03-09-05

EEN WEEK IN NEW ORLEANS - 1992


eddie bo


In september 1992 maakte ik met mijn levensgezellin een reis naar New Orleans.
Het was tevens onze eerste reis naar de Verenigde Staten, een droom die eindelijk in vervulling ging. Bijna was dat niet gebeurd, want Hurricane Andrew had net door Louisiana geraasd. Toen we vertrokken was alles echter weer tot rust gekomen. Ik laat hier een stuk van een reisverslag volgen, dat helaas onbeëindigd is gebleven, zoals veel van mijn werk. Het zijn de impressies van een viertal dagen in New Orleans. Ik draag dit op aan alle inwoners van die stad, en vooral aan degenen die het nu zo hard te verduren hebben. Ik hoop ook met heel mijn hart dat George Bush nu zo spoedig mogelijk wordt afgezet.

WOENSDAG 02/09


I'm going to New Orleans
I'm going to see the Zulu King...

Na jarenlang dagdromen is het zo ver : we zijn in Amerika geland. Het doet toch wel iets als je voeten voor de eerste keer Amerikaanse grond raken. Wat nog niet betekent dat je het voorbeeld van de Poolse paus volgt. De luchthaven van Washington is overigens niet imponerend. Tenzij vanwege de verschillende rassen die hier door elkaar lopen of vanwege de uitheemse namen op de badges van het personeel. De douane is minder streng dan ik had verwacht. Ik koop de Rolling Stone met Bill Clinton, die ons van op de cover welkom heet. Mijn eerste Amerikaanse Pepsi Cola smaakt buitensporig zoet, zelfs met een massa ijs erin.

De service in het vliegtuig van Washington naar New Orleans is minder goed;, het eten is ronduit slecht. Voor een blikje bier (Budweiser, voortaan noemen we het zoals iedereen Bud) moet je drie dollar betalen.

Als je in Kenner, nadat je over het Lake Ponchartrain bent gevlogen, uit het vliegtuig stapt val je haast omver van de bijna tropische hitte. Je denkt : hier houd ik het geen dag vol. Een vreemde geur dringt zich meteen aan je op. Het is een zwoele mengeling van bloesems, schimmel, vocht en wierook, die zowel afstoot als aantrekt. Het is al donker als we in de shuttle stappen die ons naar het Lasalle hotel op Canal Street zal brengen. Canal blijkt de ader van New Orleans te zijn. Het hotel blijkt in een haast volledig zwarte buurt te liggen. Ik heb heel sterk het gevoel dat ik in me in een Amerikaanse film bevind. Het ziet er allemaal niet echt uit. Ook in de lobby van het hotel worden we door zwarten ontvangen. De liftboy heeft een kaki bermudabroek aan, een beetje zoals in de ‘Tropen’. Maar hij ziet er, in tegenstelling tot het clichébeeld uit de Hollywood-films, veeleer trots uit dan onderdanig. In de kamer durven we niet meteen op het bed gaan zitten : de angst voor het vreemde. Aan de muren kleeft stof van jaren. De deur is zo stevig als bordkarton. Je kunt ook niet naar buiten kijken. Gelukkig is er airconditioning. De televisie doet het wel maar je hebt al snel door dat je niet veel meer te zien zult krijgen dan reclame, af en toe onderbroken door talkshows. Op de radio is er een station met niets dan rock & roll oldies; er is een goed jazz-station. Zo hoort het in New Orleans.

Uitgeput maken we nog een wandeling door Bourbon street. De neon-waanzin van strip-teasetenten, rhythm & blues-bars, t-shirtwinkels, 'gift-shops', toeristische voodoo-winkels, bierstandjes, hot dogverkopers (die me aan The Conspiracy Of Dunces doen denken), grote Amerikaanse auto's, massa's toeristen, alles in een wirwar door elkaar. We zijn in de USA. Een grote euforie maakt zich van me meester. Wat meteen opvalt is dat niets in Bourbon Street goedkoop is. Het is dan ook een van de beroemdste straten van Amerika en van de wereld.In ons hotel blijken alvast geen kakkerlakken te zitten. We slapen op een steenworp van Basin Street. Die straat was vroeger misschien even befaamd om haar nachtleven en haar muziek als Bourbon Street. Pooiers, prostituees, danseressen, messentrekkers, goochelaars, jazz- en bluesmuzikanten waren hier thuis toen deze wijk nog Storyville heette. De vroegere schittering van die straat leeft alleen in liedjes als Basin Street Blues voort, want er is niets van overgebleven, tenzij wat vervallen sociale woningen (Iberville Project). Waar zich vroeger het legendarische Congo Square bevond, is wel een nieuw park aangelegd, genoemd naar de beroemdste burger van New Orleans, Louis Armstrong.

