31-07-05

HOPE SANDOVAL'S DROOM


Hope 2


Kapitein drinkt sterke rum tijdens een lange droomvaart. In de seringenmist bespeurt hij zijn albatros. Een loods is overbodig tenzij hij zijn gitaar inplugt en het voordek onderdompelt in fuzz en feedback. En dan daarbovenop het heroïnegefluister van Hope Sandoval. Je proeft haar gif in je oor. Je vreest verdrinking in de donkere platen, waar de bedrogen tweelingbroers rusten. In haar zwarte hand houdt ze een appel. De kapitein werpt zijn lege fles overboord en zegt ‘schandalig’, ‘verrukkelijk zo zonder uitzicht’! ‘Alle magere vrouwen zijn hoeren’, verklaart het Boek der Schlemielen. De omvang van hun borsten. De hitsigheid van hun stemmen. Maar magerder kan niet in zulk donker donker. Tot je dag binnenvaart en de lucht licht wordt van vioolgeur. Hope Sandoval zal zich dan afzonderen als een vampier in een bunker en haar stem voeden met velerlei medicijnen.

29-07-05

UITVERKOREN SCHRIJVERS


musil 2


Een 'lijstje' van mijn uitverkoren schrijvers.

Paul Auster, Douglas Coupland, Ian McEwan, Hanif Kureishi, TC Boyle, Don DeLillo, Allen Ginsberg, Jack Kerouac, James Cain, Dashiel Hammet, Raymond Chandler, Patricia Highsmith, Ross McDonald, Lucebert, Hendrik Marsman, Remco Campert, Geerten Meysing, Cesare Pavese, Giorgio Bassani, György Konrad, Milan Kundera, Franz Kafka, Robert Musil, Elias Canetti, Arthur Schnitzler, Hermann Broch, Carson McCullers, Virginia Woolf, Malcolm Lowry, Thomas Hardy, Henry James, August Strindberg, Knut Hamsun, Fernando Pessoa, Marcel Proust, André Breton, Antonin Artaud, Arthur Rimbaud, Wladimir Nabokov, Ivan Toergenjev, Alexander Poesjkin, Nicolai Gogol, Gustave Flaubert, Stendhal, Jonathan Swift, Heinrich Von Kleist, Giacomo Casanova, Giacomo Leopardi, Dante Alighieri, Friedrich Hölderlin, William Blake, Walt Whitman, TS Eliott, Sylvia Plath, WH Auden, Rainer Maria Rilke, Guy Debord, Raoul Vaneigem, Jacques Derrida, Michel Foucault, Roland Barthes, Friedrich Nietzsche, Arthur Schopenhauer, Jean Jacques Rousseau.

Het was echt wel tijd voor nog eens een lijstje, ik begon ontwenningsverschijnselen te krijgen. Je zal moeilijk kunnen zeggen dat dit triviaal is. En ik vermoed dat ik nog heel wat uitverkoren schrijvers over het hoofd heb gezien; ik heb geen bibliotheek in mijn nabijheid om dit na te gaan. Waarom staan Cervantes, Melville en Joyce er niet in? Toegegeven, dat zijn grote schrijvers, maar het zijn geen favorieten van mij.

DE KLEINE TRAGEDIE VAN EEN HÖLDERLINLEZER


Friedrich Hölderlin


Met Hölderllins gedichten op zoek naar een café, om even op adem te komen. Je voelt een soort trots. Maar waarom eigenlijk ? Er was je een ochtend van kristal beloofd, heldere lucht die je de adem zou terugschenken.

Hoe je in het donker je tenen telde. De tel verloor. Opnieuw begon. Een haast net zo donkere prinses gleed uit haar witte jurk. Heel even lichtte haar verblindende huid op in de nacht. Daarna hulde zij zich in slangenvel en vulde haar ogen met bloeddorst. Een superieure onverschilligheid voor je lijden nam bezit van haar. Je zette de zwarte parel uit het hoofd.

(Niemand ontsnapt aan de wetmatigheden, in je boek genoteerd.)

Maar niets van dat alles. De zon schroeit en verblindt. Het graan kan elk ogenblik in brand schieten. Nergens is een landbouwer te bespeuren. Het is te heet.

's Avonds gaat het beter. Er worden grote glazen strogeel bier geschonken. De echo van de accordeonmuziek lijkt het bestaan van een hiernamaals te bevestigen, vooral waarschijnlijk omdat je met niemand praat, je kent hun dialect niet, maar wel evenveel drinkt als zij.

Een jong meisje danst op een ruwe houten vloer. Haar bloemetjesjurk is vochtig van haar zweet dat naar appelwijn ruikt. Je had haar graag bij de heupen genomen, en dan zou ze je toegeglimlacht hebben. Dat zou voldoende zijn geweest om je waKker te schudden uit je lethargie. Maar je gaat weer op dezelfde stoel zitten, alleen aan een tafeltje. Met tegenzin grote slokken bitter bier drinkend. Je hebt opeens zin om zo'n vlot type te vermoorden. Een schot tussen de domme ogen zou volstaan.

26-07-05

DE TOREN


empire 3


Twee mannen stappen gehaast door een maïsveld. Ze zijn al lang onderweg. Nu duikt voor hun ogen aan de horizon de Torro de l'Oro op. Vol verwondering laten ze hun blik rusten op het bouwwerk. Ze zwijgen lange tijd en denken bij zichzelf: 'die toren behoort mij toe, ik zag hem het eerst.'

Kraaien in de blauwe lucht. Af en toe scheren ze over de maïsstengels.

De ene man, die een blauw pak aan heeft, neemt het woord. "Dat is de toren van 1750", zegt hij.De tweede man, klein van gestalte, zegt: "Je mag zeggen wat je wilt, maar die toren is van mij, ik heb hem het eerst gezien".

Dicht bij de gouden toren brandt een vuurtje. De kleine man ziet een grote sleutel, die ligt te gloeien in de vlammen. Dat is de sleutel van de poort, denkt hij. In zijn hoofd wordt alles nu glashelder. Een paar meter achter hem daagt zijn metgezel op. De man in het blauw, met een mes in de hand.

De man in het blauw stopt het mes in zijn zak en loopt door: wat verderop heeft hij een brug ontwaard. Dat is de brug naar de toren, denkt hij. Niets houdt mij nu nog tegen. Het geheim is voor mij.

De kleine man twijfelt. Eerst de sleutel uit het vuur, of meteen naar de toren, dat is de vraag. De sleutel, denkt hij, die moet ik hebben. Laat hem maar lopen. Die geraakt toch niet door de poort.

De man in het blauw nadert de brug. Daar stort hij al neer, zijn hart stil gevallen. Zijn gelaat heeft nu dezelfde kleur als zijn pak. Uit dit voorval schept de kleine man nieuwe moed. Hij begeeft zich in de vlammen om zich de sleutel toe te eigenen. Aangezien hij echter blootsvoets is, verbrandt hij meteen zijn voetzolen. De sleutel blijft buiten bereik.

Nu zit hij radeloos onder een notenboom. Zijn voeten doen pijn, maar daar denkt hij niet aan. Hij denkt aan de toren en aan de sleutel in het vuur. Hoe geraak ik toch in de toren binnen zonder sleutel?Plotseling treft een bliksemflits de top van de toren. Het bouwwerk vat meteen vuur. Allerlei gedaanten, bevangen door schrik voor de vuurdood, springen door de ramen.

De kleine man scharrelt zijn weinige bezittingen bijeen en keert terug op zijn schreden. De zon is inmiddels aan de hemel verschenen. Hij probeert zo lang als hij kan in de zon te kijken. Tot hij zich moet onderwerpen. Niets is sterker dan de zon, zegt hij. Achter hem staat de Torro de l'Oro. In het bovenste gedeelte is het vuur al gedoofd.

25-07-05

GEEF AL HET OVERIGE AAN DE STROOM

nachtmerrie,ziekte,dood,metamorfose,verhaal,hoochiekoochie,rivier,stroom,golem,shakespeare,paul bowles

Alfred leunt zwaar tegen de donkere kussens. Naast het bed dat naar de ziekte stinkt staat een kastje met doosjes pillen, drie romans van Paul Bowles, het werk van Shakespeare en een fles jenever. Voorbij het kastje begint de verschrikkelijke wereld. Uit die verschrikkelijke wereld is een bezoeker opgedoken die nu op een stoel naast het bed zit en luistert naar Alfreds gefluister. 


