30-06-05

OPENBARINGEN VAN MARTIN PULASKI


get happy!!!!!


Door met mijn ‘autobiografie’ in foto’s bezig te zijn denk ik veel na over mijn leven. Eigenlijk heb ik dat altijd al wel gedaan, vanaf mijn negentiende jaar ongeveer. Op dat ogenblik vond ik dat ik het mooiste al wel had gehad, maar dat was jeugdige verblinding gecombineerd met de obsessie voor een vroege dood, in navolging van Jezus Christus, Thomas Chatterton, Percy Shelley, Brian Jones, Al Wilson en Jimi Hendrix. Ondertussen heb ik echter veel gezien en veel gehoord; de tijd heeft niet stilgestaan. Veel mensen hebben mijn pad gekruist. Velen heb ik liefgehad, heb ik lief, sommigen beminde ik, sommigen lieten mij onverschillig. Ik minachtte niemand en kon niet haten. Sommigen hebben mij veel verdriet gedaan, sommigen hebben mij diep gekwetst, sommigen hebben bewust of onbewust geprobeerd om mij te vernietigen, anderen hebben mij bemind, liefgehad, hebben mij, soms onverdiend, hun vriendschap gegeven. Sommigen hadden aandacht voor mijn woorden, voor mijn vereringen, voor mijn verwensingen, andere hadden geen aandacht voor mij, ik liet hen onverschillig. Misschien waren sommigen bang voor mij, hoewel ik ongevaarlijk ben. Ooit heb ik wel uitbarstingen van wanhopige razernij gekend, maar die kwamen uit grote liefde voort. Neen, gevaarlijk ben ik nooit geweest. Voor wat waren ze bang? Voor mijn mislukkingen wellicht. Mislukken is besmettelijk, schijnt men te denken. Nobody knows you when you’re down and out, zegt de bluesman. En of hij het niet kan weten!

Nu leef ik in de tijd van de herhaling. Het beste heb ik echt gehad. Vaak ook had ik het beste in mijn handen, in mijn armen kunnen houden, maar heb ik het om die of die reden niet gedaan. Dwaas die ik was. Nu is het te laat voor meanderen. Mogelijke zijsprongen hebben plaats gemaakt voor één grote liefde die zekerheid biedt, maar ook het gevaar van berusting en sufheid herbergt. Grote verrassingen staan mij niet meer te wachten. Ik wil niet beweren dat ik nu alleen nog maar wat op de dood zit te wachten – in tegenstelling tot wat Townes Van Zandt zo overtuigend en waarheidsgetrouw zingt – maar het lijkt er wel wat op. Als niets je nog verrast of verwondert, wat heeft het leven je dan nog te bieden? En wat heb jij het leven dan nog te bieden? De leegte lijkt zich meester van je te hebben gemaakt. Je denkt na over je leven, je vraagt je af: wie ben ik en het antwoord is: niets, niemand. Verbeelding bezit je ook al niet. Ontroering? Wat moet je dan doen? In de negentiende eeuw vroeg de Russische nihilist Tsjernitsjevski het zich ook al af, net zoals Lenin later. Lenins antwoord was net iets te perfect. Een perfect plan. Maar nu, wat nu gezongen? Je zou kunnen bullshitten zoals Herman Brusselmans, maar dat wil je niet. Daarvoor heb je te veel respect voor de schrijvers uit je canon, mensen zoals Robert Musil, Arthur Schnitzler, Fernando Pessoa of Hermann Broch.

Wat moet je dan wel doen? Afwachten, geduld oefenen. De lader in het stopcontact steken en wachten tot je geest weer opgeladen is. Tot alles weer borrelt en bruist en schuimt. Tot je leven je aanspreekt en zegt: hier ben ik, vertel mij, die dwaze foto’s zeggen niet veel, dat is een aangenaam tijdverdrijf voor verveelde kwasten. Dat is iets voor dode momenten, zoals de feminale feminatheek van Louis Paul Boon. Tot je leven je zegt dat je uniek bent, een onverteld verhaal, dat velen graag willen horen, bij zonsondergang, op een terras in de koele schaduw, voor of na de coïtus, of gedurende nachten vol sterren, in het Zuiden, waar de wegen de hemel zij dank slecht verlicht zijn, of in uiterste gevallen, net voor de executie (en misschien stelt de beul de executie wel uit omdat hij het verhaal zelf wil horen). Ja, zulke dingen moet het leven je zeggen. Dan stop je met je fotootjes en je muziekjes, dan loop je niet langer verloren in je rock & roll, dan ben je niet langer “een communist met gaten in zijn broekzakken”, dan zet je je tanden in de taal en wordt het langverwachte plan (dat je niet kunt uitstippelen) opeens duidelijk, dan voer je het uit, omdat het moet. Ja, omdat het moet. Waarom moet het? Omdat het in je biografie moet staan. Volstaat dat niet?

Foto: Martin Pulaski

29-06-05

COITUS ZONDER MOEITE


devendra

Ook vanavond is het hier in deze zolderkamer weer te heet om te wedijveren met alle boeken die om mij heen staan te wachten op een antwoord, te heet om één zinnige gedachte te denken, te heet om één goed bedachte zin te formuleren. Bovendien ben ik moe en koester ik een lichte kater. Je kunt niet van het ene feest naar het andere gaan én het beroep van dichter uitoefenen; dat is voor iedereen een spijtige zaak. Rimbaud heeft dat maar tot zijn zeventiende volgehouden en dan was het gedaan met de pret. Wapens in plaats van woorden! Een slaaf in plaats van een kunstbroeder! Needles and pins! The tears I gotta hide! Hey I thought I was smart! Aan uitroeptekens heb ik een grondige hekel, maar als je vermoeid en overspannen bent kun je ze maar moeilijk vermijden.

Nog in verband met die wedijver... Waar maak je je druk over? Er is nergens haast mee gemoeid. Zelden goed. Er bestaat al zoveel moois, zoveel dat onmogelijk te overtreffen valt, zoals dit: "Bij zwangere vrouwen is alles, bijvoorbeeld de manier waarop ze lopen, van invloed op de bevalling: als ze te zout voedsel eten brengen ze een kind zonder nagels ter wereld; als ze hun adem niet kunnen inhouden, zal de bevalling moeilijker verlopen; zelfs een geeuw kan dodelijk zijn tijdens de bevalling; zoals een nies tijdens de coïtus een miskraam kan veroorzaken. Zij die beseffen hoe kwetsbaar de oorsprong is van het meest trotse der levende wezens worden bevangen door medelijden en schaamte: vaak is de geur van een pas gedoofde lamp al genoeg om een miskraam te krijgen. En dan te zeggen dat uit zo'n teer begin een tiran of een beul kan groeien! Jij die volop vertrouwt op je fysieke kracht, die de gaven van het lot omarmt terwijl je jezelf niet de stiefzoon maar de zoon ervan beschouwt, jij die de ziel hebt van een heerser, jij die God denkt te zijn zodra je borst opzwelt van één succes, bedenk dat zoiets gerings je eind had kunnen betekenen." (Plinius, Natuurgeschiedenis, VII, 42-44).