Basin Street that's the street
where everybody sooner or later's gonna meet.
Ain't you glad you went with me
way down that Mississippi...
We took a boat to the land of dreams...

DONDERDAG 03/09

Voor de eerste keer ontbijten we in de Verenigde Staten. In de French Quarter, bij Mena's. Omelet en koffie naar hartelust, maar hij is slap en smakeloos. Wel goedkoop en je wordt bijzonder vriendelijk bediend.
Daarna maken we een verkennende wandeling door de French Quarter. Maar ik word vooral gelokt door de roep van de Mississippi. Het is een rivier die mij altijd bijzonder gefascineerd heeft. Ze heeft mythische proporties gekregen, door de films (zelfs in banale producties als 'The River Rat' met Tommy Lee Jones blijft ze indrukwekkend), de boeken (vooral Mark Twain natuurlijk) en de songs ('Proud Mary' ‘Miss the Mississippi And You’). Toch bljkt de Mississippi in New Orleans maar een stroom te zijn zoals de Schelde in Antwerpen. Hij is lang niet zo imposant als de Taag in Lissabon, bijvoorbeeld. Maar die raderboten, zoals de Cajun Queen, die nu aangemeerd ligt, hebben natuurlijk ook mythische kwaliteiten. Het water van de Mississippi is inderdaad bruin van de modder (vandaar Muddy Water). Ook de stalen brug, waarvan de naam voor mij onbekend zal blijven, over de Mississippi, naar Algiers, is mooi. De Huey P. Long Bridge schijnt nog heel wat mooier te zijn. Je moet natuurlijk van bruggen houden om ze mooi te vinden. Ik ben een groot bewonderaar van bruggen. Dat is misschien wel een atavistische trek van mij. Ik herinner mij dat ik mij echt verdrietig voelde toen ik als kleine jongen foto's te zien kreeg van opgeblazen bruggen over de Rijn. Vaak heb ik er ook mijn verbazing over uitgesproken dat er geen bruggen zijn die Antwerpen met de linkeroever verbinden. Impliceert dat niet dat 'die van over het water' er niet welkom zijn ? Er zijn wel tunnels natuurlijk. "Als ze willen komen, moeten ze maar eerst onder de grond..."

Zowat alles is hier nieuw voor ons. En toch is het ons ook vertrouwd. Ik heb eigenlijk heel sterk het gevoel dat ik thuis gekomen ben. Dat Amerika mijn echte 'thuis' is, of Louisiana dan toch. In België (en dan heb ik het niet eens over Vlaanderen) heb ik mij altijd een beetje een balling gevoeld. België heeft een imitatiecultuur. Niets is er echt. De Vlamingen verwijten de Amerikanen dat ze geen cultuur hebben maar dat is lulkoek. De Vlamingen hebben alleen maar Rubens en Jan Van Eyck en zo en dat behoort allemaal tot het verleden. Iets origineels van nu is er niet. Tenzij misschien op gebied van dans en theater. Amerika bruist van levende cultuur. (Ik wil hierbij aantekenen dat ik dit heb genoteerd in 1992, inmiddels is er in België wel wat veranderd.)

Waar ik zeker nog moet aan wennen is aan die zwoele, doordringende moerasgeur en aan de hitte. Opvallend is dat de zwarten het straatbeeld bepalen. Hun leven lijkt zich voor een groot deel op straat af te spelen. Niet zozeer in de French Quarter, waar de toeristen heersen, maar wel in de andere wijken. Opvallend is ook de mooie, kleurige reklame en de rhythm & blues in het shopping center. Vanwege de Jet lag ben ik erg moe, maar toch opgewonden.