"Mijn vriend en ik wandelden over een verlaten strand. De zon omhulde ons met een zacht licht, met tinten van de Atlantische oceaan en van de hemel. Er waren geen wolken te zien. Hadden we niet beiden het gevoel dat we in het oneindige rustten ?"

"Wie was die vriend", vraagt Bruno, "of spreek je daar liever niet over?"

"Het was Bruno", zegt Alfred, "maar het was niet dezelfde Bruno als jij. Een beetje wel, hij had bijvoorbeeld hetzelfde blauwe pak aan als jij, en hij had ook dezelfde boeken gelezen, geloof ik. Maar hij hield van aardappelen. Ja, hij was anders."

"Bruno begon een put te graven. Na een kwartier of zo stootte hij met zijn schop op een been. Het kwam hem voor dat het een menselijk been was. En inderdaad, enige minuten later vond hij nog een stuk van wat alleen maar een geraamte kon zijn. Hij zou blijven doorgraven tot hij alle beenderen van het skelet verzameld had, zei hij..."

"Ik zie het", zegt Bruno, "en hij heeft de schedel in zijn handen en hij mompelt 'waarom zou dit niet de schedel van een rechtsgeleerde zijn? Waar zijn nu z'n haarkloverijen, zijn drogredenen, zijn rechtsgedingen, zijn acten en zijn knepen...'"

"Geen sprake van", zegt Alfred. "Hij zou te moe geweest zijn om aan Hamlet te denken. De zon was mild, dat wel, maar het graven duurde lang. Ik weet niet hoe het kwam, maar op een bepaald moment besefte ik dat ik me naast Bruno in de put bevond. Ook ik stond nu te in de grond te wroeten. Ik stelde vast dat de beenderen uitermate klein waren. Dat zag ik nu pas. We begrepen dat dit het geraamte van een dwerg moest zijn. Hierdoor werd onze nieuwsgierigheid, die zo al groot was, nog meer gewekt. Uiteindelijk, toen we alleen nog op zand stootten, wikkelden we alles wat we gevonden hadden in een doek en namen het mee naar huis. Je kunt je niet voorstellen hoe ongeduldig je was, Bruno."

"Ongeduldig?", vraagt Bruno.

"Je stalde de beenderen uit op een lage, notenhouten kast, die ik overigens nooit tevoren had opgemerkt. Wat ga je doen, vroeg ik. Ik ga het geraamte in elkaar zetten, zei Bruno. Ik ging een thee drinken in het theehuis op de hoek en bladerde wat in de krant van twee dagen tevoren. Een half uurtje later stond ik opnieuw voor de kast en vroeg nog een keer wat hij nu eigenlijk aan het doen was. Ik maak een ventje, zei hij.
Bruno zat echter op een stoel recht voor de kast en keek naar het ventje. Hij was al gereed, met zijn schitterende oogjes en zijn grote rode neus. Bovenal glom hij, van top tot teen. Ook was hij natuurlijk buitengewoon klein. Je zag meteen dat het een slecht ventje was, Bruno. Door en door slecht. En plots was jij verdwenen, weg. Alleen het ventje was er nog. En ik. Heel brutaal keek de smeerlap me aan en zei, met jouw eigen stem, maar krassend en oud, een lelijke stem: weet je wel wie ik ben? Ik ben je vriend, Bruno, zei hij. Je had zijn grijns moeten zien. Maar gelijk had hij: tegenover mij zat het ventje en hij heette Bruno en het was mijn enige vriend. Hij bleef niet lang zitten.
Waarschijnlijk had hij zin om even zijn benen te strekken. Wat ook de reden was, hij sprong van de kast en begon luid te lachen. Ik voelde er niets voor om iets te zeggen. Al het zout van de oceaan zat in mijn mond.
Toen jij terug was, ik weet niet van waar je kwam, trok alle leven uit het ventje weg. Wel bleef hij nog rechtop staan, maar hij lachte niet langer, en de schittering verliet zijn gemene oogjes. Daarop keek jij me aan en zei: nu moet jij eens het ventje zijn, Alfred.
Het gebeurde zo snel dat ik me hoegenaamd niet kon verzetten. En de duivel daalde in mij neer met zijn vurige aard en vloekte in mij, met mijn kleine, giftige tong. Ik was het ventje. En er was niets op de wereld dat ik liever wou doen dan de mensen zoveel mogelijk kwellen. Dat ik ooit Alfred was geweest was ik vergeten. Toch zei ik tegen Bruno: ik ben Alfred, je beste vriend. Tegen jou zei ik dat, dat je mijn beste vriend was. Maar geen steen mocht op een andere steen blijven rusten. En de walvissen van de oceaan zouden op het strand liggen te rotten in de verzengende zon."

Bruno kan het gefluister niet meer verstaan. Een stervende mens stinkt erger dan een dood schaap op het strand. Soms moet hij er even uit om in het park de geur van de dennenbomen op te snuiven en in een soort van geestelijke verbijstering te bidden tot Sint-Christoffel, die op een paard gezeten, een kind naar de overkant van de rivier helpt. Alleen het kind, bidt hij, geef al het overige maar aan de stroom.

VREDE ONDER DE DODEN / LONG JOHN BALDRY


andres serrano 2


De tragische gebeurtenissen van de voorbije weken en dagen - al het bloed dat door de straten van onze steden stroomt, al de verdwaasde jongens die zichzelf opblazen, al de jongeren en ouderen die uiteen worden gereten, en al spoedig vergeten zullen zijn – dreigen een gevoelloze toeschouwer van je te maken. Je blik wordt troebel, net zoals de foto’s die je maakt van je geliefde en van je vrienden. Je keert je rug naar de toekomst en laat je persoonlijke geschiedenis ophouden ergens in de jaren ’90. Je maakt jezelf wijs dat alles toen beter was. Wat natuurlijk niet zo is. Wij zijn altijd al wreed geweest voor elkaar. Slechte en dwaze mensen zijn van alle tijden. Toch is er ook veel liefde en mededogen in het hart van veel eenlingen. Arbeiders, schrijvers, kunstenaars, hoeren, priesters verkondigen nog altijd het evangelie van eros en agape. Een leger des heils van de verbeelding houdt ons, gewonde en troosteloze dieren, bij elkaar, in de verenigde staten van de potentiële vrede.
Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen is dat door al deze gebeurtenissen de kleine dingen door de mazen van het net dreigen te vallen. Bijvoorbeeld de dood van Long John Baldry, een begaafde blueszanger, die vooral populair was in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Als er geen vrede is onder de levenden, laat er dan ten minste vrede zijn onder de doden.

De foto is een werk van Andres Serrano.

FILE GUMBO OP DE MYSTERY TRAIN


louisiana

Zij zouden naar New Orleans gaan
, in Lousiana, Memphis in Tennessee en New York in New York. Het zou een verrukkelijke reis worden. Ze zouden zich goed amuseren. Ze zouden veel vliegen en taxi's nemen. In New York zouden ze zich tot helemaal boven in de Empire State Building begeven. Die is tot middernacht open, had Marc gezegd. In Louisiana zouden ze met een bootje de bayous en de swamps verkennen. Ze ouden oog in oog staan met alligators. Filé gumbo en jambalaya eten. Met een raderboot de Mississippi bevaren, de Proud Mary, rolling on the river. In Memphis zouden ze het spook van Elvis tegen het lijf lopen, de Japanners uit Mystery Train achterna. In New York was een appartement waar Buddy woonde, die in 1991 al erg oud was, bij de verzekeringsfirma werkte hij al lang niet meer. En zijn huwelijk met het liftmeisje was uiteindelijk toch op een mislukking uitgelopen.

Foto: Martin Pulaski, Louisiana 1992

23-07-05

GEORGE HARRISON EN GEETA DUTT


geeta dutt 2

All Things Must Pass
van George Harrison is ongetwijfeld een mijlpaal in de populaire muziek; de beste soloplaat van een Beatle. Vreemd woord overigens, Beatle, zo in het enkelvoud. Het had altijd Beatles moeten blijven, de groep had nooit mogen uiteenvallen, en John, Paul, George en Ringo hadden eeuwig moeten leven, yeah yeah yeah. Dat was het minste wat God voor ons had kunnen doen. My Sweet Lord! Maar even ernstig nu: Harrisons melodieën zijn adembenemend, zijn stem gaat door merg en been, de productie – van Phil Spector – is onberispelijk. Als je de plaat niet kent, raad ik je aan eens te luisteren naar I’d Have You Anytime, If Not For You – beter bekend in de versie van Bob Dylan - en de titeltrack natuurlijk.

