30-06-15

DE GEEST VAN EMILY DICKINSON*

emily-dickinson2.jpg

Voor Emily Dickinson en het Griekse volk.

Een ontmoeting met de geest van Emily Dickinson. Durf ik deze ervaring zo noemen? Een moeder met haar dochter, uit Amherst, Massachussetts gekomen. In de bus naar Elafonisi verklappen we elkaar onze vredesidealen, de oude en de nieuwe. “Je bent altijd welkom bij ons thuis, in Amherst”, zegt de moeder, “je moet wel je slaapzak meebrengen.” “Slapen op een houten vloer”.

Ik wandel alleen over het eiland, mijn vrouw is achtergebleven, bang voor de zeevogels. Tussen de rotsen zitten enkele naakte mensen, uit oudere tijden achtergebleven. Hun gezichten lijken op maskers. Ze hebben geen duidelijk geslacht.

In het zonlicht - heerlijk - begeef ik mij naar de kapel en zie haar daar - de moeder -, geknield, in oude Religieuze Extase. Ze zingt “Kyrie Eleison.” Ik sta in de deuropening, denk aan mijn maanden als misdienaar. Moet ik niet invallen? “Christe Eleison”? Ik zwijg. De moeder uit Amherst ziet me niet eens. Ik zou haar aan het schrikken brengen.

"Alles wat je hebt beleefd zal je je ook één keer herinneren".

Als ik de kapel verlaat, opnieuw de brandende zon – overweldigend. Reusachtige meeuwen vallen me aan. Neen, toch niet. Ze klapwieken met hun vleugels. Omineuze bewakers van het - mysterie. Voor het heilige – op de vlucht.

De moeder struikelt over een steen op het strand. Haar witte jurk, witte huid, bloedende knieën. Ze glimlacht als ze haar lang gewaad opschort tot boven de knieën. Dan wast ze haar wonden schoon met water uit de Libische zee.

Later eten we honinggebakjes en drinken - rode wijn. “Jullie zijn echt welkom in Amherst”, zegt de moeder nogmaals. De Griekse buschauffeur en de dochter, die Cricket heet, zitten - wat te flirten. De hemelse moeder en de aardse dochter. De renaissance komt weer tot leven. Ik ruik haar geuren en proef haar smaken. Haar extase zie ik ontstaan, in alle rust en vrede, zoals de geboorte van Venus.

’s Avonds in de hotelkamer in Chania, waar ik mijn strijd tegen de kakkerlakken heb gestaakt, kijk ik even door het raam naar de passanten beneden. De Griek en het meisje slenteren voorbij. Hun lichamen op weg - naar de goddelijke eenwording. Ik neem mijn vrouw in mijn armen. Met dit dak boven ons hoofd zijn we veilig voor het witte geweld van de vogels. Veilig - voor de leugens van God.

...

*Oorspronkelijk verschenen op 16 juni 2006 (Bloomsday).

26-06-15

SCHIMMEL

IMG_2800.JPG

Ik bevind me in een gigantisch gebouw, een ministerie of een ziekenhuis, of is het een archief? Herinneringen aan de gangen in het Markiesgebouw, waar ik van 1991 tot 2012 werkte; nu is er de beurs van Brussel in ondergebracht.  Ik zit op de vloer, met aantekeningen of dagboeknotities. Wat moet er met al deze geschriften van me gebeuren? Samen met mijn boeken een onoverzichtelijke massa, zeker voor anderen. Een drietal jonge vrouwen blijft bij me staan. Een van hen, later verneem ik dat zij de jongere zuster is van Chantal S., spreekt me aan. Ze hebben hulp nodig bij het oplossen van een belangrijk probleem van bestuurlijke aard. Of ik wil helpen? Hoewel ik helemaal niet weet waar het om gaat en zelfs de vraag niet goed heb begrepen, stem ik toe. Ze nemen me mee naar een vergadering, waar al een aantal specialisten om de tafel zit. Op weg ernaartoe vertelt ‘de zus van Chantal S.’, hoe ze heet zegt ze niet, wat over haar oudere zus (waar ze bedrieglijk veel op lijkt). Chantal (de echte) vindt het zo erg dat jullie elkaar nooit meer zien, zegt ‘de jongere zus’. Ja, het is zeker tien jaar geleden, zeg ik. Waarschijnlijk meer. En haar oudere zus, Renée S… Zo erg hoe zij aan haar eind is gekomen… Ja, zegt ‘de jonge zus van Chantal’, wie had dat destijds kunnen denken. Ik heb jarenlang in dit gebouw naar Chantal gezocht, zeg ik, maar zonder resultaat. Als ik al een spoor van haar vond in een of ander bureau werd het meteen weer uitgewist. Het is hoe dan ook erg moeilijk om hier iets of iemand te vinden. Ooit moest ik dringend een arts raadplegen, maar zelfs dat lukte me niet. Hier is vast wel een geneeskundige dienst, maar die zit dan wel goed verborgen in een of andere doodlopende gang, ver van een lift of een trap verwijderd. Je mag je niet voorstellen wat daar allemaal gebeurt.

Tijdens de vergadering probeer ik zoveel mogelijk van wat wordt gezegd te noteren in mijn klein notitieboekje van Muji. Maar enerzijds begrijp ik geen woord van de ambtelijke taal, anderzijds slaag ik er niet in om ook maar één zin op een leesbare manier neer te schrijven. Wat op papier verschijnt is werkelijk beschamend. En dan te weten dat mijn handschrift vroeger zo duidelijk was en mijn woordenschat zo omvangrijk; mij mijn grenzeloze verbeelding te herinneren! Neen, ik breng er niets van terecht. Des te meer maak ik mij zorgen over de bestemming en bewaring van mijn oude teksten, cahiers, dagboeken, verhalen en brieven; mijn hele onoverzichtelijke archief.

Ik ga even bij Erik langs, een collega die in een bureau in de buurt werkt en over een klein deel van mijn archief waakt: de Muji-notitieboekjes. Wat erg, zegt Erik, ze zijn allemaal door schimmel en insecten, vooral papiervisjes, aangevreten. Nog een geluk dat deze beestjes het driehonderd dagen zonder eten kunnen volhouden. Je zou best op zoek gaan naar een huis, een voldoende grote en luchtige ruimte om alles in onder te brengen, zeker ook het materiaal dat je op het schip bewaart. Dat zal zeker nog meer aangetast zijn dan de Muji-boekjes hier. Ja, dat is ook mijn vrees, zeg ik.  Overigens moet ik hoe dan ook weg van dat schip: het wordt verkocht en dan gesloopt. Veel tijd om er mijn bezittingen weg te halen heb ik niet meer. Maar waar kan ik naartoe, beste Erik?

...

Foto: Martin Pulaski, Brussel, juni 2015.

20-06-15

JAMES SALTER VOOR ALTIJD

JAMES-SALTER.jpg

Pas vorig jaar heb ik – samen met vele andere lezers – James Salter ‘ontdekt’. Je moet je nooit schamen voor traagheid. Beter laat dan nooit is een volkswijsheid die me na aan het hart ligt. Niet dat ik altijd de laatste ben, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat om de dood van een uitzonderlijk schrijver, iemand die voor altijd van alle tijden zal zijn. Zijn roman ‘Light Years’ is zonder enige overdrijving een meesterwerk. Zelden heeft een roman me zo diep geraakt. Tot op grote hoogten heeft het boek mij gevoerd en vervolgens tegen de grond gesmakt – en tussen die twee uitersten in is er veel met me gebeurd dat onzegbaar is. Over het nuanceringsvermogen van de meester beschik ik niet. Ik zal mijn leven lang of kort een leerling blijven, onder meer van hem, van James Salter. Andere geschriften van de Amerikaanse auteur, ‘Burning the Days’, ‘All That Is’, ‘A Sport and a Pastime’ en zijn kortverhalen, moeten nauwelijks voor het meesterwerk onderdoen.

Nu, net negentig geworden, is James Salter dood. Lang leve zijn werk!

16-06-15

JE SUIS LA GRÈCE

 

Griekse vlag.png

Solidariteit met de Griekse bevolking. Weg met de internationale financiële maffia. Weg met hun handtekeningen op onze bankbiljetten.

 

 

12-06-15

DE BOMEN VAN ANDERLECHT

IMG_2813.JPG

Brussel is op cultureel gebied wellicht een van de rijkste steden van de wereld. Dat stelde ik gisteren nog een keer vast tijdens een wandeling door Schaarbeek en Sint-Joost-Ten-Node. Tientallen talen, culturen, manieren van zich te kleden… Winkels en cafés in alle vormen en kleuren, en restaurants met ongeveer alle gerechten van de wereld op het menu.  Geen Michelin-sterren, gelukkig niet.

Maar dan stap ik in Anderlecht aan Veeweide uit de metro en zie de omgezaagde bomen in wat sinds mensenheugenis het Stadium wordt genoemd – en woord dat in beton gebeiteld is. Het Stadium, dat eigenlijk een speelpleintje, een klein parkje en een voetbaloefenveld is, is voortaan geheel blootgesteld aan de genadeloze zon. En dan overvalt me de boosheid die me nu al weken, misschien wel maanden, overvalt telkens als ik in die buurt kom. Een vijftiental prachtige oude bomen, kastanjes en als ik me niet vergis ook linden, werden er verwijderd. Opeens waren ze in stukken gezaagd. Misschien gebeurde het op een nacht, stiekem. De in stukken gezaagde boomstammen liggen er nog altijd. Alsof het om een conceptueel kunstwerk gaat. In de zomer, op een dag als gisteren, zorgden die bomen voor een verkwikkende schaduw. Als het regende vormden zij een dak boven je hoofd. In de lente verspreidden zij een geur die de uitlaatgassen enigszins neutraliseerde. Altijd dempten zij het lawaai van het eeuwige verkeer van en naar de ring en de steenweg naar Bergen.

De bomen zijn weg. Op geen enkel ogenblik werd ik als buurtbewoner over deze ingrijpende beslissing geïnformeerd. Het Anderlechtse gemeentebestuur kent geen overleg, geen inspraak, niets. En de bevolking is apathisch geworden, laat begaan, berust, loopt terneergeslagen – en bang - door de betonnen straten en vlaktes. Onze stemmen even stil als het oprukkende asfalt. De enigen die wellicht glunderend in hun handen wrijven zijn de bouwondernemers, de projectontwikkelaars, de managers en de ‘toppolitici’. Maar met uitzondering van die laatste groep zien we die mensen niet. Zitten ze te vergaderen of liggen ze in een hangmat ergens in de schaduw van een ginkgo biloba of een Libanese ceder? De laatste groep, die van de Anderlechtse politici, vertelt onzin en liegt dat ze zwart ziet.
 