De voorbije dagen heb ik niet helemaal stilgezeten: ik ben vooral bezig met foto's inscannen en zo mijn autobiografie, die samenvalt met mijn leven en elke dag verandert, met beelden te verluchten en, hopelijk, verduidelijken. Veel van wat ik hier in dit openbaar dagboek neerschrijf wordt door die foto's aangevuld. Vanitas, natuurlijk, maar waarom ook niet? Overigens zullen sommige lezers zichzelf - misschien tot hun verrassing of ergernis - terugvinden op deze pagina's. Dat ik hen zo tentoonstel is niet om hen van hun ziel te beroven, maar om mijn dankbaarheid voor hun bestaan en voor hun schoonheid zichtbaar te maken. Over sommige zaken kun je nu eenmaal niet spreken.

O ja, gisteren zag en hoorde ik in de AB Magnolia Electric Co en Devendra Banhart. Bart en ik hebben veel gelachen. We vonden dat het publiek zo ernstig was. Is Devendra Banhart dan geen stand up comedian? Met zijn blote torso? We hadden natuurlijk veel bier gedronken, wat nefast is voor een keurig oordeel en een getrouwe beschrijving van het geobserveerde. Dat laat ik dan ook aan de nuchtere recensenten over, degenen die op basis van door allen aanvaarde categorieën en argumenten onbevooroordeeld tot een slotsom komen. Maar één ding is zeker: als Duyster het in haar programma draait moet het goed zijn. I guess things happen that way. En nu ga ik aan tafel.

28-06-05

PROJECT VOOR EEN REEKS GEDICHTEN OVER 'MONSTERS'


1. Mary Shelley's Frankenstein
2. Johnny Peru (David Lynch)
3. Het monster van Isabelle Adjani
4. Het monster onder het bed
5. King Kong (lief monster, ruwe bolster...)
6. Opgepast, Gevaarlijke Hond !
7. Truly Fine Citizen (hoesfoto Moby Grape)
8. De man met de vijf hoeden
9. Pinochet
10.Robespierre
11.De Japanner uit de jaren '50 in Hollywood
12.De geest in de fles
13.Het nummer van het beest
14.De dubbelganger van Polanski
15.De man zonder schaduw
16.Dracula en Ceaucescu
17.Marylin Monroe na de autopsie
18.Hitler
19.Mrs. Thatcher in de modder
20.Lt. Calley thuis
21.De olifantenman
22.De vrouw zonder hoofd
23.The incredible shrinking man
24.Charlie Starkweather
25.De ghostwriter van George Bush
25.Erzsébet Báthory
26.Jeffrey Dahmer

27-06-05

CHAOS EN DRONKENSCHAP IN GENT EN BRUSSEL


dean martin


De voorbije dagen stonden in het teken van vriendschap, psychoanalyse, alcohol, woede en verdriet.
Met andere woorden: emotionele chaos. Ook gaf ik mij over aan gevoelens van paranoia ten aanzien van mijn werk en van ‘slechte mensen’ in het algemeen. Ik besefte dat therapeutische sessies bij een psychiater geen enkele zin hebben, voor mij althans niets oplossen. Naar een psychiater gaan, denk ik nu - maar mijn gedachten zijn gekleurd door allerlei vormen van boosheid - is geld weggooien. Je kunt net zo goed of beter naar de hoeren gaan. Maar daar is het nu natuurlijk veel te warm voor. Bovendien heb ik geen behoefte aan een hoer.

Met Laura verbleef ik een avond, een nacht en een voormiddag in Gent, een stad waar ik graag zou wonen. Er is weinig lawaai van het verkeer, de architectuur is er imposant en toch op mensenmaat, de mensen zijn er over het algemeen vriendelijk, er wordt veel gefietst en de trams zijn er comfortabel. Er zijn ontelbaar veel cafés, 'bistros' en restaurants, plaatsen waar van de tijd wordt genoten (waar hij wordt vergeten). Bovenal zag ik er veel mooie meisjes, met opwaaiende zomerjurken aan en glinsterende juweeltjes in de navel. Jeunes filles en fleur, waar het in de Brusselse straten zozeer aan ontbreekt. Schoonheid en jeugd vluchten weg uit onze betreurde Europese hoofdstad. Zij laten vervallen panden, puin van Horta en, het ergste van al, de stank van urine en hamburgers achter. Als je in Brussel Zuid uit de trein stapt, betreed je een urinoir. Blijkbaar trekt urinegeur delinquenten aan. En extremisten natuurlijk, want zij lopen er graag rond om de delinquenten in raciale categorieën onder te verdelen, ondertussen van genot in hun broek zeikend. Ik heb me voorgenomen om Brussel Zuid zoveel mogelijk te mijden en op en af te stappen in Centraal, ook geen ideale ruimte, maar alvast gebruiksvriendelijker.

In Gent logeerden we bij onze broer en vriend, in zijn bohémienoptrek, in het centrum. Wij sliepen in de kamer waar hij zijn patiënten ontvangt, hun verhalen noteert, hun knopen probeert te ontwarren, hen tracht te verlossen van hun double bind. Mijn goede vriend en broer is inderdaad ook een psychiater. Ik twijfel er geen ogenblik aan dat hij al veel mensen heeft geholpen. Als ikzelf meer schade dan baten ondervind van de psychiatrie ligt de oorzaak van dat falen bij mij. Wil ik dan doelbewust falen? Ik weiger mij in ieder geval de weg te laten wijzen naar middelmatigheid, naar een evenwichtig leven zonder gevaar en zonder ‘kwalen’. De ‘grote gezondheid’ van Nietzsche kan mij gestolen worden. De man was overigens zelf voortdurend ziek. Veel liever klaag ik onrechtvaardigheid aan dan de vijand te lijf te gaan. Waarom zou ik hem zelfs maar in de ogen kijken? Je verandert de mensen niet met een blik, of met enkele woorden. Ik verkies het dichterberoep boven de redelijkheid. Maar versta me niet verkeerd: ik heb grote achting voor de rede, ook al koester ik dromen en sprookjes en ga ik het irrationele niet uit de weg. Ik weet dat Gerrit me nooit de gulden middenweg zou aanpraten als ik bij hem in psychoanalyse zou gaan. Hij zou me stimuleren in mijn eigenheid en zeggen dat de poëzie het hoogste is. Maar Gerrit analyseert mij niet: hij is mijn vriend, mijn zielsverwant. Beiden houden we al jarenlang van Fernando Pessoa, van the Rolling Stones en – zeker in elkaars gezelschap – van verfrissende wijn. Als we samen zijn drinken we die met volle teugen. If the river was whiskey I’d stay drunk all the time, is een van onze onuitgesproken motto’s. Donderdagavond waren we samen om onze vriendschap te vieren. De Brusselse straten en pleintjes bruisten van leven, wat zalig is, omdat het zo weinig gebeurt. Ik denk dat de zinderende hitte toch enige schoonheid vanonder de grijze stenen weet te lokken. Het was een gloedvolle nacht, wat nog werd bevorderd door het vuur van onze conversatie. Op weg naar huis zongen we mee met the Rolling Stones: 'Get Off Of My Cloud', It’s All Over Now. “But he can’t be a man because he doesn’t smoke the same cigarettes as me.”