We lunchen in de Gumbo Shop, in het hartje van de French Quarter. Ik eet gumbo, een soort dikke soep, die wat tegenvalt en Jambalaya. 36 dollar voor ons beiden, dat is bijna 1200 frank (terwijl ik voor lunch maar 600 frank had voorzien). 's Namiddags drinken we koffie in het Coffee Museum op Decatur Street, aan de French Market. Het is er ruim, er wordt degelijke koffie geschonken en er komen jonge, moderne mensen. Op de French Market kijken we naar de 'alligator heads' (kaaimankoppen) en kopen we carnavalmaskers. Later zullen we vernemen hoe die koppen daar terecht komen. Dat is een minder fraai verhaal.

In een van de straten van de French Quarter wordt mijn aandacht getrokken door een koperen plaatje op een groene deur. "On this site in 1897 nothing happened" staat er op. Een raadsel en een grap tegelijk. In een modieus winkeltje op Jackson Square kan ik niet weerstaan aan een paar zwarte sokken met rode kreeftjes op. De mevrouw in het tourisme-bureau, waar ik tickets koop voor een 'Plantation Tour, vindt dat ik goed Engels spreek. Ze is zoals zoveel mensen hier uiterst vriendelijk. Ze zegt dat Nottoway Plantation misschien niet zal kunnen worden bezocht. Tijdens de orkaan Andrew is een grote boom omgewaaid en op het huis terechtgekomen. Er schijnt veel schade te zijn. In de Woolworths op Canal St vind ik een CD van Brian Wilson voor $ 2.

's Avonds gaan we naar Mulate's, een bekend cajun-restaurant in 201 Julia Street. Je moet er vis eten en naar de live cajun-muziek luisteren. Vanavond spelen de Breaux Bridge Playboys de traditionele fais-do-do's en two-steps,. Het is warme muziek die tot dansen aanzet. Heel wat mensen blijken niet aan het aanstekelijke ritme te kunnen weerstaan. Ik hoor ook bij die soort. Maar we gaan ons toch niet belachelijk maken, zegt Laura. Nadat ik lang heb aangedrongen, en de pret er eigenlijk af is, wagen we ons toch even op de dansvloer. Het is echter duidelijk tegen de zin van mijn partner. Natuurlijk begrijp ik dat wel : ik ben namelijk niet te vertrouwen op de dansvloer, zeker niet als het op 'traditioneel' dansen aankomt. De cajuns dansen een soort two-step. Dat is dus in twee maten, maar ik kan niet tot twee tellen als ik dans. Ik beweeg maar wat op de maat van mijn ziel. Voor iemand anders is dat niet zo gemakkelijk om te volgen, zelfs voor mijn levensgezellin niet.

Niet alleen het dansen maar ook het eten valt wat tegen. Ik heb een enorme schotel vol 'gefrituurde' vis. De cajuns eten zeer veel vis, dat weet iedereen. Wat ik niet wist is dat zij die vis meestal in kokende olie gooien. Op die manier krijgt alles dezelfde smaak. Maar of dat echt erg is ? Crawfish is een soort moddergarnaal, die van zichzelf al geen bepaalde smaak bezit. De catfish is ook niet echt heel lekker, met zijn lichte petroleumsmaak. Catfish wordt op industriële manier geproduceerd. Het schijnt heel moeilijk te zijn om lekker smakende catfish te 'kweken'. Toch wordt in het Zuiden zeer veel catfish gegeten. Waarschijnlijk moet je er aan wennen. En je moet ook niet te moeilijk doen. Wij vinden catfish niet lekker. En Amerikanen zullen zeker geen paardenvlees lusten, wat wij wel lekker vinden. Het is allemaal relatief.
Alles bij mekaar is ons avondje uit bij Mulate's een teleurstelling geworden. Nochtans had ik er veel van verwacht. $ 46 is niet echt veel (1500 fr.) voor zoveel eten en een optreden erbij.

De wandeling over Canal Street terug naar het hotel maakt alles weer goed. Het blijft altijd even heet, ook 's nachts. Je bent hier op vijf minuten druipnat van het het zweet. De mensen op Canal Street zijn kleurig gekleed. Behalve de toeristen zijn het allemaal zwarten. Maar dat heb ik al gezegd, geloof ik. Naast ons hotel is een zwarte club gevestigd, The Saenger Performing Arts Center. De O'Jays zijn aangekondigd in rode plastic-letters op een witte achtergrond.