Het allermooiste lied, denk ik, heb ik helaas maar een keer gehoord, op een avond in 1987, toen ik op televisie naar de film Kaagaz Ke Phool van Guru Dutt zat te kijken. Een mooie, melancholische film, bijna even goed als De muziekkamer van Satiyajit Ray. Toch waren mijn gedachten even afgedwaald van het verhaal, tot ik de stem van Geeta Dutt hoorde, een en al gelukzalige droefheid; en voor wat er toen met me gebeurde vind ik geen woorden. Het was een zinsverbijsterende ervaring, je mag al blij zijn als je er zo één hebt in je leven; Proust schrijft er over in Op zoek naar de verloren tijd. Geeta Dutt en de liederen Dekhi Zamaane ki Yaari en Waqt ne Kiya Kya Haseen Situm, dat moet het allerhoogste zijn wat een mens qua expressie van emoties kan bereiken.
Sinds 1987 ben ik al op zoek naar die muziek, en naar de film, zonder resultaat. Maar misschien zoek ik niet hard genoeg, misschien ben ik bang voor de teleurstelling die ik zeker zal voelen als ik deze muziek nogmaals zal horen.

HERINNERING AAN CHEB


trein 3


De trein lijkt wel door modder te moeten ploeteren, door velden met rode bieten. Een paardentrein met zestien uitgeputte paarden ervoor gespannen. Paarden die hun laatste zweet uitzweten, die erbij neervallen, met de muil opengesperd.

Tegenover me zit een man met vier zware koffers, een groot aantal kartonnen dozen en allerlei pakjes en zakjes. Aan de grens, in Cheb, stapt de douane op. Een streng kijkende dame met een pet op en lederen handschoenen aan komt ons coupé binnen. Ze is nog jong, niet lelijk, en ziet er sterk uit. De man tegenover me wordt bevolen zijn koffers te openen. Kleren vliegen in het rond. De vrouw met de handschoenen stelt vragen die ik niet begrijp. Hoe zou ik ook, ze spreekt vermoedelijk Tsjechisch. De man geeft antwoorden, die naar het mij voorkomt haar geen voldoening schenken. Hij moet ook de dozen openmaken, nog meer koffers, er komt een transistorradio te voorschijn, allerlei andere elektrische toestellen, strijkijzers, jam, pariserworst, oploskoffie. Al spoedig is het hele coupé met kleren, rommel, apparaten gevuld, stof vliegt in het rond, ik krijg er een flinke niesbui van. Nu moet de Tsjech uitstappen. Ik help hem bij het uitladen van zijn bagage, geef hem koffers en dozen aan door het raam. Het is allemaal loodzwaar. Wat zal er met de arme man gebeuren? De trein zet zich in beweging, richting Marianske Lazne. Wat staat mij in dit land te wachten? En in Marienbad, een plaats die alleen maar in een boek en een film zou mogen bestaan? Zal ik achter het geheim komen van de truc met de lucifers?Is er wel een geheim? Heeft de toekomst nog verrassingen voor mij in petto? Als ik de kleine dingen niet uit het oog verlies, zal dat wel zo zijn.

22-07-05

LEVE BELGIE!


belgische vlag 3


Ik ben geen royalist, maar houd wel van mijn land en zie geen enkele reden waarom dit zou moeten ophouden te bestaan.
België is een mooie constructie, heb ik altijd gevonden, en een goed werkende democratie. Het land heeft sinds 1999 vrij goede federale regeringen gehad, zeker wat de ethische kwesties betreft. Voor sociale zaken is een regering met liberalen natuurlijk altijd te rechts, maar in dat verband wordt een mooi tegengewicht geboden door de Walen, met Elio Di Rupo als grote voortrekker. De Walen hebben altijd een veel sterker sociaal bewustzijn gehad dan de Vlamingen. Degenen die voor een splitsing van België zijn, streven naar een landje waar de conservatieve, katholieke, bezittende klasse opnieuw de macht verwerft. De perfecte fermettestaat. Bart De Wever, helaas moet ik zijn naam hier noemen, beweert dat hij voldoende peilingen kan opsommen waaruit zou blijken dat de Belgen niet langer wensen dat hun land blijft voortbestaan. Die peilingen zou ik wel eens willen zien. Mijn intuïtie zegt me dat de koning gelijk heeft: een grote meerderheid van de Belgen wil niet splitsen. Overigens maken De Wever en zijn papegaaien zich belachelijk door zich over zulke onbenulligheden op te winden terwijl fanatieke moordenaars onze democratie willen vernietigen en wij democraten zelf onze ogen sluiten voor verwoesting van de bakermat van onze cultuur. En dat laatste gebeurt in onze naam, zogezegd om onze democratische waarden te vrijwaren.
België is een detail in de geschiedenis, niet meer maar ook niet minder. Bart De Wever en zijn nieuwe Vlaamse alliantie doen aan kortzichtige, egoïstische, antisociale politiek. Hun streven naar etnische zuiverheid kan ernstige gevolgen hebben. Maar ik blijf ervan uitgaan dat de meeste Belgen voldoende gezond verstand – en zin voor surrealisme – hebben om niet op de lokroep van de haat in te gaan.

LONDEN / MECCA


come dancing

Opnieuw een aanslag in Londen, terwijl wij hier de nationale feestdag vieren. De terreur is overal, wordt gezegd, waarom meer drukte maken over Londen? Ik kan daar niet op een rationele basis op antwoorden, zeker niet zo laat in de nacht. Maar in Londen ben ik spiritueel geboren, in 1967, in de summer of love, toen Are You Experienced en Sgt. Peppers in de platenwinkels lag en Carnaby Street het beloofde land was. Naïef misschien, maar toen werd wel de basis gelegd voor wat nu jeugdcultuur heet. Naïef heel zeker, want die jeugdcultuur is niet meer en niet minder dan een miljardenbusiness. Allemaal terzijdes. Talking trash, never say anything. Ik heb er mijn hart verloren, en nu ben ik eens te meer bedroefd. Terwijl ik met feest in mijn hoofd zit, echte Belg die ik ben. Bad news, bad news! Overigens heb ik in Londen mijn eerste schuchtere danspasjes gezet in een dancing die Mecca heette. Talking leads to touching and touching leads to sex. Toch nog blij kunnen zijn, in weerwil van de tragiek. Hoe kan dat? Door Rilo Kiley.

20-07-05

EEN AANTAL SPOREN


CINEMA2


Als ik niets te vertellen heb, kan ik ook niets bedenken. Ik heb geen fantasie en kan niet liegen. Als ik niets te vertellen heb zijn er drie mogelijkheden:

1.Ik geef je helemaal niets.
2.Ik geef je oude verzinsels.
3.Ik laat in mijn kaarten kijken (sporen).

Liefde

Liefde als een bron van groot moreel gevaar, “door haar partijdigheid en de ermee gepaard gaande extreme kwetsbaarheid, die de koppeling met jaloezie en woede vrijwel onontkoombaar maken.” Dat las ik tot mijn grote schrik in ‘Oplevingen van het denken’ van Martha Nussbaum.

Teleurstelling

“Het streven van gisteren gold voor het ik van gisteren en niet voor dat van vandaag. Wij zijn teleurgesteld dat datgene wat wij zo graag bereikt noemen, zo nietig blijkt te zijn.” Toen Samuel Beckett dit schreef in verband met Marcel Proust vertelde hij niets nieuws. Dit idee vinden we reeds bij Kant terug en, nog meer uitgewerkt, bij Schopenhauer. “Zodra we iets krijgen waarnaar we hebben verlangd ontdekken we dat het niets voorstelt, en leven we alweer in de hoop op iets beters, hoewel we tegelijkertijd ook vol spijt verlangen naar wat voorbij is. Met het heden nemen we maar voorlopig genoegen, en we beschouwen het alleen als de weg naar het doel.” Dat schrijft Schopenhauer in ‘Over de nietigheid van het bestaan.’Onze dorst naar bezit is onlesbaar, ongeacht het object van ons verlangen.