In Gent was Gerrit er niet bij. Wel in gedachten natuurlijk, omdat we van zijn gastvrijheid gebruik konden maken. Gastvrijheid is een heel mooi woord en heel mooi begrip, zeker in het Frans: hospitalité. We waren uitgenodigd op een feest van jonge vrienden en konden daar praten met verwante zielen, luisteren naar rock & roll en ook nog een beetje – bijna wankelend - dansen. Om ten slotte in dronken waanzin de eerste taxi te nemen. Alle ellende uit het lijf gejaagd met liters vergif. Nu is het weer tijd voor heel veel water.

25-06-05

DROMEN ZIJN GEEN BEDROG


TOUCH OF EVIL 4

Ik zat aan mijn bureau te werken aan een verhaal. De mechanische schrijfmachine waarop ik mijn tekst intypte veroorzaakte allerlei problemen, onder meer door letters die bleven hangen. Erger waren de andere moelijkheden waar ik mee te kampen had. Mijn levensgezellin had last van mijn aanwezigheid, of van de aanwezigheid van dat bureau in de kamer waarin ik zat te werken. Er ontstond een woordenwisseling. Ik kreeg de indruk dat zij geen respect had voor mijn 'scheppend' werk, voor de kunstenaar in mij. Dat ze op die manier mijn ziel miskende en zodoende niets om me gaf. Deze ijskoude vaststelling deed een verlammende droefheid ontstaan. Ik wilde mijn wanhoop uitschreeuwen, maar dat was niet mogelijk. Ik zag haar de trap afgaan, met ons kind op de arm, en ik kreeg heel sterk het gevoel dat het nu voor goed gedaan was: zij zouden niet meer terug komen. Toen ik dat besefte begon ik te schreeuwen, zij het nog altijd met moeite, en het klonk theatraal, alsof ik het niet meende. 'Ik spring naar beneden', riep ik. 'Nu maak ik er een eind aan. Kom terug naar boven of ik doe het…' De trapleuning was beschadigd, wat mij het springen heel wat vergemakkelijken zou. Voor de deur beneden draaide ze zich nog een keer om, en toen ze me daar boven zag staan moet ze iets gevoeld hebben, moet het tot haar doorgedrongen zijn dat ik het meende. Op het moment dat ik zag dat ze aanstalten maakte om terug naar boven te komen, voelde ik een grote troost in mij opwellen en warme tranen begonnen over mijn wangen te rollen. Het was lang geleden dat ik nog zo bevredigend gehuild had. Bij het ontwaken was mijn gezicht helemaal vochtig.
 
Dat speelde zich een paar nachten geleden af.
 
Afgelopen nacht bevond ik mij in een vuile kamer. Vermoedelijk had er een feestje plaatsgevonden. De gasten hadden hun afval en stof laten rondslingeren. Mijn moeder, mijn broer en nog wat mensen zaten gezellig bij elkaar in de kamer ernaast. Ik werd ziek van het vuil, maar er was niemand die daar enige aandacht aan schonk. Van lieverlede begon ik dan zelf maar alles aan de kant te zetten en te stofzuigen. Dat maakte mij natuurlijk nog zieker. Wat het allemaal moeilijker maakte was een bepaald zelfmedelijden dat me parten speelde. Met het stofzuigen hield ik al snel op. Ik viel uit tegen mijn moeder: dat ze niets om me gaf, dat zij het was die me ziek had gemaakt, door me als baby te weinig te beschermen, te weinig te koesteren, te weinig liefde te geven. Ze bleef echter onverschillig. 'Laat hem zijn stukje nog maar eens een keer opvoeren' scheen ze te denken. Ik werd hoe langer hoe woedender, maar voelde tegelijk aan dat dat geen enkele zin had.
 
Ik was met A. en een aantal vrienden op reis, in een land dat op Marokko leek. Oogverblindende kleuren, sterke geuren van Noord-Afrika. Overal waren kraampjes met warm eten, drank, fruit. Het was de tijd van het ontbijt, het ogenblik van de dag waarop mijn honger het grootst is. Als ik dan niet op tijd iets in mijn maag krijg, word ik slap en ga ik moeilijk doen. Dat was nu niet anders. Mijn vrienden, zelfs A, die anders nooit ontbijt, hadden zich van allerlei lekkernijen voorzien. Op de een of andere manier had ik mijn kans gemist. Of was het omdat ik niets had gezien dat ik lekker vond? Misschien was ik wel bang voor bacteriën? We liepen door gangen, kamers, straten, over pleinen. Ik voelde me almaar zwakker worden, en bozer. Dit was toch wel bijzonder onrechtvaardig en wreed van mijn vrienden, en vooral van A, dat zij zich zo te goed deden aan hun lekkernij en mij honger lieten lijden. Ik maakte me boos op A, maar ze scheen mijn klachten niet te horen. Toen we op het strand kwamen moest ik meteen gaan zitten, ik kon geen stap meer zetten. A kwam naast me zitten en vroeg wat er aan de hand was. Gaf ze me een hap van haar broodje? Werd ik op die manier getroost?

23-06-05

ACHILLES EN DE PRIMITIEVE BULLSHITTER


harry_01

Door de hitte bevangen, altijd aangenaam, waarschijnlijk omdat je er zo primitief en gedachtenloos van wordt, heb ik alleen nog zin om hier wat bullshit neer te schrijven. Onzin waar niemand wat aan heeft. Ik zal dat dan maar niet doen. Misschien brengt de nacht wel weer goede gedachten. Of kom ik nog eens in een stuk van Shakespeare terecht. Mijn vriend die hier bij me in het bureau zit bekogelt me met speren en ander wapentuig: hij heeft te veel in de Illias gelezen en hij waant zich nu Hector of Achilles of een andere ouzodrinkende held. De foto die ik hier bij plaats is van een andere vriend van me, een groot en te weinig gekend kunstenaar: Harry Heirmans.