VRIJDAG 04/09

Ik lees de Times-Picayune, die 's morgens voor de deur van onze kamer ligt. Een dikke krant, met interessante artikels. Er staat behalve het plaatselijke nieuws (vooral over de nasleep van Hurricane Andrew, die niet alleen in Florida maar ook in Acadia, hier niet ver vandaan, lelijk huis heeft gehouden), eveneens heel wat over muziek. Vandaag vindt hier in New Orleans het alternatieve Lollapalooza-festival plaats. Op de affiche staan o.m. Pearl Jam, Soundgarden, Ice Cube en Red Hot Chili Peppers. Spijtig dat we niet kunnen gaan. We hadden kennis kunnen maken met de nieuwere Amerikaanse popmuziek. Maar we hebben al gereserveerd voor de plantage-tour. Zaterdag is er dan ook nog een zydecofestival in Plaisance (in de buurt van Opelousas, dat is echt Cajun-land). Met het openbaar vervoer is dat onbereikbaar. Je moet eerst naar Baton Rouge en van daaruit naar Lafayette en dan moet je het maar uitzoeken. Heel jammer want Rockin' Dopsie en Boozo Chavis treden er op. Tickets kosten maar $ 8. Zondag is er een cajun marathon in Westwego, aan de overkant van de Mississippi. Dat ziet er eveneens veelbelovend uit. Als we nog eens naar New Orleans komen moeten we volleerde automobilisten zijn. In de stad New Orleans zelf is natuurlijk heel wat te beleven op muzikaal gebied : Eddie Bo, Sam Myers en Anson Funderburg, maandag een blues- en jazz-festival in Armstrong Park, enzovoorts.

Omdat we gehaast zijn ontbijten we snel bij Woolworths. Hier zitten alleen maar zwarten. Wat we krijgen is waarschijnlijk ook echt uit de 'soul kitchen', eieren met 'grits' en 'sweet potatoes', en van die smakeloze koffie. De uitstap naar de Houmas en Nottoway plantation is toeristisch, maar loont toch zeker de moeite. We rijden weer in de richting van de luchthaven, langs Metairie en Kenner en over de wereldberoemde Highway 61 naar Baton Rouge. Op 18 mijl van die veelbezongen stad ligt Nottoway House, vlakbij Donaldsonville.
De chauffeur is een vriendelijke kerel. Hij vertelt wat over de geschiedenis van Louisiana, hoe het land werd gekocht van de Fransen, over de Indianen, over Huey P. Long (die naam hoor je hier om de haverklap), over de plantages en hij wijst ons ook op de kaaimannen in het water aan weerszijden van de weg. We vernemen eveneens dat hier geen katoen maar suikerriet wordt verbouwd. De orkaan heeft de oogst grotendeels vernield.

Gelukkig zitten we voor in de bus, zodat we alles heel goed kunnen zien. Links van ons zit een stel dat geloof ik uit Texas komt. De man heeft een radde tong. Hij wil heel veel weten maar heeft zelf ook allerlei dingen te vertellen. Op een gegeven moment hebben ze het over Elvis. 'Did you see Elvis ?' vraagt de chauffeur ? 'Yes we did' zegt het Texaanse koppel. Wij hebben Elvis ook gezien, gisteren, toen we onze tickets gingen kopen. Hij stond wat te babbelen en dronk een kop koffie. Blijkbaar rijdt Elvis tegenwoordig met een bus van de Gray Line in New Orleans. Hij heeft twee kinderen, zegt de chauffeur, die ook allebei Elvis heten.

Hoe korter we bij Baton Rouge komen hoe meer muskieten en 'love bugs' er tegen de voorruit te pletter vliegen. Laura is bang voor de muskieten. Nu moet ik toegeven dat de beestjes er niet vriendelijk uitzien. Er schijnt ten gevolge van de orkaan Andrew een plaag te zijn. Er zijn veel meer muskieten dan normaal. Nottoway Plantation ligt aan de Mississippi. Hier herken ik de rivier van mijn dagdromen, de mythische 'Ole Man River'. Nottoway is in 1849 in opdracht van John Hampden Randolph, een welvarend rietsuikerplanter, opgetrokken in neo-Griekse stijl. Wat opvalt is dat de Amerikanen graag over afmetingen en hoeveelheden spreken. De dame met de bril die ons door het huis leidt maakt daar geen uitzondering op. In het huis zijn vierenzestig kamers. Dat is wel wat veel voor één familie. In de grote witte balzaal zijn zes van de Randolph-meisjes in het huwelijk getreden. Tijdens de burgeroorlog werd het Nottoway huis gespaard dankzij de tussenkomst van een Noordelijk officier op een oorlogsschip, een man die meermaals bij de Randolphs had gelogeerd. De cipressen op het landgoed zien er even oud uit als de tijd zelf. Toch blijken ze ook kwetsbaar te zijn. Sommige hebben heel wat van hun takken verloren. Eén boom is inderdaad omgewaaid en is op de zijkant van het huis gevallen. De boom ligt als een dood dier op de hete grond. Zwarte arbeiders zijn bezig hem in stukken te zagen. Ik ga even in zo'n typische schommelstoel zitten op de 'front porch' en denk aan de song van The Band "Rocking Chair" :