Dichtkunst

“De goede dichters van epen danken al die mooie poëzie niet aan vakmanschap, de oorzaak is dat zij van god vervuld en bezeten raken. Hetzelfde doet zich bij de goede lyrici voor. Zoals de korybantenvolgers als hun geest helder is niet kunnen dansen, zo maken de lyrici die mooie liederen niet als hun geest helder is. Maar wanneer ze onder invloed komen van harmonie en ritme, ontstijgen ze zichzelf en raken ze bezeten. Zoals de Bacchanten die honing en melk uit de rivieren scheppen wanneer ze bezeten zijn, maar dit nalaten wanneer hun geest helder is – zo werkt ook de ziel van de lyrici, naar ze zelf verklaren.
Want de dichters zeggen ons, dunkt me, dat hun zoete liederen die ze ons brengen, eerst uit de van zoete honing overvloeiende bronnen in zekere tuinen en dalen van de Muzen gepuurd hebben. De bijen gelijk – en vliegen kunnen zij ook al. Ze spreken de waarheid: een licht gevleugeld en heilig ding is de dichter, die niet kan scheppen eer hij vol van god en leeg van zinnen raakt, zijn verstand hem niet meer hindert. Zolang hij nog over zijn verstand beschikt, is geen mens in staat te dichten en te profeteren.” Plato, Ion.

19-07-05

SCHILD OF VRIEND


We zitten al de hele middag te drinken, mijn vriend Alfred en ik. Zoals veel van mijn vrienden en kennissen is Alfred het leven beu. Optimisten (en eigenlijk al degenen die geslaagd zijn in hun carrière) hebben mij om een of andere reden al lang de rug toegekeerd. Bestel nog een glas wijn, is Alfreds leuze, want het leven is niets en de wereld heeft mij niet nodig.

's Avonds in café de Kat laat ik Alfred even aan zijn lot over om dag te gaan zeggen tegen Ronald, een vermolmde architect, die in de jaren zestig zijn laatste huizen heeft 'gebouwd'. Ik wijs - niet al te opvallend - naar Alfred en leg uit dat hij diep in de put zit. Ronald haalt zijn schouders op.

"Niemand mag sterven, Ronald", zeg ik.
"Laat ze allemaal maar zelfmoord plegen", zegt Ronald. "En trek het je niet aan, als ze het willen doen ze het toch".
Terwijl we zitten te praten loopt Alfred De Kat uit en roept, zonder echter zijn stem te verheffen, "ik wil sterven". Ik ga hem achterna, grijp hem bij zijn mouw en trek hem weer het café binnen. Ondanks zijn duidelijke afkeer van alles wat hij nu een tweede keer ontwaart gaat hij gewillig op een wankele stoel zitten.
"We nemen meteen een taxi", zeg ik. "Eerst bestel ik nog een rondje voor Ronald en zijn vrienden".

"Ben jij wel van Antwerpen?" vraagt de pooier van een blondje (ongeveer 19 jaar, groene ogen). Waarschijnlijk is hij geen pooier, maar ik vind het prettig hem zo te noemen. Had hij maar niet dat felblauw zijden hemd moeten aantrekken. En dat hij het meisje behandelt alsof ze zijn poedel is kan ik al helemaal niet hebben. Na één seconde haat ik deze man reeds en heb ik zin om hem een vuistslag te geven. Jammer dat ik niet sterker ben. Een goedgeplaatste vuistslag zou nochtans veel oplossen. Maar in de Kat houden ze mij voor een intellectueel. Het soort dat niet vecht. Bovendien doe ik niets aan mijn conditie, draag ik een bril en ben mager, allemaal zaken die weinig efficiënt zijn als het op vechten aankomt.
"Ik ben van Brussel en van Antwerpen", antwoord ik zo vriendelijk mogelijk.
"Daar heb ik ook gewoond, in Brussel", zegt het blondje.
"In Brussel was alles beter", voegt ze er aan toe.
"Overal was altijd alles beter", zeg ik.
Ze kijkt me boos aan. Heb ik iets verkeerds gezegd?
"Ik wil zelfmoord plegen", kreunt Alfred.
"Laat hem toch zeuren", zegt Ronald, "het is nog te vroeg voor je taxi".
"Overal was altijd alles beter", zeg ik, "overal!".

Een Indiër met bloemen komt het café binnen. Niemand is geïnteresseerd in zijn koopwaar. Ik wel : het tafereel roept een vaag gevoel van herkenning in me op, het is alsof ik gedwongen word de man aan te spreken en te zeggen wat ik zeg.
"Hoeveel voor zo'n roos?", vraag ik.
"Een euro", zegt hij.
"Vijftig cent", zeg ik. Ondertussen vraag ik me af: voor wie?
"Negentig", zeg de Indiër.
"Vijftig", houd ik vol.
"Tachtig", zegt de Indiër.
"Vijftig".
"Zeventig".
"Vijftig".
"Zestig".
"Vijftig".
"O.K.", zegt de Indiër, "vijftig frank voor deze mooie roos".
Ik voel me zo sterk door deze overwinning dat ik me afvraag of ik de pooier toch maar niet in zijn gezicht zal slaan. De roos geef ik aan Lydia. Aan wie moet ik ze anders geven? Lydia is natuurlijk verbaasd. Al die jaren dat ik in haar café kom heb ik nauwelijks het woord tot haar gericht, laat staan haar iets gegeven, en nu dit.
"Waarom geef je mij een roos?" vraagt ze.
"Omdat ze in mijn hand verwelkt", zeg ik. "Lydia, ik woonde graag in Antwerpen. Dit is altijd mijn heilige stad geweest. Je had al veel meer bloemen van mij moeten krijgen, al was het maar om de tijd te verzachten".

Pieter De Zwaan komt naar me toe. We begroeten elkaar.
"Je bent wel dik geworden", zeg ik.
"Vind je?", vraagt hij.
"Wel zeker", zeg ik, "erg dik. Als ik ooit een acteur zoek voor mijn versie van Pere Ubu, weet ik bij wie ik terecht kan. A propos, ken jij die pretentieuze kerel daar, met dat brilletje op zijn neus? Nu ja, ik heb ook wel een brilletje op. Maar dat is toch nog een ander brilletje, als je het mij vraagt. Ik heb zin om die man een pak slaag te verkopen. Vooral vanwege dat zijden hemd dan".
"Je moet dat doen", zegt Pieter. "Het is een klootzak. Een echte chauvinist. En hij is niet eens van Antwerpen !"
"Dat is gemakkelijk gezegd", zeg ik. "Maar kan ik die man nu in mekaar rammen, terwijl mijn vriend Alfred daar zelfmoord wil plegen?"
"Wil Alfred zelfmoord plegen?" vraagt Pieter.
"Ja", zeg ik. "Ik breng hem meteen naar huis, met de taxi. En daarna neem ik in Berchem de junkietrein die van Amsterdam komt. "
"Je moet nooit bang zijn", komt Ronald ertussen "Dat is nergens goed voor. In Brussel moet je ook niet bang zijn. Je moet brutaal zijn. En brullen. Als je brult, weten ze dat je niet bang bent. Je moet brullen zoals je hier in Antwerpen hebt gedaan toen die motorrijder je vriend omver wilde rijden".
"Ja, dat is waar", zeg ik, "die sonofabitch is wel even geschrokken".

(Op weg van de Volle Maan naar de Kat had een verschrikkelijke kerel op een Honda geprobeerd Alfred omver te rijden, zij het zeer traag. Vlakbij de kathedraal nota bene ! Ik ben heel luid beginnen te brullen dat hij een verdomde klootzak was. Daarop is hij zo vlug als hij kon met zijn Japans monster op de vlucht geslagen.)

Alfred staat op, neemt een aantal briefjes van twintig uit zijn jas en werpt die op de vloer. Ik raap ze op en geef ze hem terug. Nu is het echt wel tijd voor de taxi.
Als we aan het station van Berchem aankomen heb ik nog twee minuten voor de trein naar Brussel vertrekt. Ik geef Alfred twintig euro, met de bedoeling dat hij zich nog tot voor zijn deur laat brengen, maar hij geeft het geld meteen aan de taxichauffeur en stapt ook uit.
"Zal het gaan?", vraag ik.
"Ja", zegt hij", het is niet ver".

Op de junkietrein zitten geen junkies, zo te zien. Er wordt zelfs geen joint gerookt. Ik zet mijn koptelefoon op en luister naar Townes Van Zandt:
"To live is to fly high and low...".