En dit is nog maar het begin van het verhaal, en niet eens het begin, want het is al lang bezig. Binnenkort moeten de linden op het Dapperheidsplein, met de oude kerk van Sint-Guido, de parel van Anderlecht, er ook aan geloven. Er komt een parking op het plein en die bomen staan in de weg, zegt de burgemeester. Mocht ik Sint-Guido zijn, ik zou naar Jeruzalem terugkeren.

IMG_1971.JPG

IMG_1975.JPG

IMG_1974.JPG
Foto's: Martin Pualski, 2015

06-06-15

ZERO DE CONDUITE: VRIENDEN

JACK KEROUAC AND NEAL CASSADY.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Een muzikaal evenement voor allen en voor niemand. Uniek in de kosmos. Stem af op 106.7 FM. Je kunt Zéro eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Vanavond gaat Zéro de conduite over vriendschap. Het zal niet de eerste keer zijn, vermoed ik. Ik heb het even opgezocht, maar vind niet terug wanneer het thema nog een keer aan bod kwam. Een noemenswaardig archief van al mijn uitzendingen heb ik niet – en ik doe dit al sinds 1982. De eerste tien jaar onder de naam Shangri-La. Nogal wat vrienden hebben mij daarbij bijgestaan, in de eerste plaats Pat Geens (voornamelijk in die eerste periode), maar ook Sofie Sap, Ton Luyben en, helemaal in het begin, Max Borka. Max en ik zijn samen bij radio Centraal begonnen. Enige maanden later zijn we ieder onze eigen weg gegaan, wat wel vaker gebeurt als je maar lang genoeg leeft. Met Sofie ben ik nog goed bevriend, al zien we elkaar niet vaak meer. Pat beschouw ik nog altijd als een van mijn allerbeste vrienden. Hoe komt het dan dat we elkaar niet meer ontmoeten? Waar Ton uithangt weet ik niet.

Eind april is een van mijn beste vrienden, al van in de vroege jaren zeventig, overleden: Paul Rigaumont. Op elk gebied een fijne en lieve man. Hij schilderde, schreef en leefde met een groot hart. En hij wist wat vriendschap betekende. Aan hem draag ik deze aflevering op.

Ik denk dat Montaigne in zijn ‘Essays’ het allermooist over vriendschap heeft geschreven, onder meer dit:
“In vriendschap heerst een algemene, allesomvattende warmte, die bovendien mild en gelijkmatig is, een bestendige, rustige warmte, een en al lieflijkheid en gratie, een liefde die niet brandt en verzengt. […] De liefde genieten is haar vernietigen, omdat haar doel lichamelijk is en vatbaar voor verzadiging. Vriendschap daarentegen wordt genoten in de mate waarin ze gewenst wordt en aangezien zij iets spiritueels is en de geest door het onderhouden ervan gelouterd wordt, ontstaat en groeit zij slechts en wordt zij slechts gevoed wanneer zij genoten wordt.”
Maar zo uit zijn verband gerukt verliezen deze zinnen aan betekenis en kracht. Probeer het hele essay te lezen. De ‘Essays’ van Montaigne zijn in alle openbare bibliotheken te vinden, zolang de Vlaamse regering ze niet sluit – om ‘te besparen en jobs te creëren en de mensen langer te laten werken’.
tricheurs-1.jpg

Zoals met alle interessante thema’s was het ook nu moeilijk om een keuze te maken: er is zoveel goed materiaal. Ik probeer meestal een evenwicht te vinden tussen songs die ik werkelijk niet uit de weg kan gaan, ook al worden ze op de commerciële radio gedraaid, en minder bekende, minder populaire liederen. Aan de ene kant Amy Winehouse en Bob Dylan, aan de andere Cowboy, Bob Carpenter en Opal. In mijn oren klinkt het allemaal even goed. Waarom de ene succes heeft en de andere bij wijze van spreken in de goot beland is mij meestal een raadsel.

Veel luisterplezier!

elmore james jt brown 1959.jpg

Friends - The Beach Boys - Friends

Old Friends - Simon & Garfunkel - Bookends

Bob Dylan's Dream - Bob Dylan - The Freewheelin' Bob Dylan (2010 Mono Version)

Fair Weather Friend - Crazy Horse - Scratchy: The Complete Reprise Recordings 1971-'73 Vol. 1

All My Friends - Cowboy - 5'll Getcha Ten

For Belgian Friends - The Durutti Column - The Best Of The Durutti Column 1

You're My Friend - Eels - Wonderful, Glorious

Best Friends, Right? - Amy Winehouse - Lioness: Hidden Treasures

You've Got A Friend - Roberta Flack & Donny Hathaway - Atlantic Rhythm & Blues Vol8 (1970-1974)

Your Best Friend - Doris Duke - I'm A Loser: The Swamp Dog Sessions & More

A Woman Is A Man's Best Friend - James Carr - A Man Needs A Woman

My Best Friend - Elmore James - The Sky Is Crying

My Friend - Jimi Hendrix Experience - First Rays Of The New Rising Sun

My Old Friend - John Hiatt - The Tiki Bar is Open

Two Old Friends - Neil Young - Are You Passionate?

Girlfriend - The Modern Lovers - The Modern Lovers

Has He Got A Friend For Me? - Maria McKee - Maria Mckee

Friends - Sandy Denny – Like An Old Fashioned Waltz

Farewell My Friend - Dennis Wilson - Pacific Ocean Blue

We're Just Friends - Wilco - Summerteeth

Friend, You've Got To Fall - Hüsker Dü - Warehouse: Songs And Stories

I Really Live Round Here (False Friends) - Kevin Coyne - Dynamite Daze

Good Friend - Violent Femmes - The Blind Leading The Naked

My Friend - Bill Callahan - Sometimes I Wish We Were An Eagle

Old Friends - Bob Carpenter - Silent Passage

Friends - Ryan Adams & The Cardinals - Cold Roses

My Only Friend - (Opal) - Early Recordings

Waiting On A Friend - The Rolling Stones - Tattoo You

She's My Best Friend - Lou Reed - Coney Island Baby

Greatest Friend - Incredible String Band - The Big Huge

My Old Friend - Sam Amidon - Bright Sunny South

bookends-simon and gafunkel.jpg

Research en presentatie: Martin Pulaski.
Foto's: Neal Cassady en Jack Kerouac; Jacques Dutronc en Bulle Ogier in 'Tricheurs' van Barbet Scroeder; Elmore James en een mij onbekende saxofoonspeler; Paul Simon en Art Garfunkel.

31-05-15

CANARD

IMG_2622.JPG

Ik maakte me in stilte uit de voeten, me pas te laat realiserend dat de straat genoemd werd naar Louis Daguerre, een van de uitvinders van de fotografie. Zijn naam staat op de Eiffeltoren gegrift. Dat zal met die van mij nooit gebeuren, zeker niet als ik geen foto’s van dode eenden mag maken.

30-05-15

RUE DAGUERRE

IMG_2296.JPG

Ik was al eerder in rue Daguerre geweest, wellicht op zoek naar sporen van Agnès Varda, maar de straat had toen weinig indruk op me gemaakt. Mogelijk had ik er maar een stukje van gezien, van de kant van Avenue du Maine, in de dagen dat ik nog in hotel Istria in rue Campagne Première logeerde, aan de overzijde van het kerkhof van Montparnasse. Istria biedt weinig comfort of gezelligheid maar wel mythe en legende: Francis Picabia, Marcel Duchamp, Man Ray, Kiki de Montparnasse, Erik Satie, Rainer Maria Rilke, Tristan Tzara en Louis Aragon logeerden er ooit.

Onlangs verbleef ik, eerder toevallig, een week in een hotel in rue Daguerre. Meestal kan ik me in een grote stad goed oriënteren, maar niet als ik uit de metro boven de grond kom. Deze keer echter liep ik, samen met mijn vrouw, bijna blindelings van het station Denfert-Rochereau naar mijn tijdelijke verblijfplaats. Wat zag rue Daguerre er volkomen anders uit op die zondagmiddag! Overal op de terrasjes – ik verafschuw dat verkleinwoord, maar in dit geval kan het niet anders - zaten opgewekte mensen dicht bij elkaar te eten en te drinken. De kleine winkels waren open. De geuren en kleuren van de uitgestalde etenswaren deden me watertanden. Aardbeien, kersen, groene en witte asperges, artisjokken, huisgemaakte pasta’s in alle denkbare vormen, konijnen, eenden, parelhoenen, kwartels, worstjes, tientallen kazen uit alle hoeken van Frankrijk, verse en bereide vis, waaronder zeeduivel met sinaasappel bereid, en in de drankwinkels honderden wijnen, champagnes en likeuren.

In de war geraakt van het zien en ruiken van al die lekkernijen stapte ik het verkeerde hotel binnen. Er zijn twee hotels die Daguerre heten, maar niet op hetzelfde adres. Het duurde even voor de man aan de balie besefte dat we een eind verder in de straat, bijna op de hoek van Avenue du Maine, hadden geboekt.
Eens op het juiste adres, in de juiste kamer, op de vijfde verdieping, met een fraai uitzicht op de straat en de zinken daken aan de overkant en gelukkig niet op de afschuwelijke Tour Montparnasse, aten we boterhammen met kaas, meegebracht van thuis. Mijn financiële situatie is duidelijk niet aangepast aan het leven in Parijs.
IMG_2305.JPG

In rue Daguerre woont (of woonde) Agnès Varda. Op nummer 88 bevindt zich Ciné-Tamaris, waar je dvd’s en wat merchandise wordt genoemd van de regisseuse en van haar te jong gestorven echtgenoot Jacques Demy kunt aanschaffen. Demy is het genie uit Nantes, beroemd geworden met de unieke films ‘Lola’, ‘Les Parapluies de Cherbourg’, ‘Les Demoiselles de Rochefort’ en  ‘Peau d'Âne’. Zijn levensgezellin maakte over hem de film ‘Jacquot de Nantes’. Over haar straat en haar buren draaide ze in 1975 een documentaire, ‘Daguerrotypes’. Ik heb Varda’s werk in de vroege jaren zeventig leren kennen; vooral haar ‘Cléo de 5 à 7’ (1961) en zeker ook ‘Le Bonheur’ (1965) maakten grote indruk. Maar ook de documentaires die ze tien jaar later in de Verenigde Staten filmde, zoals ‘Lions Love’ (met Viva in een hoofdrol) en ‘Black Panthers’, waren boeiend.

