van Michael Cunninghams ‘Specimen Days’ heb ik veel aan het ‘nu’ en aan de ‘toekomst’ gedacht. Als tieners konden wij ons, hoeveel fantasie we ook hadden, geen idee vormen van de toekomst waar we nu in leven. Bijvoorbeeld de beveiligingssystemen in luchthavens, in musea, in winkels, en waar eigenlijk niet. Daar hadden wij geen idee van. Je liep gewoon overal binnen en buiten. Nu leven we met die zeer gesofisticeerde systemen, die ons bijna voortdurend observeren, maar we voelen ons toch niet echt veilig. Of wel? Misschien komt dat doordat we te veel bezitten en zijn we bang om dat te verliezen. Je vastklampen aan bezittingen, aan verzamelingen, maakt je ook bang voor allerhande rampen en voor de dood. 


Natuurlijk heb ik ook veel aan het verleden gedacht, bijvoorbeeld aan de kinderarbeid. Een van de hoofdpersonages in ‘Specimen Days’ is een kind dat lange uren voor een hongerloon zwoegt in een fabriek. Hij weet niet wat hij eigenlijk maakt en durft het ook niet vragen. Hij weet zelfs niet hoe veel (weinig) hij zal verdienen. Krijgt hij wel een loon? Dat weet hij pas als hij het krijgt. Maar wat maakt het ook uit. ‘Leaves of Grass’ leeft in hem. Walt Whitman leeft in hem. Het kind spreekt met de woorden van de dichter. Zijn gedachten zijn de gedachten van Walt Whitman. De grote dichter had waarschijnlijk geen angst voor de dood. Leven en dood waren voor hem hetzelfde.

De ziekte heeft je wat meer onverschillig gemaakt ten aanzien van de dood. Nog altijd wil je er alles voor doen om te leven, zelfs om te overleven, maar de gedachte dat je op een gegeven moment geen verweer meer zal hebben, schrikt je minder af dan vroeger. Er treedt een berusting op. Of is het aanvaarding.? Je aanvaardt de dagen zoals ze zich voordoen en geniet van de momenten die genieten mogelijk maken. Je koestert de uitzonderlijke momenten van schoonheid en uitbundigheid.

HET GOEDE LEVEN


danspooner


Ik wil iedereen bedanken voor het medeleven. Maar ik twijfel er niet aan dat het wel goed komt. Overigens heb ik ook echt wel genoten van de voorbije dagen. Ik dacht dat ik daar duidelijk over was geweest. Wellicht heb ik toch weer wat te veel zitten klagen.

Er komen nog mooie dagen. Morgen is er Blinde Liefde in de KVS, zondag Neko Case in de Botanique, op 3 juni Dan Penn en Spooner Oldham in Brugge.

15-05-06

CORTISONE ZONDER BIJSLUITER

cortisone,brussel,ziek,afkicken,vader,pijn,dood,psychiater,geweld,overvallen,macho s,onverschilligheid,ambulance,politie,1977,werk,kunstenfestival,granada,vliegtuig,cafe dada,drinken,concert,live,pop,soul,bettye lavette,kvs,marthaler,shakespeare,aeschylos,verjaardagsfeestje,martin pulaski

Opeens was ik terug in Brussel, een imaginaire stad leek het wel, en ik moest afkicken van Cortisone. Ik ben geen drugverslaafde, maar ik was nogal ziek geweest en had het spul veel te lang gebruikt. Mijn vader heeft het moeten nemen op het einde van zijn leven, hij had veel pijn en hij was nog nooit ziek geweest. Hij trok zijn eigen tanden. Dokters of tandartsen vertrouwde hij niet. Na zijn dood ben ik zes jaar lang bij een psychiater geweest, twee keer per week. Niet vanwege die van hem maar vanwege mijn eigen gewisse dood. Macho’s hadden mijn hoofd half tot moes geklopt en ik had liggen bloeden als een lam in het midden van de Kiekenmarkt in het centrum van Brussel. De automobilisten reden voorbij en deden alsof er niets aan de hand was of hadden gewoonweg niets gezien. De ambulance kwam me uiteindelijk wel van de straat rapen, samen met de politie. In die tijd (1997) bestond de Brusselse politie kennelijk uit idioten en racisten. Gelukkig heeft mijn vader dat allemaal nooit geweten.