"Slow down Willy boy
That big old rockin' chair won't go nowhere..."

Op de oever van de Mississippi, de 'levee' noemen ze dat hier, staat een aantal houten kruisen, waarschijnlijk ter herinnering aan verongelukte bemanningsleden van de rivierboten. In 'Life On the Mississippi' van Mark Twain wordt daar uitvoerig over verteld. Vaak vonden die mannen de dood ten gevolge van hun eigen roekeloosheid.

We zitten met de hele bus aan tafel voor het middagmaal. Ik eet kip op de manier van Iberville. Dat valt best mee. Alleen weten we niet wat zeggen tegen onze tafelgenoten. Tegenover ons zit een Italiaans stel. De vrouw heeft iets aan haar ogen. Zij spreken Italiaans en zijn even in zichzelf gekeerd als wij. Voor de rest zijn het allemaal Amerikanen.
Na het middagmaal rijden we over de River Road naar het Houmas huis in Burnside. Dat huis, eveneens in neo-Griekse stijl, heeft zijn naam van de Houmas Indianen, die hier oorspronkelijk woonden. We worden verwelkomd door dames in de klederdracht van de Southern Belles zoals ze in 'Gone With the Wind' te zien zijn. Het meisje dat ons door de kamers leidt spreekt met een heel mooi Zuiders accent. "Wij zijn niet zo ouderwets als je wel zou denken", zegt ze. Om dat te bewijzen tilt ze haar lange jurk een stukje op, wat ontegenzeggelijk een erotisch gebaar is, zodat we een blik kunnen werpen op haar Reeboks. Ze vertelt de geschiedenis van het huis. Tijdens de burgeroorlog bleef het Houmas huis het lot bespaard dat zoveel andere antebellum huizen te beurt viel doordat zijn eigenaar, de Ier John Burnside, op basis van zijn Brits staatsburgerschap onpartijdigheid kon inroepen. Vermeld moet nog worden dat het huis als decor diende voor de film 'Hush Hush, Sweet Charlotte' met Bette Davis en Olivia de Havilland. Op het landgoed om het huis vallen vooral de magnolia's op, met het Spaanse Mos dat aan de takken hangt. Voor we weer vertrekken vraagt ze of we ook allemaal naar het Zydeco-festival gaan, hier in de buurt. Zij gaat er zeker naar toe. Ik had haar graag gezegd dat wij er ook naartoe willen gaan , maar dat we er niet kunnen geraken. Op de of andere manier was ik daar niet toe in staat. Wellicht had ze het heel vreemd gevonden dat wij niet kunnen rijden. En de afstand die ik moest overbruggen om met iemand uit de 19de eeuw met Reeboks aan te kunnen praten was ook wel wat groot.
Op de terugweg laat de chauffeur ons met rust. Zo kunnen we de indrukken verwerken die we hebben opgedaan. Amerikanen praten graag, maar deze Amerikaan weet alvast wanneer hij moet zwijgen.
Terug in New Orleans eten we een ijsje van bij Haagen-Dasz op een bank aan het Jackson Square en luisteren naar de blues van een paar straatmuzikanten. Recht voor ons staat de weinig imposante St.Louis kathedraal.