Door vlakbij de woning van Agnès Varda te logeren ben ik meer over haar te weten gekomen. Dat ze in Elsene geboren werd, dat ze net als haar man een tweeling is, dat ze een van de weinige aanwezigen was op de begrafenis van Jim Morrison, en dat ze de Franstalige dialogen schreef voor een van mijn uitverkoren films, ‘Last Tango In Paris’ van Bernardo Bertolucci. Overigens ben ik vanwege die film op een ochtend naar de metrostations Bir-Hakeim en Dupleix gereden. Ik hoopte onder het viaduct boven Boulevard de Grenelle iets van de eenzaamheid en wanhoop van Paul, het personage van Marlon Brando, te kunnen voelen maar tot mijn spijt was het er net bijzonder druk vanwege een markt. Of maakte dat gekrioel van die menigte in de verte me net écht eenzaam en wanhopig? Melancholisch werd ik er zeker van. Even weinig als rue Daguerre nog lijkt op de beelden uit 1975 in ‘Daguerrotypes’ lijkt het metrostation Bir-Hakeim op de locatie in ‘Last Tango’: het behoort toe aan de vluchtige wereld van de toeristen die zich naar de Eiffeltoren spoeden. Als je niet voorzichtig bent word je er van de trappen geduwd en vertrappeld.
IMG_2724.JPG

Rue Daguerre is inderdaad veranderd, maar het blijft, zoals ik hierboven al aangaf, een prettige straat. Een keer werd ik onaangenaam verrast. Een winkelier maakte zich buiten alle proporties boos op me omdat ik een foto wilde maken van een grote vette eend, die er erg lekker uitzag maar toch ook mijn medelijden opwekte, met haar witte vel met kleine rode stipjes op. De man kon zijn razernij nauwelijks onderdrukken, ook niet toen omstaanders, mensen uit de buurt, hem tot kalmte probeerden aan te sporen. Laat die man toch rustig een foto maken, zeiden ze. Ik maakte me in stilte uit de voeten, me pas te laat realiserend dat de straat genoemd werd naar Louis Daguerre, een van de uitvinders van de fotografie. Zijn naam staat op de Eiffeltoren gegrift. Dat zal met die van mij nooit gebeuren, zeker niet als ik geen foto’s van dode eenden mag maken.

...

Foto's: Martin Pulaski, Parijs, 17-24 mei 2015

16-05-15

DRIE KLEUREN: GEEL

29974065_f4e3f795fa_o.jpg

Er waren dagen in de zomer dat ik alleen maar geel zag. Het zullen boterbloemen geweest zijn, hele velden vol boterbloemen, die mijn ogen verzadigden. Mijn dagdromen van toen, van het jongetje dat langs het kanaal op en af liep, op en af, herinner ik me als geel. Geel betekende geluk, zaligheid. Nog steeds kunnen rode voorwerpen me schrik aanjagen, gele nooit. Nochtans houd ik het meest van rood. Als ik in een film – of in het echte leven - een blonde vrouw in een rode jurk zie heeft ze meteen, op zijn minst, mijn volle aandacht.  Misschien compenseert het geelachtige blond het vurige rood?

Geel is de kleur van de waanzin, heb ik al horen beweren. Ik weet niet of dat waar is. Wel zou ik nooit een geel pak dragen zoals Johan Nilsen Nagel in ‘Mysteriën’ van Knut Hamsun.  In dat prachtige, enerverende boek uit 1892 onderlijnde ik dit: “Nog even en elke gemeente heeft een groot man, maar van de grootsten zal er misschien nooit meer dan één per duizend bestaan.” Nagel lijkt me behoorlijk waanzinnig. Het geel van Van Gogh is mogelijk een symptoom van zinsverbijstering.

In het Engels betekent ‘yellow’ laf, onder meer. Donovan’s lied ‘Mellow Yellow’ gaat niet over drugs, maar over elektrische bananen, dildo’s. Welke tiener wist dat in 1967? Wikipedia schijnt het nog steeds niet te weten. Deze verzen uit Bob Dylan’s ‘Tombstone Blues’ zijn echter overduidelijk:

“The Commander-in-Chief answers him while chasing a fly
Saying, "Death to all those who would whimper and cry"
And, dropping a barbell, he points to the sky
Saying, "The sun's not yellow, it's chicken"”

In Godard’s film ‘La Chinoise’ staat de kleur rood voor het denken en geel voor de Chinezen. Met de rode boekjes van Mao kun je een muur bouwen om je te beschermen tegen de imperialistische vijand. De imperialistische vijand is rood noch geel, maar een kip uit Kentucky.

Wat was Polly Jean Harvey sexy in haar gele jurk. Zal ze die ooit nog dragen? Ik herinner mij dan wel die boterbloemen en hoe alles geel was op sommige dagen, zeker als ik vanuit een boom de velden overschouwde, maar hoe is het mogelijk dat ik PJ nooit live heb gezien? Het komt me voor dat er rond het jaar 2000 niets opwindenders bestond dan een concert van PJ Harvey. De gele jurk begrensde de extase. Je stelt het orgasme toch uit? Een rood kleedje zou de grenzen van de denkbare verrukking overschrijden. De stem van Polly Jean is van vuur, niet geel maar rood.

Nee, ik mis het geel niet echt. Ik mis vooral het rood in mijn leven. Zoveel stellen die boterbloemen van toen nu, uiteindelijk, niet meer voor.

2770673232_7092e2cf39_o.jpg

...

Foto's: Martin Pulaski

13-05-15

DRIE KLEUREN: BLAUW (SCHETS)

2012_09_ALGARVEpanasonic 046.JPG

Helemaal blauw je hoofd in de spiegel om vier uur in de koude ochtend. Je bent weer op je eentje onder de mensen geweest, niet eens op zoek naar een verwante ziel, alleen maar wat dolend, op de vlucht voor altijd hetzelfde, iets wat je niet kunt definiëren maar wat op angst lijkt. Bestaansangst misschien?

Op een hoek, onder geelachtig straatlicht, at je frieten met mayonaise, uit een puntzak. Je dronk bier, luisterde met één oor naar muziek die je niet herkende. Muziek van een toekomst waarin niemand je nodig leek te hebben, een aaneenschakeling van dagen zonder betekenis. Het glorieuze lag ver achter je, de gouden tijd, de vurige strijd die liefde heet.

Enkele woorden gewisseld met een barman, naar een jonge vrouw gekeken, niet in de ogen, dat nooit, wel haar hals, haar handen, haar vingers als ze haar wijnglas naar de lippen bracht. Vingers zonder ringen. Witte wijn. Veel van die gouden momenten had je in Italiaanse stadjes achtergelaten, ’s avonds, moe en gelukkig van een lange wandeling in de heuvels, op een terras met een glas witte wijn. Voor je een rivier, avondblauw naar de Middellandse Zee stromend. Een blauw dat de heldere hemel, waar de sterren en de maan al zichtbaar waren, aan de aarde schonk. Uit het café kwam in golven Durutti Column’s ‘Katharine’ op je af.

En in de armen van enkele vrouwen, nabij andere rivieren, de Schelde, de Maas, momenten die de eeuwigheid nabootsten. Met je zoontje in de duinen aan de Noordzee, in de nabije verte de West-Vlaamse kerken, waar geen tekening, geen foto iets aan toe kan voegen.

Maar nu het bonzende blauwe hoofd. De donkere vertrouwdheid. Je kan niet meer denken, bent kleurenblind. En opeens zie je het hoofd van een bokser. Een zwaargewichtbokser die je tegen de grond mept. Goddank dat dàt blauw enkele uren ophoudt.

...

Foto: Martin Pulaski, 25 9 2012.

12-05-15

DRIE KLEUREN: ROOD

LEmpire-des-sens.jpg

LEMPIRE-DES-SENS-01.jpg

08.jpg

Rood van bloed. Rood van vuur. Rood van adem. Rood van de apocalyps. Rood van liefde en seks. Rood van vlees. Rood van steden. Rood van oorlog. Rood van passie. Verzengend rood.  Afschuwelijk rood. Magnifiek rood. Rood van de hemel. Rood van de bergen. Rood van de mijnen.

Onontgonnen rood. Jouw rood. Mijn rood.  Onbegonnen rood. Morgenrood. Avondrood.
...

Het woord rood, een leeg omhulsel, een nietszeggend beeld, een eindeloze metafoor. Het rood van ‘Rode Psalm’, van ‘La Chinoise’, van ‘Trois couleurs: rouge’, van ‘Het rijk der zinnen’, van ‘Le rouge et le noir’.
...

"La Chinoise is een film over rood als de kleur van het denken."
De fabel van de cinema, Jacques Rancière, 2001.

...

Beelden: Nagisa Oshima; Martin Pulaski.

04-05-15

IN DE RAND VAN HET VERLANGEN*

 

paul rigaumont,schrijver,filosoof,schilder,vriend,aurora,anekdota,popcultuur,tegencultuur,protest,minderheid,minderheidswording,verlangen,beat generation,gilles deleuze,my generation,leven,dood

 

Voor Paul Rigaumont


1. BEAT GENERATION

"I've got every reason on earth to be mad", zong John Lennon als jonge Beatle. Aan die woorden moest ik denken toen ik hoorde dat Allen Ginsberg was overleden.
Nu zal ik het hier niet over de dood van Allen Ginsberg hebben en evenmin zal ik anekdotes over zijn wonderlijk leven vertellen. Maar ik wil wel even wijzen op het belang van figuren als Ginsberg in wat ik met een woord van Paul Rigaumont onze 'minderheidswording' noem.

Toen ik als jonge filosofiestudent in de eerste helft van de jaren '70 Paul Rigaumont leerde kennen, waren Allen Ginsbergs teksten voor mij belangrijke levenslessen. Van Ginsberg leerde ik niet schrijven, maar wel het leven binnenbrengen in het schrijven; zowel het 'platvloerse' als het verhevene moest een plaats krijgen in mijn werk. (Zowel John Keats als Elvis Presley, zowel Lee Marvin en Angie Dickinson als Theseus en Ariadne).
Thelonious-Monk.jpg

Allen Ginsberg las wijze boeddhistische teksten, luisterde naar Thelonious Monk en the Beatles. Van die ervaringen - maar uiteraard van nog veel meer -  zijn sporen terug te vinden in zijn uitbundige gedichten en dagboeknotities. Zoals veel schrijvers van de beat generation ging hij uitvoerig in op zijn seksleven. Zijn taal was een taal van het verlangen en van het lichaam, geschreven vanuit een diepe ervaring met alle zintuigen open (en vaak nog gestimuleerd door geestverruimende middelen).

Het verlangen en het lichaam zijn twee thema's die Paul Rigaumont zeker niet onberoerd hebben gelaten. De zes Anekdota die intussen zijn verschenen (hoewel we al aan nummer 8 hebben bereikt) kunnen daarvan getuigen.

