27-11-05

NATIONALE FEESTDAG, 1976


Uit antieke kanonnen buldert hun volkslied
en zomergekte overspoelt duizenden onderdanen;
overal op de boulevards in feestelijk badpak
onthullen zij hun eeuwenoude trotse geslacht.

(Soms plots een syncope:
staan zij met z'n allen
kaarsrecht in het gelid.)

Op het Omwentelingsplein houdt een maarschalk
zijn witgelakte reddingsbootjes paraat.
Vijf pompiers zitten met rode neuzen
om een ronde tafel en drinken nog een gueuze.

Aan de tricolor wappert een marmeren paleis.
De koning der Belgen verschijnt
minzaam glimlachend op het balkon
en strooit handenvol babelutten in het rond

Aan zijn zijde de koningin, die vraagt:
"Hoe sta ik met een rode hoed ?"
"Het is gewoon geen zicht, vorstin."
Ontstemd gaat zij weer hun woning in.

Mijn lief rookt rode libanon voor het raam.
"Onnozel zijn de mensen, het heeft geen naam."
"Kom hier", zeg ik tegen haar blote rug,
"dan smeer ik je nog eens met honing in."

De commentaren zijn gesloten.