22-06-05

WELKOM BIJ DE BARBAREN

hitte,brussel,spraakverwarring,pornografie,seks,heidegger,marco ferreri,bunuel,nerval,rimbaud,metro,pissen,surrealisme,ecriture automatique,blowjob,paul butterfield,michael bloomfield,blues,robert johnson,liederlijkheid,henri michaux,babylon,geert mak

Agnes Anquinet door Martin Pulaski, Antwerpen 1977.

 

Opnieuw in de hete kamer. De hitte maakt me euforisch, geeft me zin in een slapeloze nacht, hier thuis tussen mijn boeken en muziek of liever nog in de gevaarlijke straten en cafés van de stad. But goodbye to all that. De rust wacht op mijn omhelzing, de nacht zonder beven en zonder schaduw. Alsof ik de nachtzon weer wil oproepen, die van Gérald de Nerval, maar dat mag ik natuurlijk niet doen. Dat is iets van vroeger, nog iets van voor Bunuel, dat is de tijd van de romantiek, toen er nog post bestond en postduiven, zelfs. Toch blijf ik naar heldere dagen en heldere nachten verlangen. Vraag mij niet om twee uur helder bewust in een kunstmatig verlichte kamer door te brengen want dan vraag je gewoonweg troubles, diepe messteken zo je wil. Ik kan wel een godganse nacht in een kelder doorbrengen met luide muziek, sigarettenrokende zelfverminkers, in het gezelschap van hun aan levercirrhosis lijdende vaders, en kleine rode peertjes aan het plafond. Maar dan moet ik zelf ook stomdronken zijn van stella of rode wijn afkomstig uit wat de vertaler van Rimbaud een negorij noemde. Wack wack! De bedenking die ik me maak bij deze zelfcensuur is: waarom geen aangeklede bruidegom en pissijnen in de straten van de stad in plaats van in het museum. Nu pist iedereen in de metro en vele bejaarden vinden het enig om met hun roestige karabijnen de schaarse straatverlichting kapot te schieten. Of anders rijden ze je met hun gebrekkigenwagentjes zonder zelfs hun wenkbrauwen te fronsen van het trottoir. Dat had Marco Ferreri al voorspeld, net zoals de andere dingen die we elkaar en onszelf volgens hem zouden aandoen: uit verveling ons doodeten en drinken, van wanhoop als een cultuurtoerist in zee duiken op de plaats waar Lord Byron doodging in bed - van een lichte koortsaanval (in zijn strijd tegen de Turken). 
 
Alles is mogelijk, je werpt een dobbelsteen op tafel en sneller dan de bliksem zit je met een geletterde slet op schoot, met slechte adem weliswaar, zodat je bedankt voor een blowjob. Neen, jongens waar gaan we met de wereld naartoe? Het is allemaal om over naar huis te schreeuwen, als huis nog bestond. Maar we gaan allemaal overal op reis naartoe, en huizen bouwen we om er uit te weg te gaan en met in het achterhoofd dat het toch ook kleine WTC’s zijn. “Maar wil de mens ooit nog in de nabijheid van het zijn komen, dan moet hij eerst leren in het naamloze te bestaan. Hij moet de verleiding van het publieke domein evenzeer onderkennen als de onmacht van het privé-domein.” Heidegger vat het weer mooi samen.
 
En zo komen we bij de blues terecht en Paul Butterfield, met I got a mind to give up living and go shopping instead, met de ijzige gitaarstukjes van Michael Bloomfield. Beide heren rustend in het veld van de afwezigheid, slachtoffers van hun hybris, hun hete kamers, hun verveling en natuurlijk ook van de worp van hun dobbelstenen. Les jeux sont faits, mon ami. De hele namiddag hoorde ik Robert Johnsons Come On In My Kitchen. Liederen van liederlijkheid, bluf en doodsverachting. Geen mens die er niet van onder de indruk is. Maar wat is ons bestaan daar ver van verwijderd. Van die wereld die we barbaars mogen noemen, een barbaarsheid die natuurlijk ook verloren onschuld is, iets wat we niet kunnen noemen, zoals Beckett zei, iets wat we niet kunnen thuisbrengen, unheimisch, it’s just no longer here, with its satin eyes. Of precies het tegenovergestelde: want zijn wij dan niet de barbaren, zoals Henri Michaux vaststelde, al zeventig jaar geleden of zo, toen hij door Azië reisde, het land van de opgaande zon en het papier en het gekruide eten? Come on in my kitchen because it is going to be raining outdoors. Perfecte pornografie. Maar wij zijn blanke broeders en weten geen weg met onszelf en met onze seks en met ons doodsverlangen en met het einde van onze cultuur.
 
Je weet ook wat Heidegger zegt over de taal. “De taal is het huis van het zijn. In haar behuizing woont de mens. De denkers en de dichters zijn de behoeders van deze behuizing. Hun waken is het volbrengen van de openbaarheid van het zijn, voorzover zij deze door hun zeggen ter sprake brengen en in de taal bewaren.” De schrik voor Babylon slaat me op het hart als ik dat lees. Of voor anti-Babylon, de domme ontkenning van de absolute spraakverwarring die Brussel heet. Want wat schrijft Geert Mak (en het is de waarheid): “Een experiment voor Nederlanders: probeer eens om in deze officieel tweetalige stad uw eigen taal te spreken. U wordt bekeken als een boerenhufter, een gek. En, ernstiger, dit geldt ook voor ander Europese talen. (…) …overal elders bestaat, ondanks de problemen, een sterke wil om elkaar te verstaan. In Brussel niet. Hier heerst nog altijd een opvallende verkramptheid rondom het verschijnsel taal.” Wat nu gezongen? Elders het geluk gezocht? Het nieuwe Babylon. Ik wil jullie niet ontmoedigen, beste vrienden, maar de toestand is niet rooskleurig. Misschien hebben Faust en Johnson hun ziel voor niets aan de duivel verkocht? En wat is er met dat vuur gebeurd dat Prometheus van de goden stal? Een foto van een goede vriendin, geportretteerd als surrealistische nachtgodin, kan misschien enkele minuten troost bieden. Anders zul je zuster morfine moeten opzoeken of ander gezeik op een andere weblog.