Paul Rigaumont schrijft in 'Anekdota VIII': "Daar waar het verlangen zich manifesteert is er geen uitstel en geen berekening en geen beslag. (Een verlangen is onherleidbaar tot het gehoorzame reproduceren van regels en normen.)" (p.137)

De taal van het verlangen breekt met de algemeen geaccepteerde regels. Luis Bunuels films, en in het bijzonder ‘Un chien Andalou’ zijn er welsprekende voorbeelden van. Verlangende lichamen ontwrichten de spelregels van het menselijk verkeer. Bliksem en donder zijn, bij wijze van spreken, hun beste vrienden. Allen Ginsberg schrijft in zijn Indian Journals: "Throw doubt on whole of previously accepted human humanistic reality".
burroughs-kerouac.jpg

Het is geen toeval dat Paul Rigaumont zich in zijn filosofische dagboeknotities ent op filosofen als Deleuze, Foucault en Nietzsche. Wat zij gemeen hebben is de aandacht voor het verlangen, het wilde leven, het lichaam. Voorts hebben zij heel wat op te merken bij allerlei instellingen en tradities die precies het verlangen, met name de seksualiteit en de waanzin, in toom moeten houden.

2. TRASHMEN

Paul en ik leerden elkaar beter kennen toen we gingen samenwerken aan het Aurora-project. Dat zal in 1977 zijn geweest, het jaar van de Sex Pistols. De begindagen van punk en new wave waren vergelijkbaar met de naoorlogse beatnik-periode en met bepaalde elementen uit de jaren '60 (in hoofdzaak de beweging van de mods in Engeland gecombineerd met thema's van de situationistische beweging in Frankrijk en elders). Opnieuw hing de elektriciteit van de revolutie in de lucht. Zowel in de kleine Aurora-ruimte als in de grote Montevideo-hangar gingen jonge en minder jonge mensen met wapens van de verbeelding de verveling van de heersende stijlen en de economische crisis te lijf.

In die dagen klonken de Trashmen (die van 'Surfin' Bird') weer nieuw en terzake. Mijn vrienden en ik waren zelf Trashmen: we hadden geen job, geen vooruitzichten op een glansrijke carrière of een andere clownerie. We maakten ons weinig illusies. We spraken onszelf tegen, leefden van dag tot dag en zaten desondanks met de toekomst in ons hoofd. We droegen tweedehands kleren, dansten op muziek van the Clash, Television en Patti Smith. We (her)ontdekten de bijzondere charmes van plastic en neon-licht, we dronken goedkope wijn en tequila, waren niet vies van amfetamine en marihuana. Opnieuw gaven Kerouac, Ginsberg maar ook Sartre ons het goede voorbeeld. Wat vroeger het leven in de goot werd genoemd en tegenwoordig kansarmoede, was voor ons een flitsende levensstijl.
patti-smith-by-judy-linn-7.jpg

Sommige van de mensen die er toen waren zijn Trashmen gebleven. Misschien hoorde het ook zo. Om trouw te blijven aan onszelf hadden we wellicht allemaal Trashmen moeten blijven. Maar misschien was het alleen maar een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie - of toch ook weer element van een minderheidswording.

Voor mezelf was rock 'n roll (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She's Lost Control’ van Joy Division) een levensnoodzakelijk en zoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes, een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.


Heel wat van de beste mensen van onze generatie liepen tegen de muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Jos D., Willy B., Renée S. om de onbekendsten te noemen.) 
Iets gelijkaardigs had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen ("I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix...")

gilles-Deleuze.jpeg

Wij treurden maar waren sterker dan de dood. Ons verlangen naar een ander leven was niet uitgeschakeld. Alle decibels van de Cinderella en alle arbeidsbemiddelaars van de RVA waren niet bij machte dat verlangen uit te schakelen. Wij bleven dromen van proza en poëzie en van een ruimte waarin we konden schreeuwen en schilderen, experimenteren en ontdekken. We werkten aan het eigenzinnige tijdschrift Aurora, waaraan ik nu met trots terugdenk, we organiseerden poëziemiddagen en -avonden in het Filmhuis in de Lange Brilstraat, Paul begon zijn hardnekkige onderzoek naar vormen en kleuren. We volgden sporen van Friedrich Nietzsche, Friedrich Hölderlin, Virginia Woolf, Edmund Husserl, Gilles Deleuze, Michel Foucault, Francis Bacon, Bram Van Velde, Maurice Wyckaert en, dichter bij huis, van Leopold Flam en Annie Reniers.
Paul had in die jaren onafgebroken onzichtbare handschoenen aan. Ik weet het, ik heb ze gezien. Ik heb ook de stekelige wereld gezien, die hem niet bijster veel keuze liet.

3. P-P-PEOPLE TRY TO PUT US DOWN, TALKING BOUT MY GENERATION

Maar hoe is het allemaal begonnen? Waarschijnlijk met gestotter. Gestamel dat voortvloeide uit frustratie. In de rij staan op tochtige plaatsen die men speelpleinen noemde, smakeloze soep eten en gelaten de blaffende stemmen van meesters en opvoeders in de gehoorgangen toelaten. Ons dagelijks leven tijdens de koude oorlog van de jaren '50 en '60 was niet bepaald een pretje.

Tot plotsklaps het pistoolschot klonk waarmee ‘Like A Rolling Stone’ opende. Dylans bevestiging van de naamloze, de hoer, de zwerver, de onbekende. Personages die allemaal in onszelf sluimerden. Die elkaar tegenspraken en zich systematisch vergisten.

Op Radio London hoorden we het gestotter van ‘My Generation’. Stotteren mocht, vond Pete Townshend. Je kon anders zijn, ook al werd je in dat anders-zijn niet zomaar aanvaard.
my generation.jpg

En meteen wisten we: dit is het nieuwe leven. Dit is het nieuwe leven dat wij gaan maken. Paul De Wispelaere had het over "een eiland worden". Maar mijn vrienden en ik zouden geen eilanden worden, maar wel minderheden, we gingen ondergronds, werden "subterraneans" om een woord van Jack Kerouac te gebruiken.

Paul Rigaumont heeft het daarover in 'Anekdota VIII' als hij Aurora beschrijft als een "plaats van een minderheidswording. (...) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden 'stotteren' in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen." 'Anekdota VIII' (p.81).

Natuurlijk waren we jong in 1965 en we wisten niet dat we in een traditie stapten: die van beatniks, van dada en sommige surrealisten, van prerafaëlieten als William Morris, van allerlei opstandige/utopische bewegingen in de middeleeuwen. Dat zouden we later vernemen, toen we al volop bezig waren ons te harden, toen we filosofie studeerden, toen we in gesprekken en teksten schrijvend vaststelden dat ons verlangen naar de wereld onverzadigbaar was.

In weerwil van de traditie - met haar akelige leuze 'alles is voltooid' - volhardden we met Ernst Bloch in het 'principe van de hoop' en wilden we iets van onszelf aan de wereld schenken. Omdat we kristallen waren geworden die moesten schitteren. John Lennon - alweer John Lennon - had het daarover in 'Instant Karma', een ingenieuze tegenspraak vol wanhopige vreugde (want hoe kan karma 'instant' zijn zoals koffie ?). We waren kristallen geworden die nooit af geraken. Het soort kristallen waarvoor André Breton een lofzang schrijft in 'L'amour fou':

(Ik parafraseer) Een kunstwerk heeft geen waarde als het niet die hardheid, regelmaat en schittering van een kristal bezit. Een hardheid die onverenigbaar is met het bewuste streven naar perfectie en naar formele schoonheid. Het kristal van het verlangen krijgt spontaan vorm.

Volharding is niet hetzelfde als verstarring. Het is jong blijven, met de zintuigen in de war, de chaos aanvaarden. Jong blijven zoals Simon Vinkenoog jong is gebleven. Niet op de valse manier van mode en reclame, maar op de manier van Gombrowicz, Picasso en Beckett. Zoals mijn vriend Paul Rigaumont, de dagboekschrijver van het verlangen, het verlangende lichaam, de verlangende tekst, ook al hebben zijn zinnen soms handschoenen aan.

In zijn woorden hoor ik de echo van een wereldverlangen. In zijn woorden hoor ik tederheid en woede, systematische vergissingen, zinvolle begoochelingen. Ik zijn woorden zie ik sporen van nachten vol donkere zon, gesprekken met duivels en demonen en met engelen die weliswaar met uitsterven zijn bedreigd. In zijn woorden vind ik vertrouwen in de minderheden die wij worden. Zijn woorden maken mij nieuwsgierig naar toekomstige ontluisteringen en taalgeschitter. Zij zetten mij aan om zelf weer woorden te gaan vinden om mij vanuit de stilte stotterend tot een publiek te richten, in liefde en tegenspraak.

'Anekdota VIII' is een universum dat direct uit het hart van Paul Rigaumont komt. Wat kun je meer van een schrijver verlangen?

flam vub.jpg

 

* Dit is de tekst van een redevoering gehouden in Antwerpen op vrijdag 16 mei 1997,  naar aanleiding van Paul Rigaumonts ‘Anekdota VIII’.

Afbeeldingen: Paul Rigaumont; Thelonious Monk; William Burroughs & Jack Kerouac; Patti Smith; Gilles Deleuze; My Generation single; Leopold Flam circa 1972-73.

 

03-05-15

IN MEMORIAM PAUL RIGAUMONT

 DSC_0384.JPG

Vaarwel goede goede vriend. Vaarwel Paul.

02-05-15

ZERO DE CONDUITE: MOORDENAARS

bonnie2.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de antipasti, de zeeduivel en wat nog meer, het mysterieuze dessert. Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

Voici le temps des Assassins! Vanavond treden de moordenaars op de voorgrond. Niet bepaald een prettig thema, hoewel galgenhumor een kunstvorm voor fijnproevers is. Toen ik dit programma begon voor te bereiden had ik er geen idee van hoeveel songs er bestaan over moord en moordenaars. Eigenlijk was ik onaangenaam verrast: zo veel werk! Het eerste wat ik deed was alle heavy metal, death metal, et cetera, van de lijst schrappen: ik houd niet van die genres en weet er ook weinig over. In mijn collectie zitten maar enkele heavy metal-platen (hoewel Led Zeppelin dat genre toch wel overstijgt). Zo was ik meteen van honderden serial killers verlost. Wat ik overhield was nog altijd erg veel. Daaruit maakte ik een selectie die me relevant lijkt en ook past in de stijl van Zéro de conduite. Bekende populaire songs afgewisseld met wat obscuurdere melodietjes. De moordenaars die aan bod komen zijn grotendeels Amerikaans en Engels: Zéro de conduite beperkt zich nu eenmaal tot Engelstalige populaire muziek. Tijd nu voor de donkere kant van de mens, les fleurs du mal, the bad seeds…

Veel luisterplezier.

john wayne gacy's house2.jpg

Killing Theme - Tindersticks - Trouble Every Day
From the soundtrack of ‘Trouble Every Day’(2001),  a French erotic horror film directed by Claire Denis and written by Denis and Jean-Pol Fargeau. It stars Vincent Gallo, Tricia Vessey, Béatrice Dalle and Alex Descas.