Een uurtje later hang ik op een barkruk in een armemensen-café nabij het Zuidstation. Het bier smaakt er slecht maar de mensen die er rondhangen zien er tevreden uit, ook al is hun smaak even slecht als die van de pils. Een paar oudere koppels dansen op de muziek van de juke box. "Pepito Mi Corazon", zingt de zangeres van Los Machucambos. Het herinnert me onmiddellijk aan een gedicht dat ik schreef naar aanleiding van de dood van mijn vader (waarin ik hem, met een schipperspet op, zie dansen op "Pepito Mi Corazon"). Het wordt tijd om op te krassen. Dit is mijn verleden. Mijn ware leven is elders. Ik moet bellen naar mijn vriend. Hij mag niet sterven.

In de taxi heb ik een discussie met de Limburgse chauffeur, een uitgesproken racist.
"Die Marokkanen moeten hier weg", zegt hij. "Ze maken hier alles kapot".
Ik word niet boos, probeer hem te begrijpen. Maar hem tot een inzicht brengen dat mij juister lijkt, dat lukt mij niet. Voor mijn woning aangekomen zet hij de teller af, om onze discussie voort te kunnen zetten. We praten nog een half uur. Mijn argumentatie is gebaseerd op één idee: als de Marokkanen weg zijn, dan zullen het de Limburgers zijn die alles verpesten. Want dat zijn ook geen echte Vlamingen, echte Vlamingen zingen namelijk niet. En het zijn zeker geen echte Walen. Mensen kiezen altijd een vijand uit. Dat probleem los je niet op met de Marokkanen of wie dan ook naar 'huis' te sturen.
"De mensen moeten met elkaar leren leven", zeg ik, "dat geldt net zo goed voor u als voor mij. Ik heb net zo goed een heleboel vijandige gevoelens in mijn lijf als u". Zal hij hier over nadenken? Ik betwijfel het. Toch geven we elkaar een hand en nemen we op vriendelijke wijze afscheid.

Het is vier uur in de ochtend. Ik bel Alfred op. De telefoon wordt niet opgenomen. Zou hij slapen? Of is hij dood? Wat maakt het uit voor hem ? Het leven is niets. Alleen wij die blijven zullen treuren. En elkaar met tegenzin in de ogen kijken. Op reis gaan naar plaatsen waar iedereen al geweest is, en geeuwen van al die schoonheid. Alleen wij zullen leugens vertellen. Anders is het leven niets. Alfred is een taaie kerel. Hij kan tegen een stootje.

18-07-05

GREEN GREEN GRASS OF HOME


armstrong


In dit café ziet iedereen er op zijn manier ongelukkig uit. Dat kan ook moeilijk anders, die ongelukkige uitstraling werkt aanstekelijk. Bewust of onbewust beseft elke klant dat er geen droeviger land bestaat dan België. Met Brussel als hoofdstad van de teloorgang. Ik spreek tegen mezelf. Cowboy van de nacht, nog eens een keer. De andere vaqueros schrijven boeken die ze bij hun oude vrienden of vijanden publiceren. Pat Garrett en Billy the Kid. Alias. Hun stad is Brussel. Ze hebben ze helemaal alleen ontdekt. Steen voor steen afgebroken, opgebouwd, weer afgebroken. Klein Sarajevo, zoals ze zeggen. In dit café dans ik de polonaise. Een Japanner speelt synthesizer en kweelt fluwelerig The Green Green Grass of Home, een grote hit voor Tom Jones in de gouden sixties. Desondanks dans ik de polonaise, op mijn eentje, met mijn pen over een bierviltje, op een barkruk gezeten.

Een stukje vuil papier kleeft al een poos aan mijn schoenzool. Dan aan mijn andere. Een weinig aantrekkelijk meisje in minirok dat kort bij me danst, met haar verhit lijf, zet haar voet op het papiertje en ik ben bevrijd. Ze lacht me toe, alsof ze zelf van het Kwaad verlost is. Dat noem ik communicatie. Uit pure en plotselinge menslievendheid betaal ik een zwarte broeder een glas bier. Hij komt uit Nigeria, zegt hij. Of ik getrouwd ben, vraagt hij. Ja, zeker, of course, zeg ik. Hij opent een koffertje waarin horloges, armbanden, halssnoeren, gouden ringen schitteren. Ik glimlach. Ze heeft al een horloge, zeg ik. En armbanden, halssnoeren, een gouden trouwring. Overigens heeft ze nu geen besef van tijd. Ze bevindt zich in een ander universum, waar het gelukkiger vertoeven is dan hier.

Ik zit een tijdje te mijmeren aan de bar, krijg een niesbui, kijk naar de dansende koppels en eenlingen.

Nadat ik bij een groep Polen aan tafel heb gezeten - en lang heb gepraat met het weinig aantrekkelijke meisje met de minirok, nieuwsgierig naar wat ze hier doen, zij en haar Poolse collega's, in dit ongelukkige land, in dit troosteloze café, zo lang na middernacht -, de Polen zijn al weg, begeleid door een soort van chaperonne, of misschien staan ze nog voor de deur, we hebben nog maar net afscheid genomen, ik heb het meisje drie kussen gegeven, op z’n Belgisch, staat opeens een blonde Poolse jongen voor me. Ik heb zijn gezicht al gezien op televisie, in reportages over de burgeroorlogen, vergeldingsacties… Een gezicht dat woest is, dat wil vernietigen.

What are you trying to do, vraagt hij, klaar om mij een vuistslag toe te dienen. Dit is mijn tafel, man! Jouw tafel? Had je gezelschap me dan niet gevraagd er bij te komen zitten? Ik wilde alleen maar vriendelijk zijn. Ik heb een zwak voor vreemdelingen. Ze moeten zich hier goed voelen. Veel te vaak stellen wij Belgen ons te negatief op tegenover het uitheemse. Dronken gelul, natuurlijk, maar ik meende het wel. De jongen blijft agressief, nog altijd vechtensgereed. Ik wil niet vechten. Niet eens ruzie maken. Dat is voorbij, voor altijd. Wat wilde je mijn vriendinnetje op de mouw spelden, vraagt hij. Ach zo, dat was je vriendinnetje. Dat wist ik niet. We praatten maar wat. Ze vertelde me waar ze vandaan kwam, wat ze van haar vaderland vond en zo. Meer niet. (Ze is al twee weken in België, zei ze. Maar ik heb nog altijd niet begrepen waarom. Ze logeren allemaal in hetzelfde hotel. Of ik haar adres wil hebben, vroeg ze. Misschien heb je een slaapplaats nodig. Neen, ik woon hier. Ik heb onderdak. Ik kom hier alleen maar iets drinken.) Ik tracht alleen maar vriendelijk te zijn, zeg ik tegen de Pool. Show the good side of me.

De Poolse jongen draait zich om, kennelijk tevreden met mijn antwoord. Ik keer terug naar de bar, bestel nog een bier. Een Marokkaan zit naast me. Les Polonais sont pas vraiment gentils, zeg ik. De Marokkaan trekt zijn schouders op. Ik zie meteen dat hij denkt dat ik dronken ben. Natuurlijk ben ik dat ook. Het bier is veel te goedkoop in dit café. Zou je niet beter naar huis gaan, zegt de Marokkaan. Hij wil duidelijk geen partij kiezen, hij bewaart afstand. Jij en ik, wij wonen hier, zeg ik. Maar zij komen de zaak hier verpesten, die verdomde Polen. Je kunt ze niet vertrouwen. Wij moeten op onze hoede zijn. De Marokkaan reageert niet. Ik kan net zo goed tegen mezelf praten.Er is wel een andere Marokkaan, die de glazen ophaalt. Hij is één en al glimlach, vriendelijkheid. Maar hij heeft het druk en kan niet praten. Toch heb ik de troost van vreemden nodig. Ik ga dan maar de Japanner bedanken voor de 'mooie' muziek. I really like The Green Green Grass of Home, zeg ik. Ik heb de indruk dat dit het eerste compliment is dat hij vanavond krijgt. Wellicht het eerste compliment in jaren, zoals hij glundert, de Japanner.

Sluitingstijd, zegt de barman, zo'n echte Brusselaar, vrolijk en bars tegelijk. Ik stap de nacht in, op zoek naar een taxi. Ik vraag de chauffeur of hij zin heeft om te praten, want ik neem nu geen risico's meer. Of course wil hij praten, monsieur. Taxichauffeurs, die favoriete vreemden, altijd bereid je wijsheid en je geleuter te aanhoren. Ik vertel hem over Brussel, onze droevige stad, waar wij wonen, uit Aywaille hierheen gekomen, uit Izmir, uit een dorp in het Atlasgebergte, uit Limburg. De gouden droom achterna, op de vlucht voor het groene gras van thuis, voor de harde rotsen. Voor het leven van de ouders dat in rook is opgegaan. Maar ondertussen brengt hij mij naar mijn andere huis, waar ik verblijf, de zomer uitzing. Waar ik mijn toevallige ontmoetingen overschouw. Waar ik mijn Poolse roots angstvallig verborgen houd.