Net als toen moest ik nu afkicken van die verdomde Cortisone en tegelijk doen alsof er niets aan de hand was. Gaan werken, naar een concert, naar het kunstenfestivaldesarts, naar het verjaardagsfeestje van een boezemvriendin. Waarom kies ik nu het woord ‘boezemvriendin’? Ik zou het nooit gebruiken in een gedicht. Aan mijn psychiater, die dezelfde naam heeft als mijn jarige boezemvriendin, kan ik het niet meer vragen. De analyse is afgebroken. Door mij. Ik heb haar vorige week gezien in het Théâtre National en me meteen verdekt opgesteld achter een muurtje. De laatste keer dat ik met haar had afgesproken, op een zaterdag in oktober vorig jaar, was ik de afspraak namelijk vergeten. Ik was bezig mijn koffers te pakken om op studiereis te vertrekken naar Jaén, en in die drukte was ik de hele hoochiekoochie vergeten. Pas de volgende maandagochtend, in het vliegtuig naar Granada, herinnerde ik me onze afspraak. Nadien durfde ik haar niet meer bellen om enige uitleg te geven. Ik voelde me schuldig omdat ik de afspraak was vergeten. En nu zag ik haar vanuit de verte in dat theater en het enige wat ik kon doen was toneel spelen. Heb ik al verteld dat ik toneelspeler wilde worden, toen ik jong was? Neen? Dan zal ik het later eens een keer uit de doeken doen. Maar niet nu. Ik heb over die gemiste carrière overigens zeer veel gepraat met ‘mijn’ psychiater. Of ik nog bang ben op straat? Ja, tenzij ik voldoende bier heb gedronken in café Dada.

Over het werk zal ik het evenmin hebben. Franz Kafka heeft dat op geniale manier beschreven in ‘Het proces’. Wat kan ik daar dan nog aan toevoegen? Kill your darlings?

Zonder Cortisone en zo weinig mogelijk alcohol naar het concert van Bettye Lavette. Was het beter of slechter dan vorig jaar? Ik stel de vraag maar ik beantwoord ze niet. Ik denk dat Bettye Lavette inzette met The Stealer (van de onvolprezen Free), gevolgd door He Made A Woman Out Of Me (een prachtige en zeer dubbelzinnige song over verkrachting/seksuele initiatie) en The Sparrow van Dolly Parton. Het grote verschil met vorig jaar was de duidelijke vermoeidheid van zowel de zangeres als de band. Hoe lang zijn ze al van stad tot stad aan het trekken? Van land tot land? Nu ze eindelijk enig succes hebben? Vorig jaar was Bettye opeens weer hip. De aasgieren van de pers en de modieuze popmuzikanten waren toen in groten getale aanwezig in de kleine AB club. Nu echter heeft naar mijn weten één perspersoon een stukje geschreven in een of andere nitwitkrant (met alle respect), terwijl de veel grotere zaal zwart zag van het volk. So you all brought your friends with you, sprak Bettye Lavette. Het laatste nieuws heeft de ‘hippe’ en ‘coole’ mensjes bereikt: soul is opnieuw niet meer hip. Wel, dan heb ik dit te melden: soul is altijd hip. Er is geen enkel genre dat altijd hip is, behalve soul. Hoewel Bettye moe was, was ze toch ook nog sterk en gaf ze haar hele ziel aan het gewillige publiek. Het was een fijn publiek, zo zonder aasgieren. Echte kippenvelmomenten waren Close As I Get To Heaven en I Do Not Want What I Have Not Got (waarbij, dat moet ik toegeven, mijn gedachten afdwaalden naar Sinéad O’Connor, en naar de roofmoord in het Centraal Station, en naar het gedicht Brot und Wein van Hölderlin en naar Paris, Texas, vooral het begin met Harry Dean Stanton in de woestijn). Overigens vind ik Joy de slechtste song van Lucinda Williams en begrijp ik daarom niet waarom Bettye Lavette precies deze heeft uitgekozen. Maar dat zijn details. Long live Bettye! .