21-06-05

OP EEN ZOMERNACHT...


my dad

Hier zit ik dan in een hete kamer, zeker wel veertig graden, en Lucinda Williams zingt Too cool to be forgotten, en de drugs willen niet werken. Er zijn niet eens drugs. Alleen rode wijn, witte mag niet van de dokter, daarom: schenk me nog maar een glaasje Vino Nobile in, want het leven is niets, zoals Pessoa al zei. Niet dat ik zijn voorbeeld wil volgen: ik ben veel te bang voor ziekte, armoede en dood. Een levensgenieter wil ik zijn, zoals mijn vader. Mijn vader is nu al twaalf jaar dood. Gisteren, na de grote schoonmaakbeurt, heb ik zijn foto op mijn bureau gezet. Hier staat zijn portret nu, bijna recht voor me, mijn vader met een zomerhoed op en een sigaret in zijn mond. Ik ben niet langer bang voor hem. Ik word geleidelijk aan zelf mijn vader en na mijn dood zal mijn zoon mij wel overnemen, denk ik. Zo geven wij onszelf enigszins door aan elkaar. Maar aan alles komt een einde, ook aan het doorgeven. Aan alles komt een eind, zelfs aan deze warme nacht, de kortste van het jaar... En zelfs aan de songs van James Brown. En aan James Brown zelf. I love you so, please don't go, please stay here with me in Mendocino. Doug Sahm, ook al een tijdje zes voet onder de grond, zoals ze in Texas zeggen. Wat was dat toch een zalige zomerhit, misschien wel de allermooiste, met dat orgeltje van Augie Meyers. Ik heb the Sir Douglas Quintet in 1983 in Hof Ter Lo zien optreden. Ik werd er zo extatisch van, zonder drugs en nauwelijks alcohol in mijn lijf, niet meer dan drie Stella's, dat ik er het hoofd bij verloor en achterover viel, op mijn rug, en er met de schrik van af kwam. Waarom vertel ik dit? Het zal de hitte zijn.
 
De muziek is er altijd, soms luid en verlammend, verstommend, soms zacht en fluisterend en inspirerend. Ten minste tot ruwe brokken stof, waarin je later kan gaan zoeken naar het edele materiaal, of naar een stuk glas dat soms opeens heel zeldzaam kan lijken en daardoor "diamant kan doen misprijzen". Het is een zaak van alles of niets. Voor niets is het nu te laat, mijn leven is ver gevorderd, en de nacht is dat ook, al ligt de wijn wal wat dwars (helaas geen Vino Nobile, dat was ijdele praat) en zijn er de talloze voorbeelden uit het verleden en natuurlijk ook heden. De dode helden, die ik alle eer betoon maar daar blijft het bij. Hun doodlopend spoor volg ik niet.
 
Mag ik je nog eens iets aanbevelen? Ken je de tweede elpee (of cd) van Television, Adventure? Luister dan eens naar Days... En nu ga ik op mijn matras liggen wachten tot de ochtend komt.

19-06-05

SHAKESPEARE'S HELDEN


2


Het is me vaak overkomen dat ik me innerlijk leeg voelde. Even vaak moest ik dan onwillekeurig denken aan de woorden van Patti Smith:
 
Sometimes my spirit is empty
Don't have the will to go on
I wish that someone would send me
Energy!
 
en meestal hoor ik dan ook de melodie van dat lied, hoor ik die ergens in mijn hoofd, met als gevolg beterschap, want dan voel ik me niet meer alleen in deze ellendige toestand.
 
’s Nachts zoek ik soms soelaas in Shakespeare's theatrale wereld, die dan voor mij pas echt tot leven schijnt te komen, alsof ik dan, in mijn passiviteit (van het lezen), werkelijk actief word. Wat zijn de stervelingen, ikzelf inbegrepen, banaal in vergelijking met de helden van Shakespeare, wat is ons dagelijks bestaan zinloos en vooral kleurloos vergeleken bij het leven dat Shakespeare's personages leiden.
 
King Lear, Cordelia, Gloster, Glosters zoon Edgar (en zijn smeerlap van een broer Edmond): mensen van vlees en bloed, elk van hen een wereld op zichzelf, een afgrond, een noodlot. Wie, van allen die nu in leven zijn, kunnen wij daar tegenover, of daar naast plaatsen ? George Bush jr., Fidel Castro, Madonna, Tom Cruise, Guy Verhofstad, Condoleeza Rice, Koningin Paola, Bob Dylan, Osama Bin Laden, Philip Dewinter? Het lijken mij eerder figuren van bordkarton dan helden of gewoon hartstochtelijke mensen.
 
Misschien ligt de kracht, de onverwoestbaarheid van Shakespeare's personages in hun wezenlijke onechtheid, in hun 'fictionaliteit'. Maar ook aan fictieve helden is onze tijd arm. Er zijn geen helden, geen personages meer. Onze laatste idolen waren de gunfighters, de desperado's, de outlaws, de killers, de sheriffs en de marshalls uit de western. Niet John Wayne, Henry Fonda, Gary Cooper, Joan Crawford of Mercedes McCambridge maar de personages die zij vertolkten. Zij hebben nog steeds een waarde voor het leven.
 
Maar meteen trek ik al in twijfel wat ik hierboven heb beweerd. Want niet zelden verafschuw ik helden (dat doe ik althans in theorie); en heldenverering nog meer. Maar ik doe niet echt aan heldenverering: ik wilde in de eerste plaats een een onderscheid maken tussen echte en onechte personages, helden. "What's real and what is not". Mijn paradoxale vaststelling dat fictie echter, reëler is dan de realiteit verbaast me enigszins. Voor dergelijke conclusies moet ik ongetwijfeld op m'n hoede zijn.

MIJN BODYGUARD


mord und totschlag 3

Sinds kort heb ik een (lieftallige) bodyguard. Dat is echt wel nodig in deze vermaledijde grootstad. "This whole town filled with sin will swallow you in..."

DE JONGEN MET HET MES


flower child with a knife

Op het portret zie je mijn andere kant.
Portrait of the artist as a violent young man. Ben ik nog steeds dezelfde? Ik kan me de jongen van de foto zelfs niet meer herinneren. En waar is hij genomen? Wel weet ik nog dat ik in die periode De jongen met het mes van Remco Campert las. Misschien leverde hij de inspiratie voor de pose. Het mes is nog steeds in mijn bezit, heb ik vandaag tot mijn verrassing vastgesteld, toen ik grote schoonmaak hield in een van mijn archiefkasten. Het zit vol schaamte weggedoken in een schoendoos achter een stapel vergeelde misdaadromans. Mijn stijl (jas, zonnebril, sjaaltje, haarsnit) was helemaal afgekeken van mijn grote held Brian Jones. Het feit dat hij net als ik astma had droeg er ongetfwijfeld toe bij dat hij de hoogste plaats innam in mijn pantheon van popidolen. De zonnebril is achtergebleven in Diepenbeek, op het mooie hoofd van een meisje dat ik ontmoet had tijdens een concert van the Small Faces.