EEN VISITE


she speaks like silence

Julie, Laura en ik zaten te praten in de salon. Als er visite is zorg ik altijd voor muziek, zelfs al weet ik dat er niet naar wordt geluisterd. Die middag luisterde niemand van ons naar Saint Dominic's Preview. Julies man had haar weer een keer afgeranseld.
"Waarom blijf je toch bij zo'n bruut?" vroeg Laura.
Ik zweeg. Mijn vroegere vriend Antoine S., een dikke jongen met sadistische trekjes, had me ooit een affiche opgestuurd van Bunuels El Bruto, met de onderliggende, onuitgesproken boodschap dat de geweldenaar die op de afbeelding zijn vrouw te lijf gaat opvallend op mij gelijkt. Dat was nadat Antoine mij, na een wat uit de hand gelopen kroegentocht, vanuit de logeerkamer had horen ruzie maken met Laura. Van teveel bier en whisky word ik niet meteen zachtaardig. Maar een bruut?
"Ik kan niet van hem weggaan, hij kan nog geen ei koken en wie zou z'n schoenen wel moeten poetsen..." zei Julie.
"Dat moet hij dan zelf maar leren," zei Laura.
"Hij heeft andere dingen te doen," zei Julie.
"Ja, dat zie ik," zei Laura.
"Au fond is hij een hele lieve man," zei Julie.
"Hij is gespleten, zoals de meesten van ons," zei ik, "maar je moet toch voorzichtig zijn. Je kunt niet de hele tijd rondlopen met zo'n zonnebril op. En dan nog zo'n grote. Dan weet iedereen meteen hoe laat het is."
"Het valt nog mee," zei Julie, "kijk maar."
Met een sierlijk gebaar nam ze haar zonnebril af.
"Je hebt er toch al beter uitgezien," zei Laura.

Je moet niet denken dat we al veel gedronken hadden. Mijn principe is dat ik voor zonsondergang geen alcohol aanraak. Van de drank neemt mijn concentratievermogen af, er komt iets duisters over mij en dat hoort van nature bij de avond. Zover was het nog lang niet. Toch werd Julie opeens lijkbleek. Ik was bang dat ze haar bewustzijn zou verliezen en dacht dat het misschien zou helpen als ik haar hand vast zou nemen. Die was slap en vochtig maar toch ook weer niet onaangenaam om aan te raken.
"Ik geloof dat ik zwanger ben," fluisterde Julie.
"Dat meen je niet," zei ik.
"Alles is mogelijk," zei Julie.
Ik verstond haar nog nauwelijks.

Ik vond haar mooi zoals ze daar in het late zonlicht zat, zo wit van huid en met haar lange blonde haren, die haar leken te beschermen tegen het donkere onheil dat uit haar ogen ontsnapte, en met haar hand als een verboden vrucht in mijn hand. Zo zonk ze weg in een toestand waar sommigen nooit van terugkeren. Laura had onze huisdokter al gebeld. Die zou zo vlug mogelijk komen. We hadden Julie op de sofa gelegd, haar schoenen uitgetrokken, haar broekriem losgemaakt.

De deurbel rinkelde. De dokter kon er onmogelijk al zijn. Toen ik de deur opende stond ik oog in oog met een Afrikaan, die me vriendelijk aankeek. Maar je kunt natuurlijk moeilijk een vies gezicht trekken als je aan huis verkoopt.
"U hebt toch posters besteld..." zei hij.
"Neen, hoe komt u erbij?" vroeg ik.
"U bent toch mijnheer Borgers..." zei hij.
"Ja, ja, maar ik heb helemaal niets besteld. Anders zou ik me dat nog wel herinneren. Overigens bestel ik nooit iets en zeker geen posters..."
De Afrikaan bleef vriendelijk aandringen. Ik moest zijn waren toch eens goed bekijken. Er zaten waardevolle dingen tussen. Hij was er van overtuigd dat ik iets naar mijn zin zou aantreffen. Om van zijn gezeur verlost te zijn liet ik de man binnen in de hal. Dat moet je natuurlijk vooral niet doen. Maar het gebeurt wel vaker dat ik verkeerde beslissingen neem.
Nu pas zag ik de omvang van zijn lading. Hoe kon één man een dergelijk gewicht torsen? Posters, stapels oude tijdschriften, lederwaren uit het oosten, pottenbakkersproducten waarmee je lege boekenrekken kan vullen, je kent dit soort koopwaren wel.

De posters waren allemaal beschadigd. Op de meeste exemplaren stonden stierenvechters in heroïsche houdingen onschuldig bloed te vergieten. Typische taferelen. Er zaten ook wat van die Hamilton-meisjes bij, die op mij hetzelfde effect hebben als op de oude Grieken de blik van de Medusa. El Bruto kon ik niet vinden. Want het was natuurlijk mogelijk dat Antoine de Afrikaan had gestuurd, maar dat was de goeie jongen meer gevoel voor humor toeschrijven dan hij in werkelijkheid bezat. Hoe kreeg ik de leurder de deur uit? Zoals ik het bekeek had hij alleen maar rotzooi aan te bieden. In één van de tijdschriften uit de jaren '60 trof ik de teksten van Sergeant Pepper's Lonely Hearts Club Band aan. Er stonden eveneens foto's in van blote vrouwen maar gelukkig waren die het werk van een fotograaf met minder artistieke pretenties dan David Hamilton. Het was een merkwaardig tijdschrift maar lang niet merkwaardig genoeg om er de prijs voor te betalen die mijn verkoper er voor vroeg. Uit wanhoop riep ik Laura erbij. Ik had zo'n idee dat zij de man op een diplomatische manier het gat van de deur zou kunnen wijzen. Daarna keerde ik naar de salon terug. In Julies toestand was geen verbetering gekomen.

Ik hoorde Laura en de Afrikaan lachen in de hal. Je moet weten dat ik van aanleg nogal jaloers ben. Als je zo geboren bent, moet je daar leren mee leven. Tussen blanken, zwarten of Chinezen maak ik geen onderscheid, als het mannen zijn, dan zijn het voor mij rivalen. Voor elke man geldt dezelfde wet. De vrouw van de andere is altijd beter dan de jouwe. Tot ze bij jou in bed ligt. Zo blijft de wereld draaien. Kant schreef al dat je van het geluk alleen maar kan dromen en zodra je iets bereikt hebt of iets bezit, betekent het niet veel meer. Ik vond dat Laura's lach behoorlijk geil klonk. En dat terwijl haar vriendin hier half dood op de canapé lag.

"Ik heb zijn hele handeltje maar gekocht," zei Laura, "de man was anders met geen stokken het huis uit te krijgen."Ik was razend. Maar vanwege de zieke hield ik me in.
"Hoe heb je hem betaald?" vroeg ik.
Natuurlijk antwoordde zij niet. Ik had al spijt van mijn giftige woorden. Tenslotte had zij het toch voor elkaar gekregen dat de indringer weer op straat stond. Intussen was de zon achter de wolken verdwenen en viel er lichte regen.

Een paar minuten later kwam Julie weer bij bewustzijn. De dokter kon nu wel helemaal wegblijven. Dat had hij waarschijnlijk toch al vermoed. Hij kende de situatie bij ons thuis zo'n beetje : er was al vaker loos alarm geweest. Julie knapte snel weer op.
"Je moet er maar niet op letten," zei ze, "ik heb dit wel vaker."
"Ben je dan toch niet zwanger?," vroeg ik.
"Zwanger, ik ! Ben je gek ! Hoe kom je erbij !" zei Julie.
"Grapje," zei ik.
"Waar zijn mijn schoenen?" vroeg Julie.
"Daar onder tafel," zei Laura.
"En vergeet je zonnebril niet," zei ik.

Van Morrison was aan zijn laatste nummer begonnen. It's almost independence day. Wij zwegen alledrie. Ik keek door het raam. De bladeren van de paardenkastanje trilden licht in de regen. Ik hoopte dat de Afrikaan in café Bij Leontine van zijn glas bier zat te genieten.

Foto: copyright Martin Pulaski

WESTERN

western,mythologie,schets,skelet,goed,kwaad,rood,montage,bloed

Skelet voor een verhaal gebaseerd op de westernmythologie. 