In The Pines - Lead Belly - Smithsonian Folkways: American Roots Collection
‘Where Did You Sleep Last Night’, also known as ‘Black Girl’ and ‘In the Pines’, is a traditional American folk song which dates back to at least the 1870s, and is believed to be Southern Appalachian in origin. The song was covered by numerous artists, among them the Triffids, Link Wray and Nirvana.

Pretty Polly - Dock Boggs - Dock Boggs Country Blues: Complete Early Recordings (1927-29)
‘Pretty Polly’, ‘The Gosport Tragedy’ or ‘The Cruel Ship's Carpenter’ is a traditional English-language folk song found in the British Isles, Canada, and the Appalachian region of North America, among other places.
The song is a murder ballad, telling of a young woman lured into the forest where she is killed and buried in a shallow grave. Many variants of the story have the villain as a ship's carpenter who promises to marry Polly but murders her when she becomes pregnant. When he goes back to sea, he is haunted by her ghost, confesses to the murder, goes mad and dies.
See also Bob Dylan’s ‘Ballad of Hollis Brown’.

Charles Giteau - Kelly Harrell & The Virginia String Band - Anthology Of American Folk Music, Vol. 1B: Ballads
‘Charles Guiteau’ is a traditional song about the assassination of US President James A. Garfield by Charles J. Guiteau. It is based on another old ballad, ‘James A. Rogers’. For a while, it was believed that Guiteau wrote the song himself, possibly because of the poem ‘I am Going to the Lordy’, which Guiteau actually did write on the day of his execution.

Delia - Bob Dylan - World Gone Wrong
Delia Green (c. 1886 – December 25, 1900) was a 14-year-old African-American murder victim who has been identified as the likely inspiration for several well-known traditional American songs, usually known by the titles ‘Delia’ and ‘Delia's Gone.’ Delia Green was shot and killed by 15-year-old Mose (or Moses) Houston late on Christmas Eve, 1900 in the Yamacraw neighborhood of Savannah, Georgia after an argument earlier in the evening. Houston, the newspapers implied, had been involved in a sexual relationship with Green for several months. The shooting took place at the home of Willie West, who chased down Houston after the shooting and turned him over to the city police.
The songs inspired by Green's short life and murder now split into two forms, both staples of the ‘folk revival’ of the 1950s and early 1960s. One version, usually attributed to Blake Alphonso Higgs (the calypso singer also known as ‘Blind Blake’), is known as ‘Delia's Gone,’ and is explicitly told from her killer's point of view. ‘Delia's Gone’ was prominently covered by The Kingston Trio, Pete Seeger and four times by Johnny Cash. The second version, generally attributed to Blind Willie McTell, is usually known as ‘Delia,’ and is told from a more ambiguous point of view. Among the many singers who have covered ‘Delia’ are Bob Dylan and David Bromberg.

Murder In The Red Barn - Tom Waits - Bone Machine

Now the woods will never tell

What sleeps beneath the trees

Or what's buried 'neath a rock

Or hiding in the leaves

'Cause road kill has its seasons

Just like anything

It's possums in the autumn

And it's farm cats in the spring

A murder in the red barn

A murder in the red barn


John Wayne Gacy, Jr. - Sufjan Stevens - Come On Feel The Illinoise!
John Wayne Gacy, Jr. (March 17, 1942 – May 10, 1994), also known as the Killer Clown, was an American serial killer and rapist who was convicted of the sexual assault and murder of a minimum of 33 teenage boys and young men in a series of killings committed between 1972 and 1978 in Chicago, Illinois. All of Gacy's known murders were committed inside his Norwood Park Township home. His victims would typically be lured to this address by force or deception, and all but one victim were murdered by either asphyxiation or strangulation with a tourniquet (his first victim was stabbed to death). Gacy buried 26 of his victims in the crawl space of his home. Three further victims were buried elsewhere on his property, while the bodies of his last four known victims were discarded in the Des Plaines River.

Suffer Little Children - The Smiths - The Smiths
A song about Ian Brady & Myra Hindley. The Moors murders were carried out by Ian Brady and Myra Hindley between July 1963 and October 1965, in and around what is now Greater Manchester, England. The victims were five children aged between 10 and 17—Pauline Reade, John Kilbride, Keith Bennett, Lesley Ann Downey and Edward Evans—at least four of whom were sexually assaulted. The murders are so named because two of the victims were discovered in graves dug on Saddleworth Moor; a third grave was discovered on the moor in 1987, more than 20 years after Brady and Hindley's trial in 1966.

Henry Lee - Nick Cave & The Bad Seeds featuring PJ Harvey - Murder Ballads
‘Young Hunting’ is a traditional folk song. Like most traditional songs, numerous variants of the song exist worldwide, notably under the title of ‘Henry Lee’ and ‘Love Henry’ in the United States and ‘Earl Richard’ and sometimes ‘The Proud Girl’ in the United Kingdom.
The song, which can be traced back as far as the 18th century, narrates the tale of the eponymous protagonist, Young Hunting, who tells a woman, who may have borne him a child, that he is in love with another, more beautiful woman. Despite this, she persuades him to drink until he is drunk, then to come to her bedroom, or at least kiss her farewell. The woman then stabs him to death. She throws his body in the river — sometimes with the help of one of the other women of the town, whom she bribes with a diamond ring — and is taunted by a bird. She tries to lure the bird down from the tree but it tells her that she will kill it if it comes within reach. When the search for Young Hunting starts, she either denies seeing him or claims that he left earlier, but when Hunting's remains are found, in order to revoke her guilt, she reveals that she murdered him and is later burned at the stake. Nick Cave, who covered the song, referred to the song as "a story about the fury of a scorned woman."

Turner's Murder - Merry Clayton Singers - Performance: Original Motion Picture Soundtrack.
A film by Nicholas Roeg and Donald Cammell, starring Mick Jagger, Anita Pallenberg and Jams Fox. It ends with Turner (Mick Jagger) being shot by Chas (James Fox). Chas seems to agree to be 'welcomed back' to his former boss Harry Flowers by Rosie, another Flowers thug; we understand that they are going to kill him. As the car drives off, the face we see through the window is ambiguous – it could be Chas or it could be Turner.

Joe_Meek.jpg

Johnny Remember Me - John Leyton - Joe Meek: The Alchemist Of Pop - Home Made Hits & Rarities 1959-1966.
Robert George "Joe" Meek (5 April 1929  – 3 February 1967) was a pioneering English record producer and songwriter. His best-remembered hit is the Tornados' ‘Telstar’ (1962), which became the first record by a British group to reach number one in the US Hot 100. Meek's other hits include ‘Don't You Rock Me Daddy-O’ and ‘Cumberland Gap’ by Lonnie Donegan (as engineer), ‘Johnny Remember Me’ by John Leyton, ‘Just Like Eddie’ by Heinz, ‘Angela Jones’ by Michael Cox, ‘Have I the Right?’ by the Honeycombs, and ‘Tribute to Buddy Holly’ by Mike Berry. Meek's concept album I Hear a New World, which contains innovative use of electronic sounds, was not released in his lifetime.
Meek's commercial success as a producer was short-lived, and he gradually sank into debt and depression. On 3 February 1967, using a shotgun owned by musician Heinz Burt, Meek killed his landlady Violet Shenton and then shot himself.

Jack The Ripper - Screaming Lord Sutch & The Savages - The Alchemist Of Pop
Attacks ascribed to Jack the Ripper typically involved female prostitutes who lived and worked in the slums of London and whose throats were cut prior to abdominal mutilations. The removal of internal organs from at least three of the victims led to proposals that their killer possessed anatomical or surgical knowledge. Rumours that the murders were connected intensified in September and October 1888, and letters from a writer or writers purporting to be the murderer were received by media outlets and Scotland Yard. The ‘From Hell’ letter, received by George Lusk of the Whitechapel Vigilance Committee, included half of a preserved human kidney, purportedly taken from one of the victims. Mainly because of the extraordinarily brutal character of the murders, and because of media treatment of the events, the public came increasingly to believe in a single serial killer known as "Jack the Ripper".
Extensive newspaper coverage bestowed widespread and enduring international notoriety on the Ripper, and his legend solidified. A police investigation into a series of eleven brutal killings in Whitechapel up to 1891 was unable to connect all the killings conclusively to the murders of 1888. Five victims: Mary Ann Nichols, Annie Chapman, Elizabeth Stride, Catherine Eddowes and Mary Jane Kelly, all murdered between 31 August and 9 November 1888, are known as the "canonical five" and their murders are often considered the most likely to be linked. As the murders were never solved, the legends surrounding them became a combination of genuine historical research, folklore, and pseudohistory.
http://en.wikipedia.org/wiki/Jack_the_Ripper

Bonnie And Clyde - Serge Gainsbourg & Brigitte Bardot – Bonnie and Clyde
‘Bonnie and Clyde’ is based on an English language poem written by Bonnie Parker herself a few weeks before she and Clyde Barrow were shot, entitled ‘The Trail's End’. The song tells the story of the outlaw couple Bonnie and Clyde. It was released on two albums in 1968: Gainsbourg's album ‘Initials B.B.’, and Gainsbourg and Bardot's album ‘Bonnie and Clyde’.

Psycho Killer - Talking Heads - Talking Heads: 77
“When I started writing this (I got help later), I imagined Alice Cooper doing a Randy Newman-type ballad. Both the Joker and Hannibal Lecter were much more fascinating than the good guys. Everybody sort of roots for the bad guys in movies.” David Byrne

Kill Your Sons - Lou Reed - Sally Can't Dance
‘Kill Your Sons’ is a reflection of Lou Reed’s stay in a psychiatric hospital at his parents' insistence, during his teen years.

Deep Red Bells - Neko Case – Blacklisted
A song about Gary Leon Ridgway, an American serial killer known as the Green River Killer. He was initially convicted of 48 separate murders and later confessed to nearly twice that number. As part of his plea bargain, an additional conviction was added, bringing the total number of convictions to 49, making him the most prolific American serial killer in history according to confirmed murders. He murdered numerous women and girls in Washington State and California during the 1980s and 1990s.Most of his victims were alleged to be prostitutes. When the press gave him his nickname after the first five victims were found in the Green River; his identity was not known. He strangled the women, usually by hand but sometimes using ligatures. After strangling them, he would dump their bodies throughout forested and overgrown area in King County, often returning to the dead bodies to have sexual intercourse with them.