18-06-05

DE BIOGRAAF VAN ULRIKE MEINHOF


ulrike meinhof


Je ontwaakt tussen nazi's en antinazi's, Duitse tragedie van trouw en verraad onder Hamburgs vochtige hemel. Na lange brand en verweesdheid neem je bruusk afscheid van de minnares en je man, tijdens hun trouwfeest in de swingende wijk. Vaarwel vrienden, onderdanen van de vijfjarige party-republiek, zegen van zachte bedden en vreemde huid.

Naar Berlijn, nieuw ontstoken vuur van 2 juni of denken dat bloed wordt en onder ons woont op elk westers scherm. Onze vrijheid is die van matrakken. Je hebt slag geleverd om de liefde, de muren bespat met je cellen alleen in je cel de gouden wereld overwonnen. Wat voor ons blijft is je beeld en naam, nergens heen wijzend. Geen tijd om te doden, na je gegil zwanezang, de rest van onze eeuw.

IN EUROPA EN ELDERS


isabelle huppert


Gisteren heb ik van mijn vrienden Brecht en Bart een mooi en interessant boek als verjaardagscadeau gekregen: 'In Europa', van Geert Mak. Afgelopen nacht heb ik er al wat zitten in lezen, onder meer las ik een treffend hoofdstuk over de verwoesting van Brussel en over het provincialisme van de eentaligheid van mijn stad. Brusselaars scoren zeer slecht op meertaligheid, maar ook op vriendelijkheid en gastvrijheid. Overigens hebben we gisteren - naar aanleiding van Brechts en mijn verjaardagen - met z'n drieën bijzonder lekker geluncht in een Italiaans wijnrestaurant aan de Naamse Poort. (Waar ik hier geen reclame voor wens te maken.) De spijzen en dranken uit Italië waren een genot, en ik besef maar al te goed wat een voorrecht het is op deze manier te kunnen leven. Ook de conversatie met mijn vrienden gaf me weer meer zin om mijn leven van de zonnige kant te bekijken!

Na het lezen in Geert Mak en een nogal middelmatige psychologische film op televisie (K-Pax, met Kevin Spacey en Jeff Bridges) heb ik me teruggetrokken op mijn kamer. Mijn dokter heeft me aanbevolen veel water te drinken maar ook zoveel mogelijk zaad te lozen: dat is goed voor mijn gezondheid. Het probleem is nu dat mijn levensgezellin wel begrip heeft voor die medische adviezen, maar niet elk uur van de dag bereid is om een handje te helpen bij het nastreven van dat doel. Ik mag niet zo afhankelijk zijn van anderen in mijn pogen om gezonder te worden. Ik heb dan maar wat op het internet zitten surfen met het oog op wat opwindend materiaal. Wat ik tijdens mijn traject de revue heb zien passeren tart zeker niet de verbeelding, maar ligt zeer voor de hand. Ik heb een zwak voor mooie vrouwen, ook zonder kleren en zelfs in opwindende poses. In uiterste nood kan ik het nog wel hebben dat ze worden gepenetreerd, maar dat moet dan toch in een voldoende esthetisch kader gebeuren. Wat ik echter zag was van een zeer uitsprekelijke goorheid, platheid en wanstaltigheid, zodat ik mijn toevlucht gezocht heb bij wat foto's van Isabelle Huppert. Dat is puur esthetisch genot.Het was dan al twee uur in de nacht. In onze straat was alles stil en donker. Iedereen leek te slapen. Ook ik ben dan maar naar bed gegaan, want ik had slaap nodig. Maar mijn lichaam blijft gespannen, mijn geest actief. Mijn verbeelding slaat op hol. Ik ben extreem onrustig. Wat is er met me aan de hand? Ik voel me niet slecht, drink liters water, ben moe en toch kan ik de slaap niet vatten. Ik probeer dan nog wat te lezen, maar kan me niet meer concentreren. Dat alles heeft voor gevolg dat ik vandaag als zombie naar de Delhaize stap en later met een verward hoofd de krant doorneem. Daarin lees ik een interview met Geert Mak (ook toevallig). Hij heeft het daarin onder meer over de jaren zestig van de vorige eeuw. Volgens Mak werd toen (in Nederland dan toch) het begrip 'nationale identiteit volledig' gebagatelliseerd. "Dat werd weggewuifd. Wat logisch was, na de opgeblazenheid van de jaren dertig en het sombere polderse nationalisme van de jaren vijftig. Maar daardoor ontstond er wel een leegte. Bijna niemand wist nog wat het betekende Nederlander te zijn. Wie zijn wij met z'n allen? Dat wijgevoel is door de generatie van de jaren zestig - mijn generatie - volstrekt verwaarloosd. Dat terrein is helemaal aan rechts en ultra-rechts overgelaten." Ik denk dat hij gelijk heeft, en dat het ook voor België en zeker voor Vlaanderen opgaat, ondanks het studentenprotest en de betogingen voor Leuven Vlaams. Mijn vrienden en ik vonden dat streven naar Leuven Vlaams overigens een aberratie. De nationale identiteit hadden wij opgegeven, die had zijn tijd gehad, en vooral voor veel ellende gezorgd. Ook de oude cultuur hadden wij opgegeven. Toch hadden wij wel een identiteit, er ontstond niet echt een leegte, er ontstond een tegencultuur, een beweging tegen het establishment. Daar hadden wij onze hoop op gesteld. Ik zal maar niet dieper ingaan op de tragische gevolgen van ons naïef en bijna a-politiek idealisme. De verbittering en treurnis van veel van mijn generatiegenoten (en van mezelf in de eerste plaats) spreekt boekdelen. Overigens zijn de besten van mijn generatie al lang dood, of ze zitten in psychiatrische instellingen en denken dat ze K-Pax of zo zijn. Neen, ik wil er niet verder op ingaan en ik ben er ook veel te moe voor. Hoe sterk echter het verlangen naar een nieuwe, betere wereld, zonder onderdrukking en uitbuiting was, kun je nalezen in '1968' van Mark Kurlansky, een zeer spannend en meeslepend boek.