Bluegrassmuziek, liedjes van Johnny Cash en Alexander Spence, maar ook The Streets Of Laredo in de versie van John Cale en Sweetheart van Suicide. Het gaat inderdaad om een verhaal waar muziek bijhoort.

Glinsterende wapens, colts, vlijmscherpe messen.

Het belangrijkste personage, Allen Farbman, is geobsedeerd door klassieke westerns (Shane, Man Of the West, High Noon, The Searchers). Hij citeert uit die films. Hij is er ook op gebaseerd, een combinatie van Alan Ladd, James Stewart, Gary Cooper en Warren Oates.

Belangrijkste kleur: rood.

Hij komt uit het niets, of veeleer uit het bijna-niets van de burgeroorlog, of een andere tragedie, en op het einde verdwijnt hij weer in dat zelfde bijna-niets, bijvoorbeeld de woestijn.

Strijd tussen goed en kwaad. Het kwaad zit in elke mens. Ook in Allen Farbman. Elke mens is een duivel, een gevallen engel, een hulpeloos schepsel, verdreven uit het paradijs. Het dier echter doet niemand kwaad. De hond, de koe en het paard als engelen, zoals in sommige werken van Marc Chagall.

Geen definitie van goed en kwaad; goed en kwaad lopen over in elkaar. De goede bestaat niet (zoals in El Topo van Alexandre Jodorowski, of Touch Of Evil van Orson Welles).

Al het bloed, al het bloed.

Montagetechniek. Combinatiemethode. Citaten. Met namen jongleren. Bluffen zoals de pokerspeler.

Het zwijgen: de dingen niet kunnen uitdrukken. Denk aan Clint Eastwood.

Evolutie van het verhaal: het gaat van praten naar fluisteren en eindigt met volstrekt zwijgen.

Geen happy end.

16-07-05

TEGEN DE ARBEID: ANDRE BRETON


breton 2

Mijn korte vakantie
is gisteren begonnen. Eigenlijk al donderdagavond en vrijdagochtend, een heel stuk nacht waarvan ik me te weinig herinner. Dan ook maar beter – voorlopig dan toch, tot het allemaal wat bezonken is - zwijgen over restaurants, cafés, toevallige ontmoetingen, potentiële nieuwe vriendschappen. Om mijn vakantie in te leiden wil ik hier gewoon even citeren uit André Breton’s Nadja:

"En laten ze mij hierna niet spreken over de arbeid, ik bedoel over de zedelijke waarde van de arbeid. Ik ben gedwongen het denkbeeld van arbeid als materiële noodzaak te accepteren, in dit opzicht ben ik er een groot voorstander van dat het werk beter, dat wil zeggen rechtvaardiger wordt verdeeld. Dat de troosteloze verplichtingen van het leven mij tot werken nopen, het zij zo, maar als ze mij vragen erin te geloven, mijn werk of dat van anderen met eerbied te beschouwen, dat nooit. Nogmaals, ik loop liever in het donker dan dat ik mij verbeeld dat ik in het daglicht loop. Terwijl je werkt heb je er niets aan dat je leeft. De gebeurtenis waarvan ieder mens het recht heeft de openbaring van de zin van zijn eigen leven te verwachten, die gebeurtenis die ik misschien nog niet gevonden heb maar waarheen ik mijn weg zoek, kan door arbeid niet worden verkregen.”

13-07-05

FAMILY PLOT


cold sixties

Gisteravond had ik een gesprek met Laura over onder meer mijn vader en François, en toch, zoals zo vaak en tot vervelens toe, ook weer over mezelf.

Mijn broer heeft als hobby's fietsen en vissen: dat is de jongere pa, zei ik. Zijn interesse voor vrouwen: de oudere pa.

Veel wisselende relaties met vrouwen? Waarschijnlijk niet, noch mijn pa, noch mijn broer. De enige buitenechtelijke relatie van mijn vader waar ik van op de hoogte ben is die met Jet. Maar dat was dan ook serieus. Jet was een dikke, levenslustige vrouw. Ze is overigens nogal jong gestorven. De wat jongere vrouw moet een compensatie geweest zijn voor mijn moeder, die tien jaar ouder was dan mijn vader en nogal melancholisch van aard. Wat dat betreft lijk ik wel wat op haar. Ook haar hypochondrie, haar eeuwig geklaag over pijnen en ziektes heb ik van haar geërfd. In weerwil van al dat geklaag is ze toch 91 geworden. Maar ze heeft nooit gerookt en nooit alcohol gedronken.

Mijn vader en Jet hadden een zoontje. Ik heb dat halfbroertje van mij nooit gezien. Ik weet zelfs niet hoe de jongen heet of wanneer hij precies geboren is. Het is ook de halfbroer van Daantje. Met Daantje heb ik eens een zomer doorgebracht. Ik vond het geen leuk kereltje, maar er was op dat ogenblik geen alternatief. Ik denk dat ik met mijn lange haren en mijn adoratie voor the Velvet Underground en the Doors een rolmodel voor hem ben geweest in 1967-68. Onze contacten speelden zich vooral af in mijn 'kamer', het vooronder van de spits Pulco genaamd (een samentrekking van Pulaski en Costers). Andere avonturen in het vooronder: hoe ik mijn verjaardag vierde met Jan D, Henri J, Luc V, Anita en nog een ander meisje van wie ik de naam vergeten ben.

De kapper Henri, zoon van Berb, die zelf ook al een kapsalon had, al was ze eigenlijk een boerin, en van Jang, die in de grindwasserij in Neerharen werkte. Een magere vent was dat, Jang, een man die niet veel zei. Henri was een wielrenner die graag peppillen slikte. François, eveneens bij de beginnelingen, deed daar niet aan mee. Die wilde het op eigen kracht proberen, maar dat lukte hem niet echt. Meestal gaf hij op of kwam hij als een van de laatsten over de meet, een paar keer kwam hij vrij ernstig ten val.

Ons gesprek gisteravond, op het terrasje, met uitzicht op de verwilderde tuin, die me vaak aan tuinen in romans van Virginia Woolf doet denken, begon met de haarperikelen van Agnes. Ik zei: ik had een neef, Henri, die kapper was, enfin, een achterneef eigenlijk. Hij was ook coureur, nam peppillen, met twee rode strepen op de verpakking. Zo'n verpakking heb ik de eerste keer in mijn leven gezien bij Henri Welkenhuijzen, in de Ladderstraat 142 in Neerharen. Hij of Berb, dat weet ik niet meer precies, heeft mijn haar gedaan voor mijn plechtige communie. Met van die fantastische bekken, zo noemden wij dat, golven waren het eigenlijk. Bij Berb en Jang rook het altijd naar varkens. We kregen soms een kom kop, als ze weer eens een varken hadden geslacht.

In de keuken bij Berb, waar zoals bij veel eenvoudige mensen alles gebeurde - echt veel kan dat niet geweest zijn - zat mijn vaders tante, Moe werd ze genoemd. Ze zat er altijd in de zetel, met een zakdoek in haar hand. Ik heb haar nooit een woord horen zeggen. Als zus van mijn grootmoeder (ze heette ook Pulaski), moet ze geweten hebben wie de echte vader van mijn vader was. Wellicht was het daarom dat ze zweeg. Of was ze echt stom? Ik zal het eens aan François moeten vragen. Maar die zal het zich ook wel niet meer herinneren, met de weinige hersencellen die hij nog heeft.

Ik ben eens met pa, toen ik nog heel klein was, over een paadje gestapt, door een bos. Het pad liep van aan het kanaal tot helemaal in het dorp. Het is de eerste herinnering die ik heb van een bos en van een dorp. Ik kwam recht van het schip, een geïsoleerde microkosmos die niets natuurlijks heeft, liep door een bos, en kwam in een dorp waar een sterke geur van graan en varkens en koeien hing. Het was midden in de zomer, heel warm, zelfs in het bos. Het was een nieuwe wereld, dat bos met al zijn groen, de struiken dicht bij de grond, de bloemen, het zachte gezoem van insecten, en aan mijn hand mijn vader, heel groot en sterk naast me, mijn vader die me tegen elk gevaar kon beschermen. En het dorp was al net zozeer een nieuwe wereld: er was geen lawaai van machines, het rook er niet naar teer of naar diesel, niet naar steenkool of chemische industrie. Neerharen.