Vrijdag, in de KVS, stelde ik vast dat de culturele elite maar 1,50 of 2 euro betaalt voor een glas wijn (terwijl de rockliefhebbers 4 euro moeten betalen, alvast in de AB, een waanzinnige prijs, voor een instelling die waanzinnig veel subsidies krijgt). Maar het zij zo, ik mag me niet opwinden, laat iemand anders dat maar doen vanavond. Christoph Marthaler is een genie. Zoals hij de familie met alles erop en eraan (en het verborgene ook heel open en bloot, hoewel er geen letterlijk bloot aan te pas komt) ten tonele voert en ontrafelt, dat doet heden niemand. De familie is het grote mysterie. Dat was al zo bij Aeschylos, dat was zo bij Shakespeare, en dat is nog altijd zo bij Marthaler. Een mysterie dat er niet om vraagt om te worden opgelost. We kunnen de familie haten, als we jong zijn bijvoorbeeld, dat is een stadium waar we door moeten, lieve ouders, hatelijke ouders, het maakt niet uit, of we kunnen ze liefhebben. Maar de familie blijft altijd een mysterie. Koffie en koekjes of geen koffie en koekjes. De kinderen blijven een mysterie. De bloedverwanten. De broers en de zussen. De tantes en de nonkels. De neven en nichten. De hele reutemeteut. Socialisten, vieze tisten, flaminganten en fascisten, communisten, soul freaks, nitwits, Proustianen, Yes fans, slotenmakers, Call girls, we kennen ze allemaal en we haten ze en we hebben ze lief. En ze zingen allemaal liedjes van Monteverdi en van Mireille Mathieu. In ieder geval doen ze dat bij Marthaler. De man toont ons de typische familietriangel, maar dan dubbel en dik gespleten. De familieleden zitten te zuipen, elkaar uit te schelden, achterbaks naar elkaar te verlangen, domme spelletjes te spelen, dierengeluiden te produceren, liedjes van Wagner en van the Kinks (I Go To Sleep) te zingen, te slapen (waarbij je als toeschouwer ook in slaap valt), en zo verder. En dan is er de zoon die alleen maar Mireille Mathieu wil horen. En die krijgen we dan ook te horen, de echte singles op een echte platendraaier uit de sixties. Ook de hoesjes worden getoond. Af en toe krijg je zelfs een stukje Monteverdi te horen, uit L’incoronazione di Poppea, waar het stuk op gebaseerd is. Of roept de vader ‘Ta gueule!’. En dat speelt zich allemaal af in een huis waarvan de ene kant het Centraal Station van Brussel is (voorbijdenderende treinen inclusief) en de andere kant het Justitiepaleis (het lelijkste en mooiste gebouw van Brussel). De meubels in het huis komen uit datzelfde Paleis (de architect, Poelaert, heeft zelfmoord gepleegd, anders hadden ze dat plein nooit naar hem genoemd): de dochters hebben ze er gewoon gepikt. Hoe zou je zelf zijn, als dochter in een prettig gestoord gezin? Overigens herkende ik meteen een van die meubelstukken: ik had erop gezeten tijdens een van de drie ‘verzoeningspogingen’ tijdens mijn echtscheidingsprocedure. Niet dat we die poespas wilden. Het was van te moeten. In ‘Het Proces’ staat dat ook allemaal al beschreven. Maar niet de dimensie die Christoph Marthaler en zijn gezelschap er aan toevoegen. Beter kan niet. Bovendien is het allemaal bijzonder grappig. Je lacht je meerdere breuken op één avond. Ik stel voor om meermaals te gaan. Dan moet je nooit meer gaan werken. Kafka lezen wordt dan ook overbodig.

