30-03-06

GERAAS EN GEBRAL I


Een paar dagen geleden vond ik oude, met de vulpen geschreven, notities terug over een bezoek aan mijn vriend Jos. De datum van de tekst is onleesbaar, maar ik weet wel zeker dat de avond die ik erin beschreef zich in 1978 voltrok. Wat klinkt dit toch weer plechtig! Te liturgisch, te weinig vlezig.

Ik was die avond onaangekondigd bij Jos komen opdagen. Dat deden we in die tijd bijna altijd: we hadden geen telefoon en al de rest bestond nog niet. Mijn vriend was blij dat ik daar zo opeens voor zijn deur stond. Zelf was ik ook opgewekt, maar tegelijk aan hevige onrust ten prooi. Die onrust was een voorbode van een periode van ziekte. Dat fenomeen is veel meer dan een voorgevoel. Omdat het zo herkenbaar is grenst het aan zekerheid. Ik heb van dat inzicht nog geen enkele arts kunnen overtuigen. Ik denk dat de onrust wordt veroorzaakt door de zenuwen, als een waarschuwing aan het lichaam, wees voorzichtig, er is een aanval op komst.

Na een paar biertjes had ik echter mijn kalmte teruggevonden. Onze conversatie ging over vriendschap. Jos herinnerde zich mijn brief waarin ik naar de uitspraak 'Een vriend is een ander zelf' van Aristoteles had verwezen (Ik had die niet bij Aristoteles gevonden, maar in een verhaal van Borges. In verhalen van Borges kun je ongeveer alles vinden. Een zin van hem is soms een hele encyclopedie.). Jos vond het de mooiste brief die hij ooit gekregen had. Ik was niet zijn beste vriend, zei hij. Ik was veel meer dan dat, ik was zijn enige vriend. Ik hoopte in stilte dat onze vriendschap zou blijven duren. Want je weet maar nooit. Maar genoeg daarover.

De commentaren zijn gesloten.