16-06-05

OP ZOEK NAAR MIJN SCHADUW


pasfoto


Vandaag ging ik op zoek naar mijn schaduw.
Soms denk ik dat het de enige ware vriend is die me nog rest. Maar wellicht is dat een combinatie van verblinding, ijdelheid en narcisme. Verblind door te lang in de spiegel te kijken? Mijn schaduw heb ik niet gevonden. Het verbaast me niets dat hij het hazenpad heeft gekozen. Voortdurend mijn geweeklaag aanhoren, ook al is het voortreffelijk geformuleerd, moet op den duur moedeloos maken. Dat kan niet anders. Verblind, daarom, liep ik door het centrum van Brussel met niets dan muziek in mijn hoofd. Al het andere was in het niets verzonken; zelfs de politie in de buurt van de Amigo bracht me niet aan het schrikken. En zo gebeurde het dat ik bijna de bijbel kocht, terwijl ik hier thuis al een flink uit de kluiten gewassen exemplaar heb liggen. Net op tijd ontwaakte een heldere gedachte. Dit gaat te ver, leek ze te zeggen. Die sprekende gedachte werd net niet overstemd door Vic Chesnutt, die een klaagzang over jong sterven had ingezet. Dankzij dat lied rees er een andere gedachte op, of veeleer een herinnering aan een overleden broer en vriend, Ludwig, en het overweldigende van die herinnering deed de wereld weer opengaan, de wereld van de levenden en de doden. Zink niet weg in de rampspoed, jongen, laat je niet vernietigen door bijkomstigheden. Schud de platvloerse en onbeschofte mensen, het crapuul met messen in de zakken en geld in de ogen, van je af en omhels degenen die in liefde leven. Of zoals Robin Williams zei: Carpe Diem. Later, in de metro, las ik een interview met Crispin Glover, die treurt over de afwezigheid van een tegencultuur. En ik dacht, zijn treurnis is al een bewijs van het bestaan van een tegencultuur. Met die tegencultuur, die de echte cultuur is, wil ik me opnieuw vereenzelvigen. Daar ligt de toekomst. Ooit is het met liefde en de absolute zekerheid van de authenticiteit van de eigen stem begonnen. Als je de weg terugvindt, met of zonder Ariadne, naar die oorsprong, dan raak je weg uit dit labyrint van tegenslag, mislukking en verdriet. Opnieuw de schittering zoeken, het sublieme, niet zozeer in je spiegelbeeld, maar vooral in de andere mensen, die je tegemoet treden als je dat het minst verwacht. Treed jij hen nu ook maar tegemoet. Maar wees voorzichtig, man!

"'Weet u wie daar woonde in het huis van de overbuur?' zei de schaduw, 'dat was de verrukkelijkste van allen, dat was de poëzie! Ik was daar gedurende drie weken en dat werkt net zo in, alsof men gedurende drieduizend jaar leefde en alles las wat er gedicht en geschreven was, want dat zeg ik en dat is waar. Ik heb alles gezien en ik weet alles!'" H.C. Andersen, De schaduw.

12-06-05

CHARLOTTE RAMPLING, MON AMOUR


posing_0064

Een tijdje geleden wilde ik het nog hebben over de slaperige ogen van Charlotte Rampling, maar dat lukte niet meer omdat ik in slaap viel. Ook nu lukt het niet, wegens gebrek aan inspiratie. Misschien bestaan de woorden die je daarvoor nodig hebt niet eens. Ik zal het eens aan Patrick Conrad moeten vragen, als die nog leeft. Om mij te troosten zet ik hier dan maar een foto, waarop Charlotte Rampling's ogen heel goed te zien zijn.
 
Zo zijn we allemaal tevreden en kunnen we van onze welverdiende rust gaan genieten.

TOEVALLIG PATTI SMITH'S BIRDLAND?


patti smith RM2


Ik luister al de hele middag naar mijn persoonlijke jukebox.
Ik heb de voorbije maand of zo heel precies 2335 songs op mijn harde schijf gezet. Mag ik het herhalen? Ik ben geen dief. Die songs komen allemaal uit mijn eigen cd-collectie. Overigens weet ik niet of mensen die liederen van het internet halen (zonder ervoor te betalen) wel dieven zijn. Ik wil dat hier buiten beschouwing laten, er is al voldoende over gediscussieerd en er zal nog veel over gediscussieerd worden. De indruk die ik heb is dat mensen die muziek kopiëren vaak ook heel veel muziek kopen en zodoende veel te veel geld uitgeven aan modieus geneuzel op een dwaze beat. Where have all the good times gone, met andere woorden.
 
Terwijl de muziek op de achtergrond weerklonk zat ik wat te lezen op een website gewijd aan Wilhelm Reich. Ik was daar nog maar een paar minuten mee bezig toen zomaar opeens de woordenvloed die Birdland heet (van Patti Smith, en op een wijze beat) uit de luidsprekers golfde. En over wie gaat die song? Over Peter Reich en over zijn vader, Wilhelm. Patti Smith roept in Birdland de vreemde wereld van Wilhelm Reich op en vertelt onder meer hoe hij zijn zoon een nachtelijk bezoek brengt aan het stuur van een UFO:

"It was if someone had spread butter on all the fine points of the stars'
Cause when he looked up they started to slip.
Then he put his head in the crux of his arm
And he started to drift, drift to the belly of a ship,
Let the ship slide open, and he went inside of it
And saw his daddy 'hind the control board streamin' beads of light,
He saw his daddy 'hind the control board,
And he was very different tonight'
Cause he was not human, he was not human."
 
Een vreemd toeval toch wel dat mijn jukebox uit 2335 songs heel precies Birdland kiest. Wat heeft dit te betekenen? André Breton spreekt van "verbijsterende coïncidenties", over "bepaalde samenlopen van omstandigheden die ons begrip verre te boven gaan en die het ons slechts mogelijk maken terug te keren tot een berdeneerde activiteit indien we, in de meeste gevallen, het instinct tot zelfbehoud te hulp roepen." Het is zeer zeker een verbijsterende coïncidentie dat Wilhelm Reich's ontregeling van de zinnen (denk maar aan zijn theorie van de orgonen en zijn karakteranalyse) nogmaals wordt verweven met de verheven razernij van Patti Smith.

Foto: Patti Smith door Robert Mapplethorpe.

11-06-05

EEN DEFINITIE VAN DE ZIEL


danny and dusty 3

Er is geen bepaalde reden waarom ik almaar terugkom op de ziel
.
Ik denk alleen dat er een verband is met mijn liefde voor soulmuziek. In een boek van Michel Onfray las ik iets over het sublieme in verband met de ziel (en zoals je weet was ik zo vol van ons subliem anders-zijn voor ik - nu bijna een week geleden - een toontje lager ben gaan zingen). Onfray schrijft dat het sublieme een vreugde is "die aangrijpend werkt op de ziel, ofwel op hetgeen in de materie de impulsen wekt waardoor je geschokt wordt - het door de cultuur gevormde zenuwstelsel, dat op zijn beurt vormgeeft aan de beschaving." Hier heb ik dan eindelijk een sluitende definitie van de ziel. Misschien kan ik er voortaan over zwijgen, er van uitgaande dat iedereen weet waarover ik het heb als ik me aan metafysische uitspraken te buiten ga, terwijl ik me tot de rock & roll zou moeten beperken.
 