Little Sadie - Mark Lanegan - I'll Take Care Of You
‘Little Sadie’ is a 20th-century American folk ballad. It is also known variously as ‘Bad Lee Brown’, ‘Cocaine Blues’, ‘Transfusion Blues’, ‘East St. Louis Blues’, ‘Late One Night’, ‘Penitentiary Blues’ and other titles. It tells the story of a man who is apprehended after shooting his wife/girlfriend. He is then sentenced by a judge.

Long Black Veil - The Band - Music From Big Pink
‘Long Black Veil’ is a 1959 country ballad, written by Danny Dill and Marijohn Wilkin and originally recorded by Lefty Frizzell.
A saga song, ‘Long Black Veil’ is told from the point of view of an executed man falsely accused of murder. He refuses to provide an alibi, since on the night of the murder he was having an affair with his best friend's wife, and would rather die and take their secret to his grave than admit the truth. The chorus describes the woman's mourning visits to his gravesite, wearing a long black veil and enduring a wailing wind.
The writers later stated that they drew on three sources for their inspiration: Red Foley's recording of ‘God Walks These Hills With Me’, a contemporary newspaper report about the unsolved murder of a priest, and the legend of a mysterious veiled woman who regularly visited Rudolph Valentino's grave.

Matty Groves - Fairport Convention - Liege & Lief
‘Matty Groves’ is an English folk ballad that describes an adulterous tryst between a man and a woman that is ended when the woman's husband discovers and kills them. It dates to at least the 17th century, and is one of the Child Ballads collected by 19th-century American scholar Francis James Child. It has several variant names, including ‘Little Musgrave and Lady Barnard.’
Lord Arlen kills Matty Groves in a duel. When his wife spurns him and expresses a preference for her lover, even in death, over her husband, he stabs her through the heart. The ballad may end there, or with the lord's death, by suicide or execution. Yet another version has him cutting off his wife's head and kicking it against the wall in anger.

Down In The Willow Garden - The Everly Brothers - Songs Our Daddy Taught Us
‘Down in the Willow Garden’, also known as ‘Rose Connelly’is a traditional Appalachian murder ballad about a man facing the gallows for the murder of his lover: he gave her poisoned wine, stabbed her, and threw her in a river. It originated in the 19th century, probably in Ireland, before becoming established in the United States. The lyrics greatly vary among earlier versions, but professional recordings have stabilized the song in a cut-down form. First professionally recorded in 1927, it was made popular by Charlie Monroe's 1947 version, and it has been recorded dozens of times since then.

Pretty Boy Floyd - The Byrds - Sweetheart Of The Rodeo
A song about Charles Arthur Floyd. Floyd was a suspect in the deaths of Kansas City brothers Wally and Boll Ash, who were bootleggers. They were found dead in a burning car on March 25, 1931. A month later on April 23, members of his gang killed Patrolman R. H. Castner of Bowling Green, Ohio. On July 22 Floyd killed Agent Curtis C. Burke of the federal Bureau of Alcohol, Tobacco, Firearms and Explosives (ATF) in Kansas City, Missouri.
In 1932, former sheriff Erv Kelley of McIntosh County, Oklahoma, was killed while trying to arrest Floyd on April 7. In November of that year, three members of Floyd's gang attempted to rob the Farmers and Merchants Bank in Boley, Oklahoma.
Despite his life of crime, Floyd was viewed positively by the general public. When he robbed banks he would destroy mortgage documents, which freed many citizens of their debts. He was protected by citizens of Oklahoma, who referred to him as "Robin Hood of the Cookson Hills

Duncan And Brady - Dave Van Ronk - Down In Washington Square: The Smithsonian Folkways Collection
‘Duncan and Brady’, also known as ‘Been on the Job Too Long’, ‘Twinkle, Twinkle, Little Star’, or simply ‘Brady’, is a traditional murder ballad about the shooting of a policeman, Brady, by a bartender, Duncan. The song's lyrics stemmed from actual events, involving the shooting of James Brady in the Charles Starkes Saloon in St. Louis, Missouri. Harry Duncan was convicted of the murder, and later executed.

Going To Memphis - Johnny Cash – Ride This Train (1960)
They all call me crazy for sassin' Mr Scott

My brother was killed for a deed I did but I disremember what (yeah)

Well another boy is down the shovel burned him out

Let me stand on his body to see what the shoutin's about

I'm goin' to Memphis yeah I'm goin' to Memphis hmm

Like a bitter weed...


Folsom Prison Blues - Charlie Feathers - Wild Side Of Life: Rare And Unissued Recordings Vol. 1
Johnny Cash was inspired to write this song after seeing the movie Inside the Walls of Folsom Prison (1951) while serving in West Germany in the United States Air Force at Landsberg, Bavaria (itself the location of a famous prison). Cash recounted how he came up with the line ‘But I shot a man in Reno, just to watch him die": "I sat with my pen in my hand, trying to think up the worst reason a person could have for killing another person, and that's what came to mind.”

charlie feathers.jpg

I'm Gonna Murder My Baby - Pat Hare - Sun Records: The Blues Years 1950 – 1958 Vol. 8
Pat Hare’s guitar solo on James Cotton's electric blues record ‘Cotton Crop Blues’ (1954) was the first record to use heavily distorted power chords, anticipating elements of heavy metal music. According to Robert Palmer: "Rarely has a grittier, nastier, more ferocious electric guitar sound been captured on record, before or since, and Hare's repeated use of a rapid series of two downward-modulating power chords, the second of which is allowed to hang menacingly in the air, is a kind of hook or structural glue…”
Shortly after the ‘Cotton Crop Blues’ recording, Pat Hare recorded a version of the early 1940s Doctor Clayton song ‘I'm Gonna Murder My Baby’ on May 14, 1954. In December 1963, Hare shot his girlfriend dead, and also shot a policeman who came to investigate. At the time of his arrest, he was playing in the blues band of Muddy Waters. Hare spent the last 16 years of his life in prison, where he formed a band named Sounds Incarcerated. Hare succumbed to lung cancer in prison, and died in 1980 in St. Paul, Minnesota.

Pat Hare.jpg

I'm Gonna Kill That Woman - John Lee Hooker - John Lee Hooker Sings Blues
The tracks on this album were cut in 1948/49 in Detroit, in the back room studio of a record shop. Contracted to Modern Records, he used the name of Texas Slim on this session for the King label. As far as we know John Lee Hooker never killed anyone.

Frankie - Mississippi John Hurt - Avalon Blues: The Complete 1928 OKeh Recordings
‘Frankie and Johnny’ (sometimes spelled ‘Frankie and Johnnie’; also known as ‘Frankie and Albert’ or just ‘Frankie’) is a traditional American popular song. It tells the story of a woman, Frankie, who finds that her man Johnny was making love to another woman and shoots him dead. Frankie is then arrested; in some versions of the song she is also executed.
The song was inspired by one or more actual murders. One of these took place in an apartment building located at 212 Targee Street in St. Louis, Missouri, at 2:00 on the morning of October 15, 1899. Frankie Baker (1876 – 1952), a 22-year-old woman, shot her 17-year-old lover Allen (also known as ‘Albert’) Britt in the abdomen. Britt had just returned from a cakewalk at a local dance hall, where he and another woman, Nelly Bly (also known as ‘Alice Pryor’), had won a prize in a slow-dancing contest. Britt died of his wounds four days later at the City Hospital. On trial, Baker claimed that Britt had attacked her with a knife and that she acted in self-defense; she was acquitted and died in a Portland, Oregon mental institution in 1952.

Stagger Lee - Taj Mahal - Giant Step & De Ole Folks At Home
‘Stagger Lee’, also known as ‘Stagolee’ and other variants, is a popular American folk song about the murder of Billy Lyons by "Stag" Lee Shelton in St. Louis, Missouri at Christmas, 1895. The song was first published in 1911, and was first recorded in 1923 by Fred Waring's Pennsylvanians. A version by Lloyd Price reached #1 on the Billboard Hot 100 in 1959.
Lee Shelton (March 16, 1865 – March 11, 1912), popularly known as ‘Stagolee’, ‘Stagger Lee’, ‘Stack-O-Lee’, and other variations, was an American criminal who became a figure of folklore after murdering Billy Lyons on Christmas 1895. The murder, reportedly motivated partially by the theft of Shelton's Stetson hat, made Shelton an icon of toughness and style in the minds of early folk and blues musicians, and inspired the popular folk song ‘Stagger Lee’. The story endures in the many versions of the song that have circulated since the late 19th century.
A story appearing in the St. Louis Globe-Democrat in 1895 read:
“William Lyons, 25, a levee hand, was shot in the abdomen yesterday evening at 10 o'clock in the saloon of Bill Curtis, at Eleventh and Morgan Streets, by Lee Sheldon, a carriage driver. Lyons and Sheldon were friends and were talking together. Both parties, it seems, had been drinking and were feeling in exuberant spirits. The discussion drifted to politics, and an argument was started, the conclusion of which was that Lyons snatched Sheldon's hat from his head. The latter indignantly demanded its return. Lyons refused, and Sheldon withdrew his revolver and shot Lyons in the abdomen. When his victim fell to the floor Sheldon took his hat from the hand of the wounded man and coolly walked away. He was subsequently arrested and locked up at the Chestnut Street Station. Lyons was taken to the Dispensary, where his wounds were pronounced serious. Lee Sheldon is also known as 'Stag' Lee.”

Highway Patrolman - Bruce Springsteen – Nebraska
The song tells the story of Joe Roberts, the highway patrolman of the title from whose viewpoint the song is written – and his brother, Franky, and is set in the 1960s. Franky is portrayed as unruly and frequently causing and encountering trouble, while Joe is the more mature, sensible (and likely elder) brother who always comes to his aid. Even though Joe works for the law, he lets his brother Franky escape after he has shot someone.
Sean Penn based the screenplay of his 1991 directorial debut The Indian Runner on the song's story. All of the songs on ‘Nebraska’ both deal with ordinary, blue collar characters who face a challenge or a turning point in their lives, but also outsiders, criminals and mass murderers, who have little hope for the future - or no future at all, as in the title track ‘Nebraska’, a first-person narrative based on the true story of 19-year-old spree killer Charles Starkweather and his 14-year-old girlfriend, Caril Ann Fugate.
‘Highway Patrolman’ was covered by Johnny Cash on his 1983 album ‘Johnny 99’.