Voor we naar de Storyville club gaan, eten we vlug iets bij Frank's, een onopvallend Italiaans eethuisje. Zeker zo goed als het cajun-eten en zeer goedkoop. In Storyville, aan Decatur St. treedt vanavond Eddie Bo op. Ik kan het haast niet geloven. Een maand geleden hebben we Eddie Bo in Brussel aan het werk gezien voor een uitverkochte AB en nu gaat de man zijn ding doen voor welgeteld zeven aanwezigen. Vijf daarvan zitten aan de bar, de andere twee, wij dus, aan een tafeltje. Na een tijdje is er een achtste, die in de deuropening postvat. Hij draagt een zwart alpinopetje en heeft een grijze baard. "Dat is Eddie Bo", zegt Laura. Dat is inderdaad Eddie Bo. Hij lijkt het helemaal niet erg te vinden dat hier zo weinig volk is. Er is een voorprogramma : een blanke blueszanger met een lange baard à la ZZ Top die luistert naar de naam Coco Robicheaux. Ik geloof dat de 'echte' Coco Robicheaux een legendarische figuur is in New Orleans. Tijdens de weinig opvallende set van deze man probeer ik voldoende moed te vergaren om naar de Eddie Bo toe te stappen, die nu aan de bar staat. Na een drietal Corona's (Laura drinkt Amaretto) durf ik het aan. Ik vertel hem dat ik uit Brussel kom, dat ik van zijn concert in de AB heb genoten. "All the way from Brussels, to see me," roept hij uit, "man, ain't that something!" Ik stel hem een aantal vragen over de muziekscene in New Orleans, over Johnny Adams, of die toch niet wat te zeer crooner uithangt, over Willy Deville, over Doctor John en vooral over Little Richard. Ik vraag Eddie Bo of hij 'Slippin' and slidin' werkelijk heeft geschreven. "Jazeker," zegt hij. Eigenlijk is dat niet helemaal waar. Eddie Bo's nummer heet 'I'm Wise'. Dat heeft model gestaan voor 'Slippin' and Slidin''. Het beste wat Eddie Bo ooit heeft gemaakt is 'Check Mr. Popeye'. Eddie Bo zegt me dat we zeker eens naar Tipitina's moeten gaan. We moeten daarvoor de tram nemen in Magazine Street. En maandag moeten we naar Louis Armstrong Park komen.

Het optreden van Eddie Bo is echt heel bezield. Zijn pianospel is vrij beperkt, maar het gaat om het ritme. Zijn stem klinkt warm. Hij overloopt ongeveer zijn volledige repertoire : 'Slippin' and Slidin'', 'Land Of 1000 dances', 'Big Chief', 'Check Mr. Popeye'. Af en toe draagt hij een nummer aan ons op. Dat gaat dan van "this song is for Martin and Laura, who came all the way from Brussels to see me... enzovoorts." In sommige songs wordt zelfs opeens naar Brussel verwezen. Eddie Bo heeft een pot op zijn piano staan. Daar moeten de aanwezigen geld in stoppen. Dat is iets typisch voor hier. De pot staat jammer genoeg een beetje in de weg. Je ziet de muzikant bijna niet zitten. Eddie Bo heeft zich in de jaren '80 een tijdje teruggetrokken uit de muziek. Tijdens die periode heeft hij zijn brood verdiend als timmerman. Men heeft hem ook vaak door Broad Street zien lopen waar hij religieuze pamfletten uitdeelde aan de voorbijgangers. Ik denk dat die fase nu voorbij is. Maar ik heb het hem niet gevraagd. Ik heb hem zelfs niet gevraagd of hij nog altijd een moslim is. De man interesseert mij alleen maar voor zijn muziek. En daar is hij nog altijd goed in.

ZATERDAG 05/09

Ik heb een lichte kater van al die Corona's. Laura heeft last van de Amaretto's (achteraf blijkt er iets anders aan de hand te zijn). Vandaag gaan we het rustig aan doen. We ontbijten op een binnenkoertje in Royal Street ($ 7). Daarna lopen we naar het Greyhond busstation (tegelijk ook het Amtrack station) om tickets te kopen. Het is moordend heet en Laura voelt zich elke minuut slechter. Ze heeft een zware kou gevat, heeft last van een lopende neus en haar ogen zijn al helemaal rood. Op deze brede lanen, zoals South Rampart Street en Loyola Avenue is nergens schaduw. New Orleans ziet er hier niet mooi uit. Het lijkt wel een gebombardeerde stad. Overal leeggeslagen ruimtes en hier en daar een nieuw gebouw, zoals het Postkantoor of City Hall. En altijd op de achtergrond de reusachtige Louisiana Superdome. In het busstation zie je meteen dat vooral arme mensen (dus zwarten, moet je helaas vaststellen) van de busdiensten gebruik maken. De tickets voor Memphis zijn iets minder duur dan mij was verteld ($ 43 per persoon). Om wat af te koelen stappen we even bij Macy's binnen.