En dan moest ik het nog over het verjaardagsfeestje van I. hebben, mijn boezemvriendin. Gelukkige verjaardag, lieve vriendin. Het was een onvergetelijk feest, in dat volkscafé daar in Gent. En we zijn goed thuisgeraakt. Nu ben ik moe en moet ik de dromen tegemoet zien. Ik ben een oude, vermoeide gek. How am I different?

Foto: Martin Pulaski, terras met uitzicht op de Atlantische oceaan, Tazacorte, La Palma

NEKO CASE: HOLD ON HOLD ON

neko case,pop,country,live,hold on

Volgende zondag treedt de onvolprezen en volmaakt zichzelf zijnde nieuwe pornograaf Neko Case op in de Botanique. Ik verheug er mij nu al op. Wegens tijdgebrek en leeghoofdigheid (mijn kop lijkt wel een lege Brillo Box van Andy Warhol – was het maar waar, dan kon ik er een goede prijs voor vragen, ha ha) plaats ik hier dan maar voor een keer eens een tekst van Neko Case, waar ik me bijzonder graag even mee identificeer. Mag ik? Dank u.


HOLD ON HOLD ON

The most tender place in my heart is for strangers
I know it's unkind but my own blood is much too dangerous
Hangin' round the ceiling half the time
Hangin' round the ceiling half the time

Compared to some I've been around
But I really tried so hard
That echo chorus lied to me with its
"Hold on, hold on, hold on, hold on"

In the end I was the mean girl
Or somebody's in-between girl
Now it's the devil I love
And that's as funny as real love

I leave the party at three a.m.
Alone, thank God
With a valium from the bride
It's the devil I love
And that's as funny as real love
And that's as real as true love

That echo chorus lied to me with its
"Hold on, hold on, hold on, hold on"

That echo chorus lied to me with its
"Hold on, hold on, hold on, hold on"

12-05-06

DORPSTAFERELEN


natural harmony

Een aantal ‘invallen’, afkomstig uit La Palma. Waarom wil ik ze prijsgeven? Ik weet het niet. Er is geen reden om het wel te doen, er is evenmin een reden om het niet te doen.

Jij met je zigeunerachtige verleden, met je Poolse heteroniem. Jij was bijna een racist en leek in je reactie op de dood van de zeventienjarige jongen op de donkere mannen en vrouwen van de Vlaamse zuiverheid. Zoals Nietzsche voortdurend op zijn hoede was voor de Duitsers en de ‘Duitse gedachte’ moet jij voortdurend op je hoede zijn voor Vlaanderen en de Vlaamse gedachte. (Dit betekent niet dat er in Oost-Vlaanderen en in West-Vlaanderen niets moois en niets goeds aanwezig is. Inderdaad situeer ik Vlaanderen in deze twee provincies. Limburg, Antwerpen en Brabant hebben een heel andere geschiedenis en vertellen andere verhalen. Alles wat anders is en afwijkt moet je koesteren.)

Ondanks de ziekte en de sombere gedachten over België vandaag toch even verrukking gevoeld, staande bij een landschap genaamd ‘de kloof van de angsten’.

Als je ziek bent kunnen er momenten zijn dat kleine dingen je veel dieper raken. Hoe heerlijk een glas Rioja plots kan smaken! Je hoeft niet eens meer naar Umbrië voor de Montefalco, of naar Montalcino voor de Brunello. In deze eenvoudige wijn is alle wijn van de wereld aanwezig.

In het Palacio del Vino in Los Llanos werden we bediend door een bijzonder vriendelijke ober. We aten er ham en kaas afkomstig van het schiereiland, zoals ze Spanje in La Palma noemen, en dronken wijn uit het dorp Puntagorda. De naam van de ober was Jesus. Die avond heb ik Michael Cunninghams ‘Specimen Days’ uitgelezen. Het is een schitterende, visionaire roman over (onder meer) New York en Walt Whitman. De grote Amerikaanse dichter is bijna in elke regel aanwezig.