Op dit ogenblik luister ik overigens naar een oude plaat van Green On Red, een van de betere bands uit de jaren tachtig, een van de weinige die toen nog gitaar durfde spelen en songs maken over het werkelijke bestaan. Als er iemand is die weet wat er met Dan Stuart is gebeurd: je kent mijn adres. That's what dreams are made for.

10-06-05

WAARDE VAN ZIEKTE

 

ziekte,nietzsche


Vandaag te slap en leeg in de ziel om wat dan ook te verzinnen. 
 
Dan maar bij Nietzsche te rade gaan. "Waarde van ziekte. De mens die ziek in bed ligt, komt er soms achter dat hij gewoonlijk aan zijn beroep, zijn bezigheden of zijn gezelschap lijdt en door hun toedoen alle voorzichtigheid met zichzelf verloren heeft: hij doet deze wijsheid op uit de ledigheid waartoe zijn ziekte hem dwingt." (Menselijk al te menselijk [289]).

08-06-05

TROOSTENDE ENGEL


jonathan donahue


Een heel goede vriendin was boos op me omdat ik me zaterdagnacht doelbewust in een onveilige situatie had begeven.
Ze zegt dat ik zoals de hindoes moet vertrouwen op God maar wel een paraplu meenemen. Voor een atheïst als ik, zegt ze, komt dat neer op vertrouwen op het leven maar niet dansen op dun ijs. Ze heeft natuurlijk gelijk en nog belangrijker is dat ik me getroost voel door haar bezorgdheid, die volkomen in tegenspraak is met wat ik schreef over het egoïsme van de mensen. Er zijn toch nog lievelingen in deze hel die wij zelf maken. Mensen die we graag engelen zouden noemen en lang in onze armen houden om hun warme te voelen, het vibreren van hun ziel. Toch zou ik nog altijd de vrijheid willen hebben om te kunnen dansen wanneer ik dat wil, ijs of geen ijs. En als je geen risico's neemt verandert er ook niets en blus je na een tijdje uit. Dat dreigt nu te zullen gebeuren. Wat aanbreekt is een periode van aangename zomeravonden met vrienden, thuis of op terrassen, een gezellige babbel, een paar glazen wijn en dan naar bed. Gedaan met onverwachte ontmoetingen en 'the kindness of strangers'. Maar wie bepaalt ons lot en hoe weten wij waar wij naartoe gaan? Waar zijn wij eigenlijk? En wie zijn wij?

Foto: Jonathan Donahue (Mercury Rev).

EEN PSYCHEDELISCHE GENE PITNEY


mercury rev


Gisteren leefde ik weer een beetje op in het Koninklijk Circus - dat ik liever het Rode Paleis zou willen noemen – bij het concert van
Mercury Rev. Net voor het openingsnummer (A Secret For A Song) werd op een groot scherm zo’n beetje de geschiedenis van de rock & roll geprojecteerd aan de hand van foto’s, afbeeldingen van platenhoezen, belangrijke gebeurtenissen, etc. etc. Ook tijdens de set was er veel te zien op de achtergrond: foto’s van sterren en planeten, van insecten, van allerlei weefsels, uitspraken van filosofen als Schopenhauer en Nietzsche, religieuze denkers als Krishnamurti, wetenschappers als Max Planck, kunstenaars en doodgewone schrijvers. Eén schrijver die werd geciteerd was beatdichter Robert Creeley, die onlangs is overleden. Volgens Mercury Rev werd de man wegens zijn ‘onschuld’ vaak belachelijk gemaakt. De uitspraak die we van hem te lezen kregen was dat vorm niets meer is dan een uitbreiding van de inhoud. Wat impliceert dat je je niet moet houden aan bijvoorbeeld ritme of metrum of aan herkenbare beelden. De Amerikaanse band (afkomstig uit de Catskills) plaatste zich op die manier zonder valse bescheidenheid in een duidelijke artistieke, wetenschappelijke en historische context. Nu lijkt het wel of ik naar een literair avondje ben geweest maar dat was helemaal niet zo. Het aangename aan het Koninklijk Circus is dat je je er meteen goed voelt. Waarschijnlijk komt dat door die rode kleur, maar zeker ook door de aangename, gemakkelijke zetels en vooral door het bijzonder vriendelijk onthaal. Je staat er ook niet als slachtvee tegen elkaar gedrukt, zoals dat in de meeste poptempels wel het geval is.
 
Over de eerste twee bands kan ik kort zijn: ze waren overbodig. Waarom worden avonden op die manier altijd nodeloos gerekt? Het optreden van Mercury Rev daarentegen was meeslepend en mysterieus. Zanger Jonathan Donahue deed me denken aan een psychedelische Gene Pitney. De sound van de band was duidelijk geïnspireerd door Phil Spector en meer nog door de diepbetreurde Jack Nitzsche, aan wie ik vorige zaterdag in mijn radioprogramma aandacht schonk. Na elk moment verwachtte ik dat de groep Expecting To Fly zou inzetten. Dat gebeurde echter niet. Wel was er tijd voor een cover van Dylans You Gotta Serve Somebody.
 
Het was een bezield en bezielend concert, met een zanger en muzikanten die het publiek veel liefde en troost gaven. Het was zo'n moment waarop de tijd stilstaat (hoe clichématig dat ook mag klinken) en alle ellende van deze stad en de dieptepunten van het bestaan verdwijnen onder een bedwelmende nevel, die dan ook nog eens de geur had van seringen uit de tuin van Eden! Het eindigde allemaal met Jonathan Donahue die bleef herhalen: "In my dreams I'malways strong"... Ontroerend, want de man ziet er fysiek niet sterk uit, eerder fragiel en uiterst kwetsbaar.
 
Dat alles betekent echter niet dat de diepe wanhoop die mij sinds zaterdagnacht in haar greep had nu als een duivel door de goede Jonathan is uitgedreven. Nee, de duivel van de wanhoop zit nog in mijn ziel en vreet aan mijn hart. Ik wil nog even benadrukken dat ik mijn ziel niet van god heb gekregen (maar misschien wel aan de duivel heb verkocht): mijn ziel zit in elke vezel van mijn lichaam en pulseert als een organisch instrument op het ritme van de stad, van de stemmen en de adem van wie mij omringen, van de muziek en het lawaai, en soms als mijn geest tot rust komt, op het geritsel van de bladeren of het geluid van regendruppels op een houten dak.