Met de stad, althans de randstad, met name Merksem, waar mijn moeders twee zussen en enige broer - tante Ellie, tante Jos en nonkel Frans - en hun moeder, Honorine, woonden, was ik meer vertrouwd. Maar daarover heb ik het gisteravond niet gehad. Mijn tante Jos heeft zich al vaak genoeg opgehangen. Mijn tante Ellie is al vaak genoeg als zenuwzieke zwerfster van de straat geplukt en in een asiel gestopt. Rusthuis noemde mijn moeder een dergelijke instelling.

Wel maakte ik die avond een sprong naar het geweld in mij, en hoe het zich is blijven herhalen. Het geweld tegenover anderen, vroeger, maar ook het geweld dat zich tegen mezelf keerde en het geweld dat ik uitlokte. Wellicht houdt het verband met de angst om in de steek gelaten te worden, waar ik extreem gevoelig voor ben. Gerrit heeft aan dat gevoel voor het eerst een naam gegeven: verlatingsneurose. Je wilt niet uit het paradijs verdreven worden. Niet opnieuw. Natuurlijk weet je dat je al in de hel zit. Maar dat tracht je nu precies te vergeten door te drinken, joints te roken, pillen te slikken en te vrijen…Toen ik met die dingen gestopt ben, in 1980 (behalve met vrijen en soms drinken), is de agressie ook verdwenen. Wordt vervolgd?

Foto: Martin Pulaski, Mijn broer en zijn vrouw.

MOMENTEN VAN EEN EEUWIGHEID


Terwijl ik naar Moments van Boz Scaggs luister noteer ik de volgende bedenkingen en verzinsels.

Bij de biografie van Paul Bowles. Als je dan toch dood moet kun je beter eerst leven, als vrijwillige balling in Marokko bijvoorbeeld. Bowles heeft er een aantal schitterende romans geschreven (The Sheltering Sky, Let It Come Down). Tanger had kennelijk ooit een grote aantrekkingskracht op Amerikaanse intellectuelen; waarom precies is nu niet meer zo duidelijk. Waarschijnlijk hield die lokroep verband met seks en drugs. Later, met de Britse astmaticus Brian Jones, is er de rock & roll nog bijgekomen.

Een korte bedenking bij The Straight Story van David Lynch. In deze film probeert de surrealistische regisseur, tot zowat ieders verbazing alle stijlfiguren van het realisme hanterend, Amerika de onschuld terug te geven die het land had voor Andy Warhol er pop art van maakte en voor Elvis en Bob Dylan het, inderdaad, onderwierpen aan rock & roll.

VS Naipaul. Een schrijver met (veel) talent kan zich niet ontwikkelen zonder een gemeenschap waarin hij zich herkent, en die hem - al is het maar in beperkte mate - erkent. Zulke gemeenschap heb ik nooit gevonden. Een schipperszoon die altijd een outsider bleef, vaak verafschuwd, soms verstoten, in heel wat opzichten een immigrant. Het is nu veel te laat om nog naar een gemeenschap op zoek te gaan.

I pity the poor immigrant
Who wishes he would've stayed home,
Who uses all his power to do evil
But in the end is always left so alone.
That man whom with his fingers cheats
And who lies with ev'ry breath,
Who passionately hates his life
And likewise, fears his death. (Bob Dylan)

Rivierliederen. Ik herinner me nog een ander bijzonder moment. In mijn radioprogramma Shangri-La – in de jaren ’80 en ’90 op radio Centraal in Antwerpen - draaide ik op een avond drie uur lang rivierliederen, waaronder The River van Tim Buckley. Ondertussen ging boven de linkeroever de zon onder. Ik was die avond alleen maar ik heb me zelden gelukkiger gevoeld. Dit herinner ik me terwijl ik luister naar OV Wrights 'The River Song'.

Gestorven 'helden'. Ik blijf verdrietige gevoelens koesteren als ik terugdenk aan Dusty Springfield, Alexander Spence, Richard Manuel, Rick Danko, Doug Sahm en Curtis Mayfield. Het is me niet duidelijk waarom, maar de dood van Rick Danko heeft mij het meest van al getroffen, alsof een goede vriend was gestorven. Ik herinner me nog dat Jos en ik samen tijdens een dronken zomernacht meebrulden op Sip The Wine, uit de eerste en enige solo-plaat van Danko. En de keer dat Doug Sahm optrad in Hof ter Lo was Jos ook bij me. Agnes lag zwaar ziek in bed. Met mij ging het op creatief gebied niet echt goed. Mijn potloden bleven ongescherpt in een blikken pot staan. De stimulantia stimuleerden mijn verbeelding niet langer, wel mijn angst voor de dood. Was Sartre dan een slecht voorbeeld geweest? Ik kreeg van die pillen nu vooral pijn in de hartstreek. Ik vreesde dat ik weldra zou sterven van een infarct. Tijdens het concert van Doug Sahm was ik bier gaan halen voor Jos, Leo en mezelf. Bij de terugkeer in de concertzaal struikelde ik over een trede en viel op mijn rug. Ik werd plotseling kotsmisselijk. Gelukkig was het optreden bijna afgelopen. Ik heb daarna nog uren bij Leo op de canapé gelegen en ook de dag nadien voelde ik mij belabberd. Wat me toen is overkomen weet ik nog altijd niet.

Meesterwerken. Al die harde schijven vol meesterwerken, die stoffen liggen te vergaren in toekomstige antiekwinkels.

Eeuwige wederkeer. In Wim Kaysers Van de schoonheid en de troost zag ik de filosoof Roger Scruton. Hij leek op een kruising tussen Brian Jones en John Hurt. Scruton had het over de eeuwigheid. De zeventig jaar die je krijgt zijn volledig de jouwe. Ze zijn voor alle eeuwigheid van jou. Dat is pas een diepe gedachte. Het is Nietzsches eeuwige wederkeer, in zekere zin.

Films. Silent Tongue van Sam Shepard: over paarden, pioniers en Indianen. Niet geheel toevallig gingen mijn gedachten af en toe naar Patti Smith en haar ‘Horses’. Op het einde van de film heeft niemand nog een paard. Een merkwaardige film, van een man die nog drummer is geweest bij The Holy Modal Rounders. Les Voleurs van Téchiné. Ik ben geen bewonderaar van Téchinés films, maar dit is een meesterwerk over liefde (of de afwezigheid daarvan) en zelfmoord. Geld, seks en diepe, diepe eenzaamheid. Een buitengewone prestatie van Cathérine Deneuve. Alle personages zijn genuanceerd uitgewerkt. Ik zie veel te weinig Franse films. Dat komt voor een deel omdat ik de dialogen zo moeilijk versta. En je kunt bijna alleen nog Franse films op Franse zenders zien. Cat On A Hot Tin Roof blijft, hoewel het verfilmd toneel is, een van mijn uitverkoren films, vooral vanwege Elizabeth Taylor en Paul Newman. The Dirty Dozen van Robert Aldrich mag er ook wezen: de film met het hoogste machogehalte, maar die twaalf kerels zijn aanvaardbare macho's, met heel wat zwakheden. En de acteurs: Lee Marvin en Charles Bronson en al de rest. All that heaven allows, van Douglas Sirk, met Jane Wyman en Rock Hudson. Erg fijngevoelig melodrama. Op de een of andere manier zitten de ideeën van de beat generation erin verwerkt. Een protest tegen het valse leven van de burgerklasse. Het ideaal is Walden van Thoreau: to be alive is to be awake, enzovoort. Die passage maakte op mij als tiener een blijvende indruk. Wellicht heeft dat stukje tekst, in de les Engels, mijn leven veranderd.

09-07-05

GEVOELLOOS EN LEEG


repulsion cathérine deneuve


Douglas Coupland, over geen gevoelens hebben: "Waar ik mee bezig was: ik maakte me de laatste tijd zorgen omdat mijn gevoelens steeds meer begonnen te verdwijnen - het was me opgevallen dat ik steeds minder leek te gaan voelen. … Ik had het gevoel dat ik een reptiel aan het worden was, een leguaan op een steen, met een geheugen dat hard achteruitging en geen enkele compassie met wie of wat dan ook." Douglas Coupland, Leven na God.

"En hoe is het mogelijk dat ons leven zo leeg kan worden dat zelfs een kleine goede daad al een krachtige herinnering wordt die we levenslang met ons meedragen? Hoe kan het in je leven eigenlijk zover komen?" Douglas Coupland, Leven na God

Afbeelding: Cathérine Deneuve in Repulsion van Roman Polanski