In de twee bars van Tazacorte zitten de vijftigers, moe van in de bananenplantages te werken, aan de toog tv te kijken en Haig whisky te drinken. De barman mengt die whisky met limonade. Het moet afschuwelijk smaken, maar deze mannen vinden het lekkker. Waarom ook niet. Dit jaar kan ik alleen maar even van buiten naar binnen kijken. Maar dat is niet erg. Ik weet hoe het er binnen aan toe gaat. Er gebeurt niet veel. De televisie staat aan, de mannen drinken hun whisky en wachten geduldig op de dood. Wat verderop, op een pleintje in de schaduw van de kerk, zitten de nog ouderen nog geduldiger hun beurt af te wachten. Niets schijnt deze mensen te verontrusten. Zij zitten op enkele bankjes, een paar honderd meter van de oude oceaan. De enige die hier bang is voor de dood ben ik, geloof ik.

Ik droomde van een concert van Bob Dylan. Hij zong een paar liedjes samen met Axelle Red. Zijn haar was geblondeerd en piekerig als van een jonge sportgod uit Vlaanderen. Zo’n kerel met een koelkast vol drugs. Bob Dylan was net als ik de dag voordien aan zijn hart geopereerd. M., vertelde me dat hij in hetzelfde schuitje zat. Allemaal hartpatiënten bijeen! Een zekere Guido Van Liefferinghe (dat je van zo’n man kunt dromen!) nodigde ons uit in de VIP-ruimte. Ik moest echter eerst om mijn rode leren jas, die lag nog ergens op een stoel. Daarna vond ik de weg naar die ruimte niet meer. Ik had mijn kans om met Bob Dylan te praten schoon verkeken. Het concert zelf stelde niet veel voor. Dylan zong alleen maar wat fragmenten, geen enkele song werd afgerond, het waren meestal maar wat bluesstukjes. Hij speelde wel één mooi Spaans stukje op zijn gitaar.

Ik luister nu naar the Scud Mountain Boys. Ze zingen ‘Where’s the Playground Susie?’, met hun mooie Amerikaanse jongensstemmen.

Foto: Martin Pulaksi (La Palma).

MOORD


Ik durf niets meer zeggen over deze, alweer gruwelijke, moord. Ik wil er ook niets over zeggen. Wat ik over de moord op Joe heb geschreven kwam recht uit het hart, maar ik heb me toen laten meeslepen en, erger, beïnvloeden door de media (hoewel ik er mij, zoals ik al zei, ook van heb gedistantieerd). Natuurlijk heb ik nu ook gevoelens. Maar ik wil niet nog eens dezelfde fout maken. Ik kan alleen maar zeggen dat ik dit zeer betreur. Ik kan alleen maar zeggen dat België stilaan onleefbaar wordt. Dat ik in alle stilte en bescheidenheid meeleef met de familie en de vrienden van de slachtoffers. Dat ik hoop dat de haat het niet van de liefde wint. Het is een mooie lentedag, een stralende zon legt een laagje schoonheid over zelfs de lelijkste dingen, seringen staan in bloei in de tuinen, vanavond gaan we naar theater, een stuk van Marthaler (zelden heeft een regisseur zoveel indruk op me gemaakt als hij, met zijn voorstelling van Die schöne Müllerin). Maar hoe kunnen we daar nu nog van genieten? Met een bittere smaak in de mond, met niet gehuilde tranen?

10-05-06

IN MEMORIAM GRANT MCLENNAN,

grant mclennan,pop,australie,go betweens,dood

Een van de mooiere stemmen in de popmuziek, die van Grant McLennan, is voor altijd het zwijgen opgelegd. Samen met Robert Forster schreef hij de songs voor de uitstekende Australische band The Go-Betweens. Ze maakten onvergetelijke elpees als 'Before Hollywood', 'Spring Hill Fair' en 'Liberty Belle and the Black Diamond Express' (ook op cd uitgebracht). Songs als 'Cattle and Cane', 'Days Of Steam' en 'Dusty In Here' zijn voor altijd in mijn geheugen gegrift. Grant McLennan maakte ook mooie, romantische soloplaten, waaronder de schitterende dubbel-cd 'Horsebreaker Star'.

grant mclennan,pop,australie,go betweens,dood