‘s Middags eten we heel lekker en gezond, met een glaasje verfrissende Californische witte wijn erbij, in café Madeleine, aan het Jackson Square. Daarna slenteren we rond in de French Quarter. We drinken een 'screwdriver' in het Old Absinth House op Bourbon Street. Tegen de muur hangen duizenden bankbiljetten met een of andere boodschap erop. Laura blijft snotteren. Ook de screwdriver is geen afdoend middel. Ze is bang dat ze vanavond niet naar Tipitina's zal kunnen gaan. Er is ontzettend veel volk op straat. Maandag is het Labor Day. Dit is dus een weekend van feest, muziek, drinken. In Decatur Street zie en hoor ik eindelijk zo'n marching band. Heel kleurrijk, dat koper en dat rood van de uniformjasjes. In het Café du Monde, dat 24 uur open is, kost alles 80 cent. We eten lekkere beignets en zelfs de koffie smaakt uitstekend. Bourbon Street is in een kermis veranderd. Men loopt er in shorts bier te drinken uit plastic bekers. Hier en daar zie je een neger met plastic zak waarin hij lege blikjes stopt. Voor elk blikje krijgt hij een paar cent (ik weet niet precies hoeveel). Er zijn niet alleen topless maar ook bottomless bars. Sommige clubs hebben hun deuren openstaan. In spiegels kunnen de voorbijgangers de 'exotische' meisjes hun act zien opvoeren. Ik heb een ontzettend mooie rode taxi gezien. Daar moest ik absoluut een foto van maken.

In Magazine St. wachten we op bus 11 naar Napoleon Avenue, waar het legendarische Tipitina's, de vroegere thuishaven van Professor Longhair zaliger, zich bevindt. Omdat we bang zijn dat we te laat zullen komen nemen we na een tiental minuten wachten maar een taxi. De zwarte chauffeur spreekt een patois dat je moeilijk verstaat. Hij vertelt over Tipitina's. Dat hij als zijn dienst erop zit daar vaak nog iets gaat drinken. Hij heeft met Aaron Neville in de klas gezeten, zegt. New Orleans is trots op the Neville Brothers, zegt hij. Wij rijden door een wijk die mij aan voodoo doet denken. Ik ben er toch niet helemaal gerust in. Je ziet alleen maar houten huizen. Er is nauwelijks verlichting. Ik denk aan slangen en krokodillen en zo. Natuurlijk zijn we veel te vroeg in Tipitina's. Ik ben ook niet goed geïnformeerd. De film 'The Big Easy' had mij ervan overtuigd dat je hier goed kon eten, dat Tipitina's niet alleen een concertzaal maar ook een restaurant was. Je moet films nooit au sérieux nemen. Er staan wel een paar gammele tafeltjes achter in de zaal, maar eigenlijk kun je alleen maar iets uit het vuistje eten. Er is nog geen mens. Pas over twee uur begint het concert (22.30 u). We gaan aan een tafeltje zitten en wachten. Maar we zijn zo moe dat het wachten vreselijk lang duurt. En Laura voelt zich ellendig. Na een tijd komt er iemand rond die tickets verkoopt voor Sam Myers ($ 14). Dat is het enige wat er gebeurt gedurende die twee uur. Tenzij je de muziek van Professor Longhair (en van niemand anders, twee uur lang) meerekent. Om een uur of tien komen de eerste mensen binnen, vooral hippe jongeren. Sam Myers is nochtans een oude blinde bluesman uit Chicago. Het wordt een zompig concert, met Anson Funderburg op de gitaar en Sam Myers zelf op mondharmonica. Hij is tevens een ongepolijste, dus authentieke blueszanger, die ondanks zijn handicap stevig met zijn voeten op de bühne staat. Na elk nummer reageert het publiek erg enthousiast. Tijdens de pauze zie ik dat Doctor John ook in de zaal zit. Er wordt veel gerookt en voldoende gedronken. Het bier is nochtans niet goedkoop. Aan het begin van de tweede set voelt Laura zich zo ellendig dat ze het niet meer kan uithouden. We moeten terug naar het hotel.

Foto: Eddie Bo.

De commentaren zijn gesloten.