Murder In My Heart For The Judge - Moby Grape – Wow
‘Murder In My Heart For The Judge’ is a blues rock tune written by drummer Don Stevenson that was later recorded by other rock musicians such as Lee Michaels, Three Dog Night and Chrissie Hynde. A song about a long haired freak with a death wish.

carnival_of_souls1.jpg

The Drifter - Green On Red - Gas Food Lodging
Theodore Robert "Ted" Bundy (born Theodore Robert Cowell; November 24, 1946 – January 24, 1989) was an American serial killer, kidnapper, rapist, and necrophile who assaulted and murdered numerous young women and girls during the 1970s and possibly earlier. Shortly before his execution, after more than a decade of denials, he confessed to 30 homicides committed in seven states between 1974 and 1978.
Bundy was regarded as handsome and charismatic by his young female victims, traits he exploited to win their trust. He typically approached them in public places, feigning injury or disability, or impersonating an authority figure, before overpowering and assaulting them at more secluded locations. He sometimes revisited his secondary crime scenes for hours at a time, grooming and performing sexual acts with the decomposing corpses until putrefaction and destruction by wild animals made further interaction impossible. He decapitated at least 12 of his victims, and kept some of the severed heads in his apartment for a period of time as mementos. On a few occasions he simply broke into dwellings at night and bludgeoned his victims as they slept.

Revolution Blues - Neil Young - On The Beach
Inspired by Charles Manson, whom Young had met in his Topanga Canyon days.
http://en.wikipedia.org/wiki/Charles_Manson

Sex Killer - Jeffrey Lee Pierce – Wildweed
The violence theme practically drips from the album cover, depicting Pierce with a dreamy look and a shotgun slung over his shoulder. Standing amidst what could be the last true vestige of an unspoiled, rural America, it's a fair bet that he's ready to shoot anything even slightly disturbing - upon which he probably will utter one final howl before putting himself "to rest" as well. Plenty of those howls are scattered through ‘Wildweed’, which opens with a strong threesome of ‘Love and Desperation’,’Sex Killer’, and ‘Cleopatra Dreams On’. [Allmusic]

Gary Gilmore's Eyes - The Adverts - Crossing The Red Sea With The Adverts
On the evening of July 19, 1976, Gary Gilmore robbed and murdered Max Jensen, a gas station employee in Orem, Utah. The next evening, he robbed and murdered Bennie Bushnell, a motel manager in Provo. Even though they had complied with his demands, he murdered both men. While disposing of the .22 caliber pistol used in both killings, Gilmore accidentally shot himself in his right hand, leaving a trail of blood back to the service garage, where he had left his truck to be repaired prior to murdering Bushnell. Garage mechanic Michael Simpson witnessed Gilmore hiding the gun in the bushes. Seeing the blood on Gilmore's crudely bandaged right hand when he approached to pay for the repairs to his truck, and hearing on a police scanner of the shooting at the nearby motel, Simpson wrote down Gilmore's license number and called the police after Gilmore left. Gilmore's cousin, Brenda, turned him in to police shortly after he phoned her asking for bandages and painkillers for the injury to his hand. The Utah State Police apprehended Gilmore as he tried to drive out of Provo, and he gave up without attempting to flee. He was charged with the murders of Jensen and Bushnell, although the first case was never brought to trial, apparently because there were no eyewitnesses.

Wrong 'Em Boyo - The Clash - London Calling
This song tells the Stagolee story. See above.

Knoxville Girl - The Lemonheads - Car Button Cloth
‘The Knoxville Girl’ is an Appalachian murder ballad. It is derived from the 19th-century Irish ballad The Wexford Girl, itself derived from the earlier English ballad ‘The Oxford Girl’. Other versions are known as the ‘Waxweed Girl’, ‘The Wexford Murder’. These are in turn derived from Elizabethan era poem or broadside ballad, ‘The Cruel Miller’.
Possibly modelled on the 17th century broadside William Grismond's Downfall, or A Lamentable Murther by him Committed at Lainterdine in the county of Hereford on March 12, 1650: Together with his lamentation, sometimes known as The Bloody Miller.

Thanks to Greil Marcus, Robert Palmer and many other writers. And to Wikipedia, where I found most of the information about the (serial) killers.

moors murderers.jpg

Research and talking: Martin Pulaski

30-04-15

DE CARIBISCHE DRUMMERS

saul-leiter-barbara-or-margaret-1955.png

Hoe het verhaal begon kan ik me niet herinneren. Vorige vrijdag lag Annabelle hier lui op de chaise longue met alleen nog haar zwarte Suède laarsjes aan. Ik zat aan mijn oude kersenhouten tafel, net niet helemaal met mijn rug naar haar toegekeerd. Waarschijnlijk probeerde ik neer te schrijven wat ik zag als ik, bijna tersluiks, naar haar keek. Hoe zij daar lag, haar lange benen, de kleur van haar huid, de lome blik in haar ogen. Op een computerscherm, links van me, begon een drumband te spelen. De muzikanten marcheerden door een Caribisch stadje, hun getrommel even kleurrijk als de gevels van de oude huizen. Als de klank luider werd leek wat ze speelden een kakofonie, maar altijd hoorde je toch ook structuur in hun opwindende muziek. Wat je hoorde en onderging was een combinatie van emotie, woede, verleidingstechniek en wiskunde. Soms, als het volume afnam, vreesde ik dat de muzikanten al gauw uit het gezichtsveld zouden verdwijnen.

Onze postbode kwam de kamer binnen met een pakje. “Uit Amerika”, zei hij. Hij wierp een nieuwsgierige blik op Annabelle, haar ogen nu op het computerscherm gericht, maar haar lichaam nog altijd in volstrekte rust. Heel even maar bekeek de postbode haar en dan werd zijn aandacht getrokken door de straatdrummers. Natuurlijk moest hij zijn ronde doen, maar ik zag dat hij het moeilijk had om zich uit de uitgelaten sfeer van de muziek los te rukken. Tenslotte zei hij “geweldig” en vertrok. Mij leek het alsof hij op die paar minuten een andere mens was geworden. Wat later moest Annabelle ook de deur uit, ik geloof naar haar werk.

Een paar dagen nadien liep ik met mijn vrouw naar de winkel. We passeerden de postbode. “Wat was dat toch magisch, dat uitzinnig getrommel dat ik daar bij jou hoorde,” zei hij. Ik wist niet wat te antwoorden. Ik knikte en maakte me zo gauw mogelijk uit de voeten. Mijn vrouw vond dat maar vreemd. Wat was er aan de hand? En pas nu zag ik dat ze niet langer blond was: ze had haar haren zwart laten verven.

Eergisteren lag ik in bed met een zwartharig meisje, dat ik vaag van ergens kende. Een actrice misschien. Ik herinner me haar naam niet. Ze was omstreeks elf uur komen aanbellen en vroeg meteen, de voordeur was nog niet toe, of ze bij me mocht komen liggen. Om vier uur kwam mijn vrouw thuis, nu weer met blonde haren. Het zwartharige meisje vertrok, ik viel opnieuw in slaap. ’s Avonds zag ik een in cadeaupapier ingepakte fles op mijn nachtkastje staan. In de lege whiskyfles zat een brief van mijn vrouw. Harde woorden van afscheid. Ze nam mijn gedrag niet langer, ze was voorgoed vertrokken. Ik kwam uit bed, mijn hart gebroken. In de keuken, waar het nu donker was, zag ik haar silhouet, niet meer dan een vage schim was het – ik wist dat ze weg was.

muziek, drummers, caribische trommelaars, meisjes, vrouwen, lust, visite, erotiek, verlangen, wellust, genot, kijken, annabelle, bed, luiheid, cadeau, jaloezie, huwelijk, verlaten, alleen, eenzaamheid, postbode, "the postman always rings twice"

...

Foto: Saul Leiter, 'Barbara or Margret',  1955; Tay Garnet, 'The Postman Always Rings Twice', 1946.

29-04-15

AARDBEVING IN NEPAL

triomf van de dood.jpg

Heb je veel meer tijd nodig om een ramp als die in Nepal tot je door te laten dringen dan bijvoorbeeld het overlijden van een muzikant die je bewonderde? Is zo’n catastrofe zo overweldigend dat ze in plaats van je zinnen te verbijsteren je sprakeloos maakt en stil? Dat je lange tijd niet reageert. Dat je er geen woorden voor vindt. Dat je je gaat schamen, want ben je wel een mens – als je zo veel mensen naar de plek van het onheil ziet vertrekken om hulp te gaan bieden?

Nu, na vijf dagen, dringt de verschrikking tot me door. Nu pas kan ik me enigszins een beeld vormen van wat mijn soortgenoten daar nu moeten doorstaan. Nu voel ik hun verlies en hun lijden in mijn hart.

28-04-15

EEN GEVECHT


Kleine schermutseling van je gedachten met cijfers

Op de dag dat je verdacht bent
Van wat met stomheid werd geslagen.

Bedacht een ijdeltuit daar iets nieuws voor het nieuws?

Verwacht het water een vuur aan de hemel
Als de varens groen opengaan en geel de gulzige vogels
Hun dorst lessen?

Een groot gevecht lijkt het al gauw en niet eens begonnen.
Er is niets nieuws onder de sterren.
In je gedachten is iedereen al onderweg naar de maan.

22-04-15

VERSLAG VAN EEN WANDELING

herman claeys 001.jpg

Om wat gemoedsrust te vinden besluit ik een wandeling te maken. Links van mij de drukke steenweg, aan mijn rechterhand groene velden achter een prikkeldraadomheining. Een vriendelijke blonde jongen, echt het outdoor type, is mijn gids. Hij zal me tot aan een verkoelende veldweg leiden en nog een eindje verder. Onderweg vertelt hij me een en ander over zichzelf. Hij toont me zijn armen – allebei zijn ze gebroken geweest, aan de polsen. Nog niet helemaal geheeld. Een brutale medeleerling van hem heeft dat gedaan. Die had de jongen gewoon even krachtig bij de polsen gegrepen. In een oogwenk was het gebeurd. Eerst had hij geen pijn gevoeld, maar daarna, een minuut of vijf later!
“Gebruld dat ik heb!”
“Die gast moet zich dan wel schuldig gevoeld hebben, zeker?” vraag ik.
“Helemaal niet” zegt de jongen lachend, “die was er zelfs trots op…”
Zo’n echt fascistisch mannetje, denk ik bij mezelf en ik vermoed dat de jongen er net zo over denkt.
“Zie je daar recht voor je dat bordje. ‘Aurora’ staat er in Pruisisch blauwe letters op. Wel, daar moeten we rechts afslaan. Daar wordt het bijzonder fijn om te wandelen.”

We slenteren door zomerse velden. Idyllisch op het eerste zicht, maar er hangt iets dreigends in de lucht. Het verhaal van de jongeman laat me maar niet met rust. Een half uur laten komen we in een dorp aan. Was dit niet het doel van mijn korte reis? We nemen afscheid en ik begeef me naar de grote dorpsgelagzaal waar ‘Just A Gigolo’, een film van David Hemmings, wordt vertoond. Ik heb het gevoel dat ik binnenstap in een mij uit mijn kinderjaren vertrouwde omgeving. In de zaal doven de lichten.
De film begint.

In de eerste sequens zien we een ogenschijnlijk gewone misdadiger een trappenhal van een Berlijns herenhuis binnenkomen. Wij – of is het de camera? – bevinden ons op de eerste verdieping van het huis. We zien de wenteltrap met grillige Jugendstilleuning in metaal. Vervolgens beneden de man, die omhoog kijkt. Zijn gezicht is nog in schaduw gehuld. Daarna een close-up van zijn gezicht. Het is Hitler. Zijn ogen zwart omrand, een priemende, boosaardige blik. Een zwarte lok over zijn voorhoofd. Ik hoor een stem die ik van ergens ken vragen:
“Zou Hitler er zo uitgezien hebben?”
Zelf vraag ik me af hoe een acteur zo sterk op Hitler kan lijken.
Nu ben ik niet langer toeschouwer: ik ben in de ruimte van de film, van het verhaal zelf… Maar passief, niemand van de anderen kan me zien.
David Bowie, die de hoofdrol speelt, richt zich rechtstreeks tot het publiek.
“Wat je nu ziet,” zegt hij, “zijn mijn 32 Elvis Presley-films in één keer”.

De jongen die mijn gids was heeft zich in een klaslokaal van een naburige school teruggetrokken. Niet op zijn gemak, schichtig om zich heen kijkend, alleen. In een gebroken wit geverfde wand van het lokaal zie ik grote openingen die toegang geven tot een tweede klaslokaal. In het klaslokaal aan mijn linkerkant zitten de Nationalisten. Deze jongeren zien eruit als brave smeerlapjes: ze spreken en zingen in de Duitse taal, zoals die in de jaren dertig klonk. Ze verdedigen de fascistische ideologie van het Vaderland. In het andere lokaal zitten de Socialisten, die Italiaans spreken en zingen. Straatjochies, zo lijkt het wel. Duidelijk minder ernstig dan de Duitstaligen. In hun ogen blikkert dezelfde humor als die van de oude film ‘Zéro de conduite’. De jongen die mijn gids was moet kiezen tussen een van de twee klassen maar zou zich veel liever afzijdig houden. Wat gebeurt er daarna met de lieve jongen?

Af en toe steekt iemand van de ene klas zijn hoofd door een van de gaten in de gebroken wit geschilderde wand om met de andere klas mee te doen, ja, om zogenaamd te sympathiseren met het andere kamp. Ik span me in om te verstaan wat de Socialisten zeggen. Maar eenvoudig is dat niet – deze potpourri van klanken. En toch geeft het een mooi effect, al die talen door elkaar. Ik onderscheid nu zelfs Nederlandse woorden. Een oudere man houdt een aanvankelijk onverstaanbare redevoering. Geleidelijk aan gebruikt hij meer Nederlandse woorden. Na een poos hoor ik geen enkele andere taal meer.

Nu heb ik het door. Dankzij een of andere truc heb ik de ruimte van de film kunnen verlaten en ben ik weer een gewoon toeschouwer. Woedend wend ik me tot de uitbater.
“Dit is een groot bedrog. Wat hier vertoond wordt is een gedubde versie, er zijn immers geen ondertitels.”
"..."
“Ik wil mijn geld terug” zeg ik.
De man bekijkt me onderzoekend en weigert.
“U had buiten moeten aankondigen dat het geen oorspronkelijke versie is,” zeg ik.
“Ga dan maar eens kijken buiten” zegt hij.
Uitzinnig van woede loop ik naar de bar, waar een aantal dorpelingen staan te praten en te drinken.
“David Bowie heeft een prachtige stem!” roep ik uit.
Dit herhaal ik een keer of drie.
Niets dan apathie. Toch blijf ik hopen op de solidariteit van de aanwezigen. Waar is mijn jonge gids dan gebleven? Ik bestel een dubbele bourbon en drink hem snel leeg.
“Nog veel nationalistisch genot!” brul ik voor ik de deur van de grote dorpsgelagzaal achter me dichtsmak.

Enkele straten met niets dan verweerde huisjes en ik ben weg uit de dorpskom. Daarna terug langs de veldweg. De mist hangt dicht boven de velden.

17-04-15

JUDITH MALINA IS DOOD

JMJB-photo-74.jpg

Judith Malina, een van de heldinnen uit de lange en mooie dagen van mijn adolescentie, overleed een week geleden. Ik verneem het nu pas - terwijl ik een film van Mike Leigh programmeer om later te bekijken. Het valt me moeilijk om over haar te schrijven. Wat kun je vertellen over iemand die je nooit hebt gekend maar die desondanks je enigszins starre en zelfingenomen wereldbeeld mede heeft verbrijzeld? Want dat heeft ze samen met haar partner Julian Beck en hun radicaal en experimenteel theatergezelschap Living Theatre gedaan. Hun voorstellingen, als je ze zo mag noemen, van ‘Paradise Now’ in Théâtre 140 in Brussel in 1969 hebben mijn leven voor altijd veranderd, hoezeer de utopie die Judith Malina en Julian Beck - een droom van liefde en geweldloosheid - ook is mislukt. In ‘Paradise Now’ herkende ik mezelf zoals ik nooit geweest was en zoals ik dacht nooit te zullen worden: bevrijd van de ketens van religie, gezin en onderwijs; open voor het stichten van een paradijs op aarde, een paradijs zoals John Lennon het bezingt in ‘Imagine’.

Wellicht omdat de ervaring die wij – langharig werkschuw tuig - toen deelden zo intens was valt het nu zo moeilijk om er iets over te zeggen. De barrières die worden opgeworpen door de ‘helden van deze tijd’, mannen en vrouwen die een reële dystopie willen installeren, een maatschappij van beschuldiging, vernedering, racisme, geweld, wild kapitalisme en permanente oorlog, zijn te groot. Van de utopische schoonheid die uitging van het werk van Judith Malina en Julian Beck blijft zo te zien niets meer over. Het radicale theater, gebaseerd op de ideeën van Erwin Piscator en een hele reeks anarchistische denkers, is al lang ten grave gedragen. Fijnzinnig tijdverdrijf voor belezen mensen, wonend in ruime lofts of in groene zones gelegen woningen met grote ramen waar veel oogverblindend licht binnenvalt, is ervoor in de plaats gekomen. Of zou er op aarde toch nog een Pasolini, een Pierre Clementi, rondlopen?

En teruggaan in de tijd, zoals hij in 1969 voor mij was, is onmogelijk. Of anders gezegd: ik ben er te moe, te zwak voor, mijn herinneringen zijn door zwaarmoedigheid zo aan banden gelegd dat ik er onmogelijk nog woorden voor kan vinden. Tenzij ik ze zou kunnen uitschreeuwen op een groot plein, niets dan woede, razernij… Maar dat zou niet in overeenstemming zijn met de woorden van Judith Malina, woorden waarmee ze haar dagboek ‘The Diaries of Judith Malina. 1947-1957’ besluit:

Where there is love
There is only love.

Judith Malina is dood. Nu is het tijd voor nieuwe woorden en nieuw leven. Laat het dan komen.

judith-malina-julian-beck-prison-1971.jpg

13-04-15

AGNES MATZERATH

blechtrommel_szenenfoto_16_5_4_01_020_1024.jpg

Zuchtend sloeg Zwart de krant open, hierbij enige hinder ondervindend van de windvlagen. Op pagina 2 stond een foto van Françoise Villers afgedrukt, die hij met een onverklaarbaar gevoel van welbehagen aan een onderzoek onderwierp. Ze heeft behalve een mooie naam (Zwart las Villiers in plaats van Villers) ook nog een lief gezicht. Snoet is een afschuwelijk woord. Beledigend. Waarom dan? Ze heeft iets van een actrice. Bulle Ogier. De salamander. Nou. Ik zit vandaag wel met actrices in mijn hoofd. Stijl heeft ze vast, met die lange zwarte sjaal. Of zou het een andere kleur zijn? Niets is wat het lijkt. Bevallige hals en arm. Zwart bladerde door tot hij de Filmagenda vond. Niet één film die de moeite loonde. Of toch wel één, maar die had hij al een keer gezien.

Zodra de lichten waren gedoofd werd hij weer ondergedompeld in het afschuwelijke. Angst kneep hem de keel toe, zijn hart sloeg op hol. Hij vreesde dat hij zou verstikken. Zo onopvallend mogelijk slikte hij een valium. Elke beweging leek gevaarlijk; je zo stil mogelijk houden was de boodschap. Daar hij evenwel wist dat hij aan de duisternis zou wennen, werd hij al gauw rustiger en ging regelmatiger ademhalen. De filmische ruimte had ook een aandeel in deze herwonnen rust: het licht dat van het witte doek afstraalde werkte op hem in als een hypnoticum. Alleen zijn vochtige handpalmen rukten hem af en toe weg uit die zweverige toestand en stopten hem dan telkens gedurende enkele seconden weer in zijn sterfelijke, van angst verstarde, lichaam.

De naam Angela Winkler verbergt en onthult, ook voor wie de actrice niet kent, een bijna tastbare schoonheid. Voor Zwart was de film ‘De blikken trommel’ vooral het verhaal van Agnes Matzerath. Haar zachte, felle zinnelijkheid overrompelde hem. Hij betreurde het dat zij al halverwege het verhaal sterven moest. Maar dat was haar noodlot. De dood stond in al haar gebaren geschreven.

Hoe zou ik evenveel kracht kunnen leggen in mijn woorden als in deze kleuren? Dood proza. Onnodig te zoeken naar een equivalent voor dat zo erotische bloedwarme rood, voor het bruin van verdorde velden, puinen. Voor de kinderlijke alwetende ogen van Oskar Matzerath. Voor de stemmen van Bebra en Roswitha Raguna. Hier schiet elke vergelijking, elke metafoor tekort. Onnodig, inderdaad. De kritiek van Menno ter Braak op de tachtigers zou ik nooit mogen vergeten. Geen schilderijen, geen films maken met woorden.

Toen hij uit de bioscoop kwam trof hem het verblindende licht en de zachte, lichtzoete geur die in de straat hing. Tijdens de begrafenis van Agnes Matzerath was de zon door de wolken gebroken en onmiddellijk daarna was de wind gaan liggen. Mannen droegen hun regenjas onder de arm; sommigen floten een wijsje. Vrouwen, die net zo gewichtloos leken als in reclameclips, zweefden over de brede trottoirs. Nog half versuft keek Zwart om zich heen, hopend in een van de voorbijgangsters de vitale en melancholische trekken van Agnes Matzerath te ontdekken. Een ontroostbare jonge vrouw die rondzwierf in deze stad, op zoek naar hem.

AGNESMATZERATH.jpg

Fragment uit de onafgewerkte roman ‘De weg naar het centrum’ (1987-1990). Gedeeltelijk gepubliceerd in het tijdschrift Letters, 6de jaargang, nr. 4, december 1990.

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende