22-10-14

STIJL EN VERBLINDING

Niccolò_Machiavelli_by_Santi_di_Tito.jpg

Ten aanzien van politici - en zeker ten aanzien van invloedrijke en machtige politici met een diploma geschiedenis op zak – ben ik bijzonder voorzichtig en kritisch als zij dwepen met extreemrechtse voorgangers, ideologen, collaborateurs en zo meer. En niet alleen als zij ermee dwepen, ook als zij ze afdoen als ongevaarlijk omdat zij tot het verleden behoren. De uitspraken van Bart De Wever van de voorbije dagen zijn verwerpelijk. Voor hem is de eerste helft van de twintigste eeuw een oude geschiedenis. We moeten de problemen van deze eeuw aanpakken. Hoe cynisch kun je zijn? Hebben Rimbaud, Vermeer, William Blake, Shakespeare, the Beatles geen invloed meer op de hedendaagse mens en meer bepaald op de jeugd? De Poolse auteur Jan Kott noemde Shakespeare terecht een tijdgenoot. Hetzelfde geldt helaas voor misdadige ideologen als Alfred Rosenberg, hoofdredacteur van de Völkischer Beobachter, Joseph Goebbels, minister van Volksvoorlichting en Propaganda onder Hitler, cineaste Leni Riefensthal en vele anderen. Ik vermoed dat de huidige voorzitter van de Vlaams-nationalistische partij Machiavelli in zijn boekenkast heeft staan. Of toch niet? Misschien vindt hij het werk van die denker het lezen niet waard vanwege te lang geleden te boek gesteld?
jan kott 001.jpg

Politici en historici moeten duidelijk zijn; ze mogen de waarheid geen geweld aandoen. Het is onze morele plicht hun eventuele leugens, bedriegerijen en uitvluchten aan te klagen. Maar hoe gaan wij om met ‘bedenkelijke’ kunstenaars en schrijvers uit het verleden? En hoe met schrijvers en kunstenaars van nu die – bijvoorbeeld – fascistische, nazistische en antisemitische kunstenaars en schrijvers bewonderen? Hoe gaan wij om met Ezra Pound, Louis Ferdinand Céline, Heidegger, Paul Morand, Roger Nimier en - de door Eddy Du Perron bejubelde - Pierre Drieu la Rochelle? Hoe gaan wij om met hun werk, met onze mogelijke bewondering voor hun werk, en met de uitgesproken bewondering van anderen voor dat werk?

Nimier.jpg

Wat mezelf betreft wil ik op dit ogenblik alleen kwijt dat ik van Ezra Pound nooit veel begrepen heb, enkele Pisaanse Canto’s (vertaald door Paul Claes en Mon Nys) niet te na gesproken; dat ik Heidegger grondig heb gelezen toen ik filosofie studeerde en sommige van zijn boeken soms nog wel eens ter hand neem, vooral zijn ‘Erlauterungen zu Hölderlins Dichtung’ en dat ik daar geen spoor van totalitarisme en nog minder van antisemitisme in aantref; dat ik van Céline alleen ‘Reis naar het einde van de nacht’ (vertaald door E.Y. Kummer) en ‘Moord op krediet’ (vertaald door Frans van Woerden) heb gelezen, lang geleden, meesterwerken vond ik beide romans, dat ik me daar nu soms voor schaam, ook al wist ik destijds niet hoe ver het antisemitisme van Céline reikte; de andere schrijvers heb ik geweigerd te lezen.

Gabriele-DAnnunzio.jpg
Waarom breng ik dit nu ter sprake? Omdat ik al een hele tijd omcirkelende bewegingen maak rond Geerten Meijsing en meer bepaald rond mijn ontmoeting met de eminente schrijver in mei 2013. Ik wist en weet van Geerten dat hij met een aantal - vooral Franse en Italiaanse - fascistische schrijvers dweept. Hij heeft daar nooit dubbelzinnig over gedaan. Ik weet dat hij een zwak heeft voor dandy’s als Gabriele d'Annunzio, toch een proto-fascist en Pierre Drieu La Rochelle, collaborateur en antisemiet; veel meer vanwege hun stijl, hun levenswijze, hun decadentie dan hun ideologie. D’Annunzio had bijvoorbeeld verhoudingen met heel wat beroemde vrouwen; dat speelt voor onze held zeker een rol.  Het sterk door de jonge Flaubert beïnvloede werk van D’Annunzio is gedateerd, in tegenstelling tot dat van Flaubert zelf, dat tijdloos is. Of Geerten opkijkt naar de rechtse non-conformist Charles Maurras, leider van de reactionaire beweging Action Française, weet ik niet. Wel weet ik dat hij Guy Dupré en Roger Nimier (snelle auto’s!) nogal bewondert, die beiden gerekend worden tot de Huzarenbeweging, een groepje literatoren dat zich vooral tegen het existentialisme van Sartre keerde. Deze beweging ken ik maar oppervlakkig. Dat de groep zich tegen Sartre afzette lijkt me geen misdaad. En hun stijl (1) spreekt ook mij wel aan.


Nu kan het lijken dat ik Geerten toch niet als een vriend beschouw, dat mijn bewondering helemaal niet zo groot is als ik aanvankelijk beweerde. Niets is minder waar. Maar mijn achting is niet onvoorwaardelijk. Ik doe niet aan idolatrie. Geerten Meijsing is geen fascist, geen antisemiet, geen racist. Hij is veeleer een apolitieke outsider, een non-conformist, een dandy en een begenadigd auteur. Hij dweept met schrijvers als D’Annunzio vanwege hun decadentie, en ook, denk ik, omdat zij wegens hun foute politieke overtuigingen werden verstoten uit het intellectuele en maatschappelijk leven. Ik betreur deze bizarre voorkeuren van hem ten zeerste. Maar daartegenover staat zijn liefde voor zoveel schoonheid – die niet door politieke idiotie is aangetast – en voor het leven in het algemeen, daartegenover staat zijn generositeit die tot uiting komt in al zijn boeken maar ook in de schaarse interviews die hij geeft. Geerten Meijsing is een warme man die veel afgezien heeft maar die desondanks zijn levenslust en zijn humor heeft kunnen behouden.

...

(1)
Le style du hussard, c’est le désespoir avec l’allégresse, le pessimisme avec la gaieté, la piété avec l’humour.
C’est un refus avec un appel. C’est une enfance avec son secret.
C’est l’honneur avec le courage et le courage avec la désinvolture.
C’est une fierté avec un charme ; ce charme-là hérissé de pointes.
C’est une force avec son abandon. C’est une fidélité.
C’est une élégance. C’est une allure.
C’est ce qui ne sert aucune carrière sous aucun régime.
C’est le conte d’Andersen quand on montre du doigt le roi nu.
C’est la chouannerie sous la Convention.
C’est le christianisme des catacombes.
C’est le passé sous le regard de l’avenir et la mort sous celui de la vie.
C’est la solitude et le danger. Bref, c’est le dandysme.

Pol Vandromme, Roger Nimier le grand d'Espagne

...

Illustraties: 
Niccolò Machiavelli door Santi di Tito; Jan Kott's 'Shakespeare tijdgenoot'; Roger Nimier; Gabriele D’Annunzio.

 

21-10-14

MOORD EN DOODSLAG

geerten meijsing,doeschka meijsing,moord en doodslag,dubbelroman,duoroman,misdaad,crime,sicilië,syracuse,vriendschap,uitgever,contact,kennismaking,hagiografie,nuance

The continuing saga… Een tussendoortje. Hoewel ik al sedert mijn kinderjaren ordelijk en netjes ben vind ik niet terug wanneer en waar precies ik ‘Moord & Doodslag’, de duoroman van Doeschka Meijsing en Geerten Meijsing heb gekocht. Ik denk in 2006, maar het heeft weinig belang. Het boek, zowel het eerste deel, ‘Moord’ van Doeschka, als het tweede, ‘Moord en doodslag’ van Geerten, was onderhoudend, fascinerend en zelfs meeslepend. Het verhaal navertellen doe ik niet, wie geïnteresseerd is moet maar op zoek gaan naar deze merkwaardige roman. Alleen dit: het onderwerp is een bezoek van Doeschka aan haar broer: Geerten is onlangs in Syracuse in Sicilië gaan wonen, een plek waar ik toen ik er voor het eerst kwam, in juni 1998, meteen verliefd op werd. Dat Geerten Meijsing daar nu woonde maakte me toch wel wat jaloers. Ik vond het zelfs een geruststelling te lezen dat het er in de winter erg koud kan zijn.

Zoals de meeste lezers wil ik graag weten hoe een roman of een verhaal afloopt. Bovendien heeft Geerten in zijn deel een soort van misdaadverhaal verwerkt, waarvoor hij, althans voor de vorm, inspiratie gezocht heeft bij onder meer Edgar Allan Poe, Georges Simenon en Jef Vermassen. Spannend dus. Helaas ontbraken de laatste acht bladzijden. Wat frustrerend! Eerst wilde ik een nieuw exemplaar aanschaffen, in die periode had ik nog een behoorlijk salaris, maar ‘Moord & Doodslag’ bleek uitverkocht. Schoorvoetend heb ik dan maar contact opgenomen met de Belgische afdeling van de uitgeverij. Schoorvoetend omdat ik dacht, misschien denken ze wel dat ik een verhaaltje verzin om hen een gratis boek te ontfutselen. Het antwoord op mijn briefje was niet bepaald vriendelijk van toon maar de uitgever zou me wel een nieuw exemplaar sturen. Dat duurde een poos. Op een dag zat er een pakje van Geerten Meijsing in de bus. Het was zijn boek en een begeleidend briefje waarin hij zich boos maakte op de uitgeverij. Hij had van een werknemer van de uitgeverij vernomen dat ze me nog altijd niets hadden toegestuurd. Dat vond hij werkelijk schandalig. Wat later kreeg ik toch ook nog een exemplaar van de uitgever. Daardoor heb ik er nu drie: het boek met acht ontbrekende bladzijden, het cadeau van Geerten Meijsing (gesigneerd in groene inkt, op 24 januari 2007), en het boek dat de uitgever me stuurde. En ik was nu ook in het bezit van Geertens adres, telefoonnummer en emailadres.

Deze stukjes gaan als geheel wellicht op een hagiografie lijken. Hoogste tijd dus voor wat nuancering. Dat is voor morgen. Je zal dan merken dat mijn bewondering voor Geerten Meijsing niet onvoorwaardelijk is.

2013_05_SICILIE-CANON 041.JPG

...
Foto onder: Syracuse, 12 5 2013, Martin Pulaski.

20-10-14

WILLIAM EGGLESTON: DONKERE KANT VAN DE AMERIKAANSE DROOM

william eggleston3.jpg

Eind september bezocht ik de tentoonstelling ‘William Eggleston: From Black and White to Color’ in het Parijse Fondation Henri Cartier-Bresson. Geen majestueus gebouw, eerder bescheiden, maar toch ook ruim en luchtig. Het werk van Eggleston komt goed tot zijn recht in de sobere ruimtes; door het schaarse publiek was het mogelijk om elk beeld aandachtig te bekijken. Bij sommige foto’s verdween ik uit Parijs en kwam ergens in Tennessee terecht, met mijn voeten op de warme Zuiderse grond in die staat, waarvan de naam mijn hart bijna altijd wat sneller doet kloppen. Memphis, Elvis, Graceland, de Sun studio, Stax, soul, Alex Chilton, Big Star, the Peabody Hotel, de Mississippi.

Zonder me ervan bewust te zijn heb ik het werk van William Eggleston voor het eerst gezien op elpeehoezen: de al genoemde Big Star en Alex Chilton maar ook Green On Red die in Memphis onder begeleiding van James Luther Dickinson in Memphis hun geweldige elpee ‘Here Come The Snakes’ opnamen. Het kan geen toeval zijn dat deze muziek net als de foto’s van Eggleston de tand des tijds heeft weten te trotseren. Het kan ook geen toeval zijn dat ik op de trein van Parijs terug naar Brussel vaststelde dat de foto op de hoes van Sid Selvidge’s ‘The Cold Of The Morning’ – uit 1976, nu pas op cd uitgebracht – van Eggleston is. Ik had de cd een dag eerder bij de fantastische platenwinkel Gibert Joseph aangeschaft.
william eggleston2.jpeg

William Egglestons pop art lijkt minder tijdsgebonden dan die van Andy Warhol. Beide kunstenaars zijn geïnteresseerd in wat doorgaans ‘het banale’ wordt genoemd. Bij Warhol onder meer  Brillo-dozen, Campbell-soep, Coca Cola, Marilyn Monroe, auto-ongevallen; bij Eggleston shopping malls, gloeilampen aan het plafond, diners, pompstations, afgelegen wegen, auto’s, gootstenen, gasfornuizen, koelkasten. Wellicht is fotografie een geschikter medium dan assemblages, zeefdrukken en dergelijke, om zulke objecten, ‘gewone’ voorwerpen, aan de tijd te ontrukken en ze voor een langere periode in een tijdloos nu te plaatsen. En niet de fotografie in het algemeen maar die van William Eggleston, met zijn specifieke standpunten, invalshoeken en uitsnedes (“crops”) in het bijzonder.

De foto’s van Eggleston zijn woorden, zinnen, paragrafen van een lange roman, een roman fleuve die de lotgevallen vertelt, niet van enkele personages, maar van voorwerpen, van alledaagse, banale dingen. De foto’s van deze kunstenaar lijken snapshots, en zijn het ook, maar tegelijk zijn ze veel meer dan dat, zeker als je ze in een reeks ziet, als je de interactie tussen de beelden ziet, als je beseft dat de objecten met elkaar omgaan als personages in een verhaal. En behalve de dagelijkse voorwerpen zijn er de ruimtes en landschappen, de bijna zinloze context waarbinnen de dingen zin zouden moeten krijgen; maar of ze die krijgen hangt van de toeschouwer af. Het zijn “visual metaphors of an alienated world” schrijft Thomas Weski in ‘The Tender-Cruel Camera’.
William-Eggleston-Near-the-River-at-Greenville,-Mississippi-1984-painting-artwork-print.jpeg

Je ziet zeker niet altijd mensen op de foto’s van Eggleston. (Waar mijn voorkeur nochtans naar uitgaat.) Maar elk voorwerp, elk landschap is doordrongen van menselijke aanwezigheid. En de mensen die je wel ziet lijken bang, onzeker, vijandig, mogelijk gewelddadig, neurotisch. Vervreemd van hun omgeving, die zelf al erg vreemd is, ook al fotografeert Eggleston meestal in Tennessee, de staat waar hij als rijkeluiszoon is opgegroeid. Van die rijkdom is zijn fascinatie voor dure auto’s en een dandyachtige verschijning overgebleven. Vaak maakt hij foto’s vanuit een van zijn luxueuze auto’s. Niet zo verbazingwekkend dat personen die op die manier gefotografeerd worden er verontrust of schrikachtig uitzien. Maar rijke afkomst of niet: Eggleston noemt zijn stijl democratisch. Dat heeft onder meer met die standpunten en cadrages te maken. Het gaat bij hem om een democratie waar een broodrooster evenveel of even weinig waard is, evenveel of even weinig aandacht verdient als een man met een revolver. Als je dat beseft voel je je wat ongemakkelijk. Of bedreigd, zelfs. Dat had ik al in 1989 bij het bekijken van de hoes van ‘Here Come the Snakes’ van Green On Red. Degene die mij kan vertellen voor wat de bloederige bijl op de foto dient, trakteer ik een trappist in café Cirio. De hoesfoto van Alex Chilton’s ‘Like Flies On Sherbert’, een tegendraads voodoo-meesterwerk (1), is ook behoorlijk onheilspellend. In haar voorwoord bij de catalogus van de tentoonstelling heeft Agnès Sire het over die dreigende ondertonen: “Everything is silent, almost menacing. One sometimes senses danger just at the edge of the field; the color seems more realistic, more direct.”
william eggleston, parijs, tentoonstelling, fotografie, tennessee, memphis, voorlopger, baanbreker, fondation henri cartier-bresson, memphis, elpeehoezen, banaliteit, pop art, andy warhol, tijd, transcendentie, muziek, rock, alex chilton, big star, green on red, jim dickinson, sid selvidge, gibert joseph, chrome, objecten, voorwerpen, alledaags, gevaar, dreiging, techniek, roman, roman fleuve, auto's, rijkdom, democratische stijl, robert frank, the americans,

Een voorloper van William Eggleston was Robert Frank, vooral bekend van zijn ‘The Americans’, met het voorwoord van Jack Kerouac. Frank maakte eveneens foto’s van een ander Amerika, een Amerika waar armoede, alcoholisme, racisme, geweld en televisie het leven beheersten. Het waren snapshots, onderweg gemaakt, foto’s waar de gevestigde fotografen en curatoren op neerkeken.
Maar Eggleston kende het werk van Frank niet. In Tennessee vond je in de jaren vijftig en zestig geen fotoboeken. Naast Robert Frank en Eggleston waren er andere fotografen die in ongeveer dezelfde periode braken met het fotografisch classicisme en een nieuwe taal uitvonden: Diane Arbus, Lee Friedlander en Gary Winogrand. Weg met de conventies, weg met de objectiviteit, leken ze te zeggen. Gary Winogrand maakte foto’s om te zien hoe de dingen eruitzagen.

Wie de donkere kant van de Amerikaanse droom wil zien en van de films van David Lynch, PT Anderson (vooral ‘Hard Eight’) en Gus Van Sant houdt, raad ik een bezoek aan de tentoonstelling aan. De foto’s komen er zoveel meer tot hun recht dan in een boek of online. ‘William Eggleston: From Black and White to Color’ loopt nog tot 21 december.

william-eggleston-theredlist.jpg

(1) Allmusic's David Cleary was van mening dat "sound quality is terrible, instrumental balances are careless and haphazard, and some selections even begin with recording start-up sound." En beschreef de elpee als "universally slipshod and boorish...sloppy and lackluster."
De illustere Stephen Thomas Erlewine was ervan overtuigd dat Sherbert "a front-runner for the worst album ever made” was.

  

17-10-14

WE MELT INTO EACH OTHER WITH PHRASES

La_maman_et_la_putain.png

Dat ik – zoals ik gisteren beweerde - maar één collega vond met wie ik over boeken kon praten moet ik nuanceren. Zeker kon ik met meerdere collega’s praten over boeken, soms lange gesprekken voeren zelfs. Maar er zijn verschillende manieren om dat te doen. Ik denk nu aan twee manieren, maar dat er meer zijn hoeft niet betwijfeld te worden.

De eerste manier is vrijblijvend en gezellig: je zit met een vriend, kennis of collega in een café, op de trein, of thuis en vertelt over wat je aan het lezen bent, of je het goed vindt, waarom, waarover het gaat, et cetera. Een plezierige manier om de tijd te verdrijven, niets verkeerd mee. De tweede manier is die van de versmelting, waar ik het gisteren al over had. Jij en je gesprekspartner worden naarmate de dialoog vordert meer en meer één met de boeken, met de schrijvers, zoals, opnieuw, in de film ‘Fahrenheit 451’ van Truffaut. Tegenover jou zit Edgar Allan Poe, zit Arthur Schopenhauer, zit Jorge Luis Borges, zit Virginia Woolf. Sterker nog: terwijl jullie over boeken praten versmelten jullie met elkaar. Virginia Woolf drukt het in haar roman ‘The Waves’ zo uit:
“But when we sit together, close,’ said Bernard, ‘we melt into each other with phrases. We are edged with mist.
We make an unsubstantial territory.”


Ik vermoed dat je in je leven maar weinig mensen ontmoet met wie je zulke diepe (of beter: intense) gesprekken kunt voeren, niet alleen over romans, gedichten, filosofische verhandelingen, maar ook over films, kunstwerken, theater, muziek, en meer nog over het leven, over jullie levens, over emoties zoals verdriet, pijn, boosheid, teleurstelling, genot. Niet de emoties op abstracte wijze natuurlijk, maar zoals ze zich in je dagelijks leven manifesteren. Over blijdschap en vreugde gaan de gesprekken zelden: dat zijn emoties die je op zulke momenten voelt. Die weinige mensen zijn je ware vrienden. Wat niet betekent dat je andere vrienden vals zijn, onecht, zeker niet. Maar met hen heb je een andere band; hen kun je vaak niet duidelijk maken waarom je hen graag ziet; dat weet je meestal zelf niet eens.

Dat was de nuance die ik aan mijn woorden van gisteren wilde toevoegen. In de jaren negentig was er maar één collega met wie ik, als de sterren goed stonden, op die tweede manier kon praten. Het gebeurde niet elke dag, niet elke week, maar het gebeurde en dat was goed.

 

2012_11_PORTO_VOLLEDIG 245.JPG

...

Foto's: La maman et la putain, Jean Eustache; Porto 11 11 2012, Martin Pulaski.

16-10-14

TEGEN DE STROOM

trial3.jpg

Dagen, maanden, jaren vlogen voorbij. Ik was arm, werkloos, werkte op het veld van de taal - van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. ’s Nachts dronk ik porto en bourbon en praatte ik met talloze vrienden, ging dansen, vrijde, was gelukkig en ongelukkig. Het was een intens leven, de woorden en herinneringen waar ik mee worstelde, de taal, de beelden, de liefde, de wrok en afkeer, de haat. De boeken die ik las waren intens, en ik las ze als een bezetene. Mijn boeken waren als mijn vrienden, als mijn muziek: ik herkende me erin, ze werden deel van me, we versmolten met elkaar. Mijn boeken waren personen, zoals in het boek van Ray Bradbury en de film van François Truffaut. Ik herinner me niet veel Nederlandse literatuur die ik in die tijd las. Patrizio Canaponi, Habakuk II De Balker, Martinus Nijhoff, Lucebert, Maurice Gilliams, Willem Frederik Hermans en, om wie het in deze reeks herinneringen gaat, Geerten Meijsing.

leven,tijd,herinneringen,werken,schrijven,lezen,vriendschap,boeken,geerten meijsing,armoede,geld,depressie,schuchter

 

Na zeven magere jaren, die heftig waren, boordevol extase, verdriet, dronkenschap, vreugde, ontgoocheling, lust, seks, waanzinnige poëzie en honger, vond ik wat de meeste mensen écht werk noemen: ik verdiende er geld mee en kon er redelijk goed van leven. Dat werk bestond vooral uit vergaderen, verslagen en jaarverslagen schrijven, adviezen redigeren, met delegaties buitenlandse jeugdorganisaties bezoeken en vooral toenadering zoeken tot mensen die altijd een min of meer ‘normaal’ leven hadden geleid. Dat was moeilijk. Na enkele jaren vond ik één collega met wie ik over boeken kon praten, ook over die van Geerten Meijsing. Onze bewondering voor zijn werk was groot. Dat was in de periode van ‘Veranderlijk en wisselvallig’, ‘Altijd de vrouw’, ‘De grachtengordel’ en het beklemmende ‘Tussen mes en keel’.

Ik begon me beter te voelen tussen mijn soortgenoten, ik werd bijna een van hen. De foto’s die van mij zijn gemaakt in die periode durf ik haast niet meer te bekijken. Hoe gewoon ik eruitzag, hoe zielloos mijn kleren, mijn haarsnit, mijn bril. Ik was aan het verdwijnen. Maar hoezeer ik me ook inspande om te integreren in het functionarissenbestaan, mijn zogenaamde ware ik kon ik niet klein krijgen. Een vonkje van poëzie, van woorden die vele lagen hebben en het geijkte denken kunnen ontwrichten, van een taal die tegen de taal van de politiek en de ambtenarij maar ook die van de media inging, bleef branden. Wat een cliché is. Maar het is de waarheid. Dat vonkje van protest, van verzet, van ontevredenheid, hield me op de been.

Naarmate de jaren negentig vorderden ging ik weer meer tegen de stroom in varen, zoals ik op school en op de universiteit had gedaan. Op de achtergrond waren er altijd schrijvers en muzikanten. En een van hen was Geerten Meijsing, die ik bleef bewonderen, hoewel hij nu een gevestigd auteur was, een die prijzen had gewonnen en geld bezat. Soms vroeg ik me af of hij nu zijn ziel had verkocht aan de markt. Maar ik dacht van niet. De roman die gebaseerd is op zijn zware depressie is daarover duidelijk. En ‘De grachtengordel’ natuurlijk ook. Een keer ging ik naar een lezing – of was het een interview – van Geerten Meijsing, in de hoofdstedelijke bibliotheek. Hoewel hij ouder geworden was, was hij nog steeds een dandy. Ik hield van zijn stijl, hoewel ik nog altijd meer naar ‘het nieuwe’ opkeek, naar wat ik in tijdschriften als i-D en Dazed & Confused zag. Maar zijn hoeden, zijn wandelstok, zijn wit pak stonden hem goed. Zijn stijl paste bij de stijl van zijn geschriften. Wat had ik na afloop graag met hem gepraat, maar dat durfde ik niet. Ik was veel te schuchter en mijn geloof in mezelf was uiterst klein. Dat heb ik hem later verteld. Wat jammer, zei hij. We hadden meteen goed kunnen opschieten, je moest eens weten hoe schuchter ik zelf ben.
santiago de compostela bewerkt.jpg

...

Foto's: The Trial, Orson Welles; Fahrenheit 451, François Truffaut; In Santiago de Compostella, oktober 1998, Martin Pulaski.

15-10-14

WE MOGEN ONZE BELANGRIJKE MISSIE NIET UIT HET OOG VERLIEZEN

anita-pallenberg-02.jpg

Bij zonsopgang vertrekken Lana en ik met Paul voor een bijeenkomst van archivarissen naar Hasselt. Ik heb mij er zoals wel vaker niet op voorbereid, weet nauwelijks wat daar besproken zal worden. Zal er wel iets besproken worden? Onderweg praten heeft weinig zin; door het geronk van de motor hoor ik amper wat mijn medepassagiers zeggen. Dan knik ik ja als er neen van me wordt verwacht of zit ik te lachen als ik moet huilen. Zo van die dingen.
Ik probeer wat te lezen in Red Harvest van Dashiell Hammett, maar lezen maakt me ook nu weer autoziek. In de verte trekt een wonderlijk gebouwencomplex in futuristische stijl, ik denk meteen aan de gebouwen van Oscar Niemeyer in Brasilia, mijn aandacht. Het lijkt lang te duren eer we wat dichterbij komen. Dan zie ik dat de gebouwen die de architect vanuit de toekomst naar hier heeft gehaald worden overschaduwd door een glanzende, witte kathedraal in rococostijl. De reusachtige kerk weerkaatst het zonlicht zo sterk dat je er maar een seconde naar kunt kijken. Hoe heet deze plek, vraag ik aan Paul. Hij weet het niet, Diest misschien, zegt hij. Of Diepenbeek? Moet ik nu lachen of huilen?

Lana heeft honger, wat eerlijk gezegd zeldzaam is. Nu ja, ik heb ook honger. Paul wil liever in één ruk doorrijden naar onze bestemming maar kan moeilijk verbergen dat zijn maag rammelt. En Lana heeft een halfdoorzichtig jurkje aan. Hij parkeert zijn Fiat voor een fabriek van Fiat, of dat denk ik eerst toch. Het blijkt een immense kantine te zijn die herinneringen oproept aan mijn vele werkbezoeken aan de Sovjet-Unie. De klanten zitten er aan lange tafels en eten zuurkool met worst. Het ziet er werkelijk gezellig uit, vooral dank zij de neonverlichting. Over een uur treedt een plaatselijke rock & roll-band op. Op de affiche zien the Hip Stars, zo heten de jongens, er echt cool uit. Lana en ik willen graag blijven, we zijn nieuwsgierig, maar Paul vindt dat tijdverlies: we mogen onze belangrijke missie bij de archivarissen in Hasselt niet uit het oog verliezen. Laten we vertrekken, zegt hij. Ik heb nog niet eens de helft van mijn zuurkool op, maar ik geef toe dat ik een trage eter bent.

T
eleurgesteld en nukkig loop ik achter Lana en Paul over een grasveld, groter dan een voetbalveld, naar de Fiat toe. Wat ver toch naar die auto van Paul, mompel ik. Wat gaan we daar in Hasselt doen, ik ben toch ook helemaal geen archivaris, denk ik nog. Daarop maak ik rechtsomkeert, in de richting van de communistenzaal en de coole band. Maar Lana houdt me tegen. Zo staan we daar dan midden op dat grasveld. Lana probeert me aan het verstand te brengen dat we met Paul mee moeten, we hebben geen keuze. Natuurlijk heeft ze gelijk, we hebben geen keuze. Er staan tranen in mijn ogen. Maar een blik op haar blauw jurkje kan wonderen doen.

Geheel onverwachts, zoals opeens een storm kan opsteken of iemand in een menigte kan neerzijgen, verander ik in iemand die ik nooit eerder in de spiegel zag. Ik loop zo hard ik kan weg van Lana en  Paul, die het portier van zijn auto al aan het openen is. Ik loop en loop tot ik een bus zie aankomen. De chauffeur is een van die hoffelijke types die om het even waar voor je stoppen. Na een tijdje zit ik nog alleen in de bus. Praten doen we niet, niet alleen vanwege de motor, mijn hoofd is even leeg als een voetbal. Aan de eindhalte komt de bus tot stilstand. De buschauffeur zegt “terminus”, laat me eruit en wuift me even na.

Ik sta aan de rand van een maïsveld. Hoewel besluiteloos besluit ik verder te lopen over een asfaltweg met twee smalle rijstroken. Er is geen verkeer. Na vele kilometers kom ik aan de Zuid-Willemsvaart. Wat verderop zo’n oude, pittoreske sluis. Het beton overwoekerd door onkruid dat lekker ruikt. Braamstruiken, netels, varens, lisdodde. In groene overalls gehulde, zwijgende vissers op twee, drie meter afstand van elkaar. Hun gerei glinstert in de late middagzon. Gefascineerd door het water dat ongewoon helder is buig ik voorover, waardoor mijn bril in het kanaal valt. Ik kan hem duidelijk zien liggen op de bodem, maar het is te diep om hem zelfs maar aan te kunnen raken. Misschien kan de jongeman die net komt aangewandeld me helpen. Hij ziet er behulpzaam uit, dat merk ik meteen aan de blik in zijn ogen. Bovendien heeft hij van die hoge visserslaarzen aan. Hij negeert echter mijn verzoek en vraagt of ik mijn vakantiegeld al heb ontvangen. In diezelfde behulpzame ogen zie ik dat hij het antwoord op die vraag kent. Maar hoe kan hij wat dan ook over mijn vakantiegeld weten? Van Colombo, zegt hij. Ach zo. Ik doe mijn schoenen uit, rol met wat moeite mijn broekspijpen op en wil in het water stappen. Colombo staat nu glimlachend naast de blonde jongen. Dat hij blond was had ik nog niet gezien. Mooie schoenen, zegt Colombo, naar mijn versleten witte schoenen wijzend. Ja, zeg ik, het zijn Italiaanse. Siciliaanse eigenlijk, in Agrigento gekocht. In Italië maken ze de mooiste schoenen, voeg ik er nog aan toe. Je weet maar nooit met Colombo.
federico bahamontes.jpg

Ik ga aan boord van een schip, richting Charleroi. Onderweg praat ik met twee oude schoolkameraden; een van hen is Antoine, een jongen met wie ik bijna alle dagen ging fietsen toen mijn bijnaam nog Bahamontes was. Wat een mooie naam toch, daar moet ik ooit eens een gedicht over schrijven! Na een poos daagt het me dat ik op het verkeerde schip zit – het vaart precies in de tegenovergestelde richting, en nog wel naar Gent. Antoine lacht om mijn verstrooidheid. Dat is niet slecht bedoeld – hij weet immers niet welke afstand ik al heb afgelegd. Vanop het dek kijk ik aandachtig naar het kanaal, en vooral naar zijn ligging, hoe het in het landschap is ingebed. Er is iets dat niet klopt. Ik herken dit landschap niet. Deze waterweg werd verlegd, op zijn minst twee kilometer in westelijke richting. Daardoor heb ik me dus vergist. Ja, alles ziet er hier anders uit, het water, de populieren, zelfs het zonlicht.

Aan de Tolhuissluis in Gent ga ik aan boord van een ander schip, dit keer in de goede richting mag ik hopen. Ik strompel de trap af, ga op een bed liggen en val meteen in slaap. Tot we in Charleroi aankomen slaap ik door. Ik droom over een geheime zending naar Hasselt, over massale vissterfte, over een communistische invasie en over een hartelijke ontmoeting met Richard Nixon en zijn stafchef H.R. Haldeman, die een super-8-filmpje van me maakt. In Charleroi ontwaak ik uit die lange slaap als de aak aanmeert bij de Zieke Grond. Ik haast me naar het station, drink gauw twee koffies, en stap op de trein naar huis. Het is genoeg geweest.

Weer thuis krijg ik meteen het gevoel dat ik ga stikken. Wat gebeurt er toch met me! Ik waad door stapels reclame, brochures, folders, kranten en literaire bijlagen, omslagen, herfstbladeren, duivenveren, ijsschrapers, schoenveters en begeef me wankelend naar de keuken waar ik wat water wil drinken.  Daar stel ik vast dat twee knoppen van het gasfornuis open staan. Er moet al een grote hoeveelheid gas zijn ontsnapt. Bliksemsnel draai ik de knoppen toe en open de ramen.

Ik zet de televisie aan voor het laatavondnieuws. In Hasselt is in de koffer van een Fiat een grijze plastieken zak met daarin het in stukken gezaagde lijk van een nog onbekende vrouw aangetroffen. De gangster Johnny Stampanato zou erbij betrokken zijn. Zijn naam klinkt vertrouwd, maar wie was het toch ook alweer? Ik zet de televisie af, slik een valium en probeer me voor te stellen hoe Brenda Lee er nu uitziet. Daarna komen de dromen.

 mickey cohen johnny stampanato2.jpg

12-10-14

BINNENKORT: OMTRENT ANTONIN ARTAUD

pulaski-artaud 001 (2).jpg

09-10-14

BRUNO SCHULZ, TEKENAAR

schulz3.jpg

 

schulz4.jpg

Twee tekeningen van Bruno Schulz (Drohobycz1892 - Drohobycz,1942), begenadigd Pools schrijver en tekenaar. Bij ons is hij wellicht beter bekend als auteur van de eigenzinnige roman 'De kaneelwinkels' dan als kunstenaar. Veel van zijn werk, zowel geschreven als getekend, is verloren gegaan na zijn dood in 1942. Hij werd in zijn geboorteplaats op straat doodgeschoten door de Gestapo. Drohobycz ligt in de huidige Oekraïne.

IS THERE A MURDER IN YOUR FILM?

01_inland_empire.jpg

Neighbor: Is there a murder in your film?

Nikki: Uh, no. It’s not part of the story.

Neighbor: No, I think you are wrong about that.

Nikki: No.

Neighbor: Brutal fucking murder!

 

[David Lynch, Inland Empire, 2006]

03inland_empire.jpg

05inland_empire.jpg



06-10-14

ECHOLALIA: ANA TORFS

IMG_9952.JPG

Ja, ik ben verslingerd aan echolalie. Aan het woord en aan wat het woord betekent. Sinds ik de tentoonstelling  ‘Echolalia’ van Ana Torfs in Wiels heb gezien is de ziekte nog erger geworden, als het al een ziekte is. Indien wel dan smaakt ze eerder zoet, zoals de jaloezie bij Patricia Highsmith. Freud schrijft dat de neurose verdwijnt als de neuroticus zich bewust wordt van wat tevoren onbewust was. In mijn geval van die echolalie; maar ik ben niet genezen, en dat vind ik een goede zaak.

‘Echolalia’ van Ana Torfs is werkelijk interessant als je er je tijd voor neemt. Vanuit het Zuidstation ga je best te voet naar Wiels, via de industriezone in Anderlecht. Onderweg kun je een blik werpen op de Zenne, een rivier die een nogal schimmig bestaan leidt. Als je niet van woorden en van taal houdt blijf je beter thuis.

IMG_9934.JPG

Eén afdeling van de tentoonstelling heet ‘TXT (Engine Of Wandering Words)’. Het gaat om zes prachtige wandtapijten waarin telkens vijfentwintig beelden verwerkt zijn die verband houden met gember, saffraan, suiker, koffie, tabak en chocolade. Wat de zes wandtapijten met elkaar verbindt is een fragment uit Swift’s ‘Gulliver’s Travels’, dat verbluffend geestige boek (waarvan nog vaak wordt verondersteld dat het voor kinderen werd geschreven); met name een paragraaf uit ‘A Voyage To Laputa’ waarin onder meer deze merkwaardige zin voorkomt: “The first project was to shorten discourse by cutting polysyllables into one, and leaving out verbs and particles, because in reality all things imaginable are but nouns.” Maar, hoe kan het anders, ook deze zin: “The other project was a scheme for entirely abolishing all words whatsoever; and this was urged as a great advantage in point of health as well as brevity.” Omdat woorden slechts benamingen zijn voor dingen, is het beter voor de gezondheid en de communicatie dat mensen rechtstreeks gebruik maken van de dingen om met elkaar te ‘praten’. Personen die over diverse dingen willen praten moeten natuurlijk een veel zwaarder gewicht torsen dan degenen die maar weinig te vertellen hebben. Maar enkele slaven lossen dat dan wel op. Een van de (honderdvijftig) illustraties op een tapijt van Ana Torfs is trouwens een advertentie voor een slavenverkoop. Ondanks hun vele verwijzingen naar lang vervlogen tijden en gebruiken zien de tapijten er hedendaags uit: de honderdvijftig prenten lijken op icoontjes op internet. Dat je er niet op kunt klikken is een bijkomend voordeel: het zet je tot denken en lezen aan, de beelden maken je nieuwsgierig. Als je thuiskomt neem je toch zeker al ‘Gulliver’s Travels’ uit het boekenrek. En dat is slechts het begin van een nieuwe aanval van echolalie.

Een tweede deel, ‘Family Plot’ is al net zo boeiend. Het gaat ook weer over classificaties, met als lichtend voorbeeld Carl Linnaeus, de Zweedse natuuronderzoeker en taxonoom. ‘Family Plot’ is een imaginaire stamboom, een grillige maar tegelijk zeer ordelijke encyclopedie van ontdekkingsreizigers, botanici, bloemen, vruchten, wereldkaarten, gebieden. Dit gedeelte is wellicht het vermoeiendste. Je hebt er goede ogen voor nodig.

Het meest oogstrelende deel draagt de titel ‘Stain’. Dit is een echolalie-encyclopedie van bijzondere kleuren: mauve, Bismarckbruin, Pruisisch blauw, Bengaals roze, malachietgroen, Aurantia (een kleur die ik niet kende; in de Webster vond ik dit: “a poisonous red-brown crystalline alcohol-soluble dye C12H8N8O12 used in biological staining, in desensitizing photographic plates, and in colored photographic filters —the ammonium salt of hexanitrodiphenylamine”); Indisch geel. Over ‘Stain’ kan het moeilijkst worden gepraat of geschreven, je moet het zien en horen. Bij Mauve hoor je bijvoorbeeld een vrouwenstem iets uit Oscar Wilde’s ‘The Picture Of Oscar Wilde’ citeren: “Never trust a woman who wears mauve, whatever her age may be, or a woman over thirty-five who is fond of pink ribbons. It always means they have a history”.

 oscar1-wilde.jpg

Een voor mij wat minder boeiend gedeelte, ‘Legend’, behandelt de geschiedenis van het Canarisch eiland La Gomera. Het eiland kent voor mij nog maar weinig geheimen: ik heb vier keer als het hier koud was vrij lang rondgehangen, vooral in het idyllische hippiedorp Valle Gran Rey. Geen spoor van de generalissimo daar.

Bij ‘Displacement’ schrok ik toch wel even. De beelden riepen herinneringen op aan een film van Chantal Akerman. Dezelfde leegte en zinloosheid, veel ongemakkelijke stiltes, verveling, vervreemding. Maar het verhaal dat erbij verteld wordt... Opeens wist ik het: het was dat van het meesterwerk van Roberto Rosselini, ‘Viaggio in Italia’. De film spreekt me meer aan, de beelden van Rosselini doen me meer. En je hebt de geweldige rol van Ingrid Bergman.

viaggio-in-italia_2.jpg

Voor het laatste gedeelte, ‘The Parrot & The Nightingale, a Phantasmagoria’ was ik te moe. Zeker, het is een vermoeiende tentoonstelling. Maar je wordt er als gezegd op een prettige manier ziek van. De echo’s brengen andere echo’s voort, die op hun beurt voor weer nieuwe echo’s zorgen: mijn kamer is een volmaakte echokamer geworden; uit al mijn boeken stijgen stemmen op. Ik heb me voorgenomen voor lange tijd niet meer buiten te komen, zelfs niet om een reis naar La Puta of La Gomera te maken.

04-10-14

HOOCHIEKOOCHIE: LACH, SPRING, DANS

howlin wolf en muddy.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de antipasti, de vissoep, de Roma-tomaten! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

“Misschien moeten we (…) in onze oudste herinneringen graven en in de spelletjes die we als kind leuk vonden de eerste aanzet zoeken tot diverse manieren waarop mensen aan het lachen gemaakt kunnen worden. Te vaak hebben we het over onze gevoelens van plezier of verdriet, alsof die louter van recente datum zijn, alsof niet elk van hen zijn eigen geschiedenis heeft. Te dikwijls vooral miskennen we wat er in het merendeel van onze gevoelens van blijdschap als het ware nog aan kinderlijks schuilt. Een groot deel van de pleziertjes van nu schrompelt echter, bij nadere beschouwing, ineen tot louter herinneringen aan pleziertjes van vroeger!
Henri Bergson, Lachen

Vorige maand werden er tranen gestort, tranen van verdriet maar ook van vreugde en plezier. Valleien, rivieren oceanen van tranen. Zelf had ik het gevoel dat al die songs, hoe melancholisch soms ook, troost brachten en in enkele gevallen tot dansen aanzetten. Vandaag zal het niet anders zijn, maar dan omgekeerd. Lachen is niet altijd plezierig. In elk menselijk handelen, in elke menselijke emotie zitten meerdere lagen, vaak maakt zelfs het tegenovergestelde er deel van uit. “There ain't no dark till something shines”, zingt Townes Van Zandt in ‘Rex’s Blues’. Hegel had het niet beter kunnen formuleren, wel ingewikkelder.

Vandaag hebben we gekozen voor liedjes over plezier, vreugde, geluk, lachen. Meer dan eens zijn het droeve, sombere, zelfs wanhopige songs. Maar dat geeft niet, stemmen, melodieën, ritmes maken mensen altijd al op een bepaalde manier blij. En vaak ook roepen ze mooie herinneringen op, plezierige herinneringen. Want die zijn bijna altijd met liedjes vergroeid. Dat zal ook wel de reden zijn waarom radio nostalgie zoveel succes heeft. Deze radio hier is geen radio nostalgie, al doe ik mijn best om er een van te maken. Vergis je echter niet: mijn nostalgie is net weer een beetje anders dan die van jou. En in mijn nostalgie is er altijd plaats voor de toekomst.

Geniet van de mooie muziek!

love2.jpg

Happy Madness (1995) - Joe Henderson – Double Rainbow: The Music of Antonio Carlos Jobim - Antonio Carlos Jobim, Vinícius de Moraes         

Laughin' And Clownin' (1963) - Sam Cooke – Nightbeat (1963) - Sam Cooke

300 Pounds Of Joy (1963) - Howlin' Wolf - The Genuine Article - Willie Dixon    

Pride And Joy (1963) - Marvin Gaye -  Anthology - Norman Whitfield, Marvin Gaye, William Stevenson

Laugh It Off  (1963) - The Tams - The Fame Studio Story 1961-1973 Home Of The Muscle Shoals Sound - Ray Whitley

I'm So Happy (Tra-La-La-La-La-La) (1958) - Lewis Lymon And The Teenchords – Fury single - Bobby Robinson

Laugh (1961) - The Velvets - Golden Age Of American Rock & Roll : The Follow-Up Hits - Roy Orbison, Joe Melson

Laughin' & Jokin'  (1957) - Ernie Chaffin - Sun Collection - Murphy “Pee Wee” Maddux, Jr.

Soldier's Joy (live, 1964) - The Kentucky Colonels (Roland White, Clarence White, Billy Ray Lathum & Roger Bush) - Long Journey Home - traditional

Don't Laugh (1957) - The Louvin Brothers - When I Stop Dreaming-  Rebe Gosdin                          

Joy To The World (1968) - John Fahey - The New Possibility: John Fahey's Guitar Soli Christmas Album - Handel

Wild About My Lovin' (1976) - Sid Selvidge - The Cold Of The Morning - traditional        

Soldier's Joy, 1864 (2002) - Guy Clark - The Dark – Guy Clark, Shawn Camp

Laughing Boy (1968) - Randy Newman -  Creates Something New Under The Sun – Randy Newman

Crying Laughing Loving Lying (70s) - Rod Stewart - Handbags & Gladrags – Labi Siffre   

I Laugh In Your Face (1969) - Bee Gees – Odessa – Barry, Robin & Maurice Gibb

Frozen Laughter (1967) - Rising Storm - Calm Before The Storm – A. Thompson              

Laugh, Laugh (1965) - The Beau Brummels - Introducing The Beau Brummels - Ron Elliot

Laughing (1969) - The Guess Who - Greatest Hits - Bachman/Cummings

It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry - Al Kooper, Steve Stills - Super Session - B.Dylan

Laughing Stock (1968) - Love - Single B-Side  - Arthur Lee                           

Laughing  (1971) - David Crosby - If I Could Only Remember My Name - David Crosby

The Old Laughing Lady (1968) - Neil Young - Neil Young (First Album) - Neil Young

Yemeni Jade (2014) - Allah-Las - Worship The Sun – Allah-Las                  

Virgo Clowns (1970) - Van Morrison - His Band And The Street Choir - Van Morrison

Milneburg Joys (1992) -  Dr. John - Goin' Back To New Orleans- Jellyroll Morton

Make A Joyful Noise (1972) - Jesse Ed Davis – Ululu - Jesse Ed Davis

While You Were Having Fun (1986) - Rainer & Das Combo - Barefoot Rock With ... (bonus track) – Rainer Ptacek           

Joy And Jubilee (2003) - Bonnie "Prince" Billy - Master And Everyone - Will Oldham

Silver Joy (2013) - Damien Jurado - Brothers and Sisters of the Eternal Son                       

Love Like Laughter (1998) - Beth Orton - Central Reservation – Beth Orton       

Happy (1996) - Mazzy Star - Among My Swan - Hope Sandoval, David Roback

Happy When It Rains (1987) - The Jesus & Mary Chain – Darklands - William Reid

Falling and Laughing (1982) - Orange Juice - You Can't Hide Your Love Forever - Edwyn Collins

People's Pleasure Park (1989) - The Durutti Column - The Best Of The Durutti - Vini Reilly, Bruce Mitchell

Out Of Egypt, Into The Great Laugh Of Mankind, And I Shake The Dirt From My Sandals As I Run - Sufjan Stevens - Come On Feel The Illinoise! - Sufjan Stevens 

Laughing (1978) - Pere Ubu - The Modern Dance – Pere Ubu

...

Research & presentatie: Martin Pulaski

jesse davis.jpg

03-10-14

IRINA EN EVA IONESCO

 

my little princess.jpg

Van ‘Erwin’ via ‘Moord & Doodslag’ en ‘Siciliaanse vespers’ naar Syracuse (16 mei 2013) is een lange weg. Die moet ik helemaal in woorden afleggen, waarbij ik niet alleen hoop mijn doel te bereiken – het aantal hindernissen neemt elke dag toe – maar tevens een plaats te bereiken die in de toekomst ligt, een bestemming die nu nog in donkere nevelen is gehuld en naamloos is. Geduld, moed en ontvankelijkheid zijn hierbij, zoals bij zoveel belangrijke ondernemingen, onontbeerlijk.

Onlangs zag ik de film ‘My Little Princess’ (2011) van Eva Ionesco. Ik had hem een paar dagen tevoren opgenomen vanwege de thema’s (fotografie, grensoverschrijdend gedrag, uitbuiting, incest) maar vooral vanwege Isabelle Huppert, sinds vele jaren mijn uitverkoren actrice. Pas na het zien van de erg mooie maar verontrustende film besefte ik dat andere, onbewuste drijfveren mij tot opname hadden aangezet. En nee, er is niet meteen een verband met het werk van Geerten Meijsing, tenzij misschien het jonge meisje, een verbluffende rol van de onbekende Anamaria Vartolomei, en meer algemeen de decadentie en het narcisme.
my little princess 3.jpg

Al bij het begin van de film herinnerde ik mij opeens een kostbare, vrij grote map met foto’s van Irina Ionesco die ik bij Boekhandel Corman, waar ik toen werkte, meermaals voorzichtig had geopend om een blik te werpen op de perverse afbeeldingen van meisjes en jonge vrouwen. Ik vond het mooie en opwindende foto’s, echte kunstwerken; het was duidelijk dat er hard was aan gewerkt, zeker ook aan de enscenering en de kleding (en ontkleding). Ik herinner me niet of er foto’s bij waren van een jong meisje, van een kind. Het is mogelijk. Ook in die dagen – de eerste helft van de jaren zeventig - waren dergelijke beelden nog altijd pervers en opwindend, maar schokken deden ze nauwelijks (1). In West-Europa leek de censuur eindelijk voorgoed te zijn afgeschaft. Wat mij betreft waren afbeeldingen van seks met kinderen een stap te ver. De daad zelf kon ik me zelfs niet voorstellen (en ik kan dat nog altijd niet). Ik heb ooit een aflevering van het undergroundtijdschrift Suck gekocht, waar ik zulke foto’s in aantrof. Hoe walgelijk en wansmakelijk! Niet zo bij de foto van Germaine Greer, auteur van de bestseller ‘The Female Eunuch’, die trots haar vagina tentoon spreidt. Maar beroemde vagina of niet, van Suck wilde ik niets meer horen. Het ging bij dat tijdschrift ook helemaal niet om de vrijheid: er werd een nieuwe markt aangeboord, die van de pornografie, van lust als handelswaar.
Ionesco1.jpg

De foto’s van Irina Ionesco, zoals ik ze mij van die map herinner, waren niet pornografisch in de betekenis die dat adjectief vandaag heeft. Geen sprake van penetratie, cunnilingus, fellatio en al helemaal geen ‘cum shots’. Maar de fotograaf dwong haar kleine dochtertje, Eva, om de rol van een obscene Lolita te spelen. Aanvankelijk had Eva, jong als ze was, daar geen bezwaar tegen. Gaandeweg echter kwam ze meer en meer in opstand tegen haar moeder, ze begon zich gebruikt en misbruikt te voelen. Als volwassen vrouw spande ze een proces aan tegen Irina; pas in 2012 kwam er een uitspraak: Eva’s moeder moest haar dochter een boete (of smartengeld) betalen van 200.000 euro.

Ten minste drie dingen vind ik vreemd aan dit hele verhaal. Waarom was ik Irina Ionesco en haar foto’s vergeten; waarom had ik nooit iets over die moeder-dochterrelatie gelezen (of was ik het vergeten?); waarom maakte Eva Ionesco zo’n oogstrelende en zelfs opwindende film over dat pijnlijke onderwerp, over het misbruik waar zij het slachtoffer van was? ‘My Little Princess’ is, nogmaals, een schitterend in beeld gebrachte film, met veel aandacht voor decors, kostuums en belichting.(2) Maar mag een kunstwerk dat voor de kunstenaar (en voor de toeschouwer) voor loutering, voor catharsis moet zorgen wel zo mooi zijn? Moet hij niet veel rauwer, wreder, lelijker zijn? Een moeder die haar dochter uitbuit en misbruikt verdraagt geen schoonheid, hoe mooi en opwindend haar kunst ook mag wezen.

[Eva Ionesco lijdt wellicht aan wat Freud herhalingsdwang noemt – of is het een bewuste beslissing om het gedrag van haar moeder te herhalen? Wat zij met de jonge actrice Anamaria Vartolomei doet is misschien niet echt misbruik maar ook zij maakt van het meisje een Lolita, een verleidelijk wezentje, niet alleen aantrekkelijk voor het artistieke ‘Humbert Humbert’-type maar zeker ook voor mannen of vrouwen die wat minder esthetisch zijn ingesteld.]

 IrinaIonesco35.jpg

 ...

(1) Schokken deden ze nauwelijks. Op 23 mei 1977 sierde een foto van de jonge Eva Ionesco de voorpagina van Der Spiegel. De tijden zijn evenwel veranderd. Als je naar het archief van Der Spiegel gaat zie je alle afleveringen netjes geklasseerd, alleen die waarop Eva staat afgebeeld is niet zichtbaar.

(2) “Il faut donc rendre grâce à Eva Ionesco, à son talent et à son courage, d'avoir signé ce film si personnel dans un esprit de drôlerie”. Jacques Mandelbaum in Le Monde.

...

Foto's: Anamaria Vartolomei en Isabelle Huppert in 'My Little Princess'; Anamaria Vartolomei in 'My Little Princess'; foto van Irina Ionesco; foto van Irina Ionesco.

28-09-14

LA COUPOLE

IMG_0121.JPG

 

IMG_0124.JPG

 

IMG_0132.JPG

 

[Als ik in Parijs ben ga ik altijd een keer in La Coupole ontbijten. Voor twaalf euro - niet echt goedkoop - krijg je een kannetje echte koffie, een groot glas vers geperst sinaasappelsap, viennoiseries, een croissant, een broodje en confituur. En echte vorken en messen en glazen en kopjes en schoteltjes. In de goedkopere en vaak groezelige brasseries aan de stations kun je al ontbijten voor zeven of acht euro. Dan krijg je iets wat op sinaasappelsap lijkt, een kleine koffie en je hebt tevens de keuze tussen een croissant en een stukje brood met een klein potje smakeloze confituur. Geen bestek, of indien wel dan in plastiek. De herrie om je heen moet je er dan ook nog bijnemen. In La Coupole geniet ik bovendien van de vriendelijke, geciviliseerde sfeer. Er wordt nog gelezen en zelfs geschreven.]

Foto's: Martin Pulaski, Parijs, 23 september 2014.

16-09-14

ERWIN: HET BOEK

corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl

In de zomer van 1975 nam mijn leven een nieuwe wending. Nog altijd vreesde ik dat ik jong zou sterven. Zes jaar eerder, in Blankenberge, had een jongeman uit Brussel me voorspeld dat ik niet ouder zou worden dan zevenentwintig: net als Brian Jones leed ik aan astma, zei hij, en net als hij was ik een kettingroker. En daar bovenop die joints (terwijl hij zelf voor onze bevoorrading zorgde) en een dieet van frieten en oudbakken brood… Ik herinner me nog hoe de dealer, als ik hem zo mag noemen, naast me op een – letterlijk - luizig bed lag, druk gesticulerend en schaterend als een tandloze kanunnik, op de platenspeler het pastorale ‘More’ van Pink Floyd.
corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl

Nooit had ik goed geweten wat ik zou gaan doen met mijn leven of wat de toekomst mij zou brengen. Ondanks mijn pessimisme geloofde ik dat het lot voor mij aangename verrassingen in petto had. Die zomer, trotse bezitter van het diploma filosofie, besefte ik dat ik mij geheel op het schrijven moest gaan toeleggen. Het werken aan mijn thesis had mij enige discipline en wat zin voor structuur bijgebracht; de waardering die ik ervoor kreeg had me geholpen met het gedeeltelijk overwinnen van mijn aangeboren onzekerheid. Ja, ik ging mij op het schrijven toeleggen maar wilde in geen geval een commercieel auteur worden, net zomin als ik les wilde geven: de school was net als het burgerlijke gezin, het leger en de gevangenis een steunpilaar van een vermolmde maatschappij; het onderwijs maakte kinderen en jongeren onderdanig en plichtbewust. Mijn denkwereld, besef ik al enkele tientallen jaren, was revolutionair, negativistisch, bijna jakobijns (hoewel ik in tegenstelling tot de echte jakobijnen niets tegen ‘vreemde’ talen had). Ik geloofde alleen nog maar in abstracta (die gelukkig af en toe concrete vorm aannamen): liefde, vriendschap en revolutie.
corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl


Daar ik mij aan de handel in letteren onttrok – een houding die mijn belangrijkste prof, Leopold Flam, aanzienlijk versterkt heeft – kon ik niet van de taal noch van de filosofie leven. Via een vriend vond ik werk als verkoper bij mijn geliefkoosde boekhandel Corman in de Ravensteinstraat te Brussel. Daar had ik als student menig uur doorgebracht; daar zou ik nu mijn brood verdienen. Ik dacht het schrijven en mijn eerste echte baan te kunnen combineren. Waarom ook niet: ik deed het werk graag, de klanten waren over het algemeen van het alternatieve type, en uiteraard zeer geïnteresseerd in literatuur, kunst en theater. Ik denk dat het de beste, meest veelzijdige boekwinkel van België was. Alleen al omdat hij viertalig was, was hij een unicum. Je vond er de nieuwste Nederlandse, Franse, Engelse en Duitse publicaties maar ook, zo verschillend van deze tijd, een behoorlijke stock. Je trof er bijvoorbeeld oude Gallimard-uitgaven van Apollinaire en Breton aan (spotgoedkoop omdat ze nog aan de oorspronkelijk prijs werden verkocht) én ongeveer alles van de geweldige City Lights-uitgeverij. Ik was in die dagen voornamelijk in Franse literatuur, Duitse romantiek en Beat Generation geïnteresseerd, maar was tevens goed op de hoogte van de Nederlands letteren. Ik bladerde elke dag in de nieuwe boeken die binnenkwamen, of toch in wat me interessant leek.

Op een zachte herfstdag viel mijn oog op de omslag van ‘Erwin’, de eerste roman van het schrijverscollectief Joyce & Co. Wat trok het meest mijn aandacht, de mooie decadente tekening of de naam ‘Erwin’? Ik herinner me dat ik in die dagen nog van Beardsley hield, maar niet meer met hart en ziel. Mijn vriend Erwin was ik verre van vergeten; ik dacht dagelijks aan hem. Met hem had ik zulke gelukkige, avontuurlijke en vooral dwaze uren beleefd; hem had ik altijd een beetje gezien als een personage in een undergroundfilm of in een Kerouac-achtige roman (hoewel we nooit samen ‘on the road’ waren geweest). Hoe het ook zij: ik voelde meteen aan dat de roman als het ware voor mij was geschreven, een absurde gedachte natuurlijk, maar op die manier kronkelden mijn hersens in die koortsachtige tijd. Het gebruik van Captagon om twee levens te kunnen leiden, één bij Corman overdag, één aan mijn schrijftafel tot diep in de nacht, zal mijn denken ook wel enigszins ontwricht hebben. Niet dat ik daar ooit spijt van heb gehad. De ontwrichting van de zintuigen en van het denken was, zeker in de jaren zeventig, een missie. En dat ik op die manier kennis heb gemaakt met de wereld van ‘Erwin’ en later met het overige, adembenemende werk van Geerten Meijsing betreur ik al helemaal niet, wel integendeel. Net zoals voor Gerrit Komrij blijft het boek “een romantisch-decadente gooi naar het allerhoogste”. Ik zal niet beweren dat ik 'Erwin' heb verslonden, daar was hij te vreemd, te grillig, te eigenzinnig, stilistisch te rijk voor. Ik heb hem, alsof het morfine of opium was, met kleine dosissen tot me genomen. Toen ik het boek uit had, was ik niet alleen geheel uit mijn evenwicht gebracht: ik was er verslaafd aan. Of was ik verslaafd aan Erwin, aan zijn wereld, aan zijn ondergang? 
corman, brussel, mathieu corman, boekwinkel, filosofie, diploma, 1975, werk, loopbaan, radicaal, schrijven, revolutie, liefde, vriendschap, 27, roken, brian jones, blankenberge, schrijverschap, captagon, leopold flam, erwin, joyce & co, geerten meijsing, romantiek, decadentie, more, pink floyd, beat generation, stijl

...

De geschiedenis van Mathieu Corman en zijn boekhandels verdient veel meer aandacht. Een uitstekend artikel is: ‘Brandbom tussen de boeken. Mathieu Corman, gedreven literator’ van Frank Okker.

Zie: 
http://www.dbnl.org/tekst/_par009200201_01/_par009200201_01_0004.php

Dit gebeurde kort voor ik bij Corman aan het werk ging:

"In december 1974 werd de inmiddels drieënzeventigjarige Corman aangehouden en ervan beschuldigd dat hij een twaalfjarig meisje een erotisch drukwerkje had verkocht. Hij zat ruim een maand opgesloten, voordat hij in januari 1975 voorlopig werd vrijgelaten. Of het kwam door de maand die hij in een cel had doorgebracht of dat hij zich niet meer tegen het proces opgewassen voelde, is niet zeker. Wél dat Corman op 15 februari 1975, precies op zijn verjaardag, een eind aan zijn leven maakte.

Zoals vaak ging het na de dood van de eigenaar bergafwaarts met de boekhandels van Corman. In 1986 werden het filiaal aan de Ravensteinstraat in Brussel en de hoofdvestiging in Oostende gesloten. Alleen de winkel aan de Kustlaan in Knokke-Het Zoute bleef behouden. In december 1996 echter keerde boekhandel Corman terug in Oostende, nu aan de Witte Nonnenstraat. De schrijversportretten van Labisse verhuisden helaas niet mee. De panelen waren al eerder in Antwerpen geveild. Een aantal van de portretten werd aangekocht door boekhandel De Markies van Carrabas in Hasselt. Maar het herkenbaarste kunstwerk van Labisse zit nog altijd om de boeken van Corman."
Frank Okker

14-09-14

ERWIN: DE NAAM

1973-holsbeek24.JPG

In 1969 kwam ik als filmstudent in Brussel terecht. Na enkele eenzame weken trok mijn nieuwe vriend Erwin bij me in. Die jongeman wilde dringend van huis weg; hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een overtuigd nazi, zo vertelde Erwin me, een man die ’s ochtends met genoegen zijn SS-laarzen aantrok en zijn kinderen bevelen toesnauwde. Ik heb de vader een keer ontmoet. Erwins woorden waren niet overdreven geweest. De man droomde nog steeds van de Endlösung; alle ellende in de wereld was de schuld van de joden.

In mijn gezelschap leek Erwin gelukkig. Vaak zaten we op mijn kamer in de Karmelietenstraat muziek te beluisteren van Led Zeppelin, Soft Machine, the Velvet Underground en vooral ‘Let It Bleed’ van the Rolling Stones. Een andere liefhebberij was film. Op het Ritcs (de toenmalige film- en toneelschool, waar we beiden ingeschreven waren) konden we elke dinsdagmiddag twee speelfilms zien. Soms gingen we ook naar de bioscoop, en zagen we films als ‘Easy Rider’, ‘Hell In The Pacific’ en ‘Yellow Submarine’. Meestal rookten we eerst een joint. Op weg naar huis herhaalden we hele stukken dialoog. It’s all in the mind, man! was onze geliefde uitspraak.

Erwin was pas hélemaal gelukkig als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met het mysterieuze meisje dat mijn eerste vrouw zou worden. Voor Erwin was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet prettig hem erbij te hebben als we vrijden.

Erwin heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Nog later is Erwin in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest.

Vijf jaar later belde hij onverwachts aan. Ik woonde toen in een appartementje in de buurt van de Leuvensesteenweg. Erwin zag er geestelijk verward uit en was van oordeel dat ik verantwoordelijk was voor zijn ‘schizofrenie’ (een ziekte waar ik niet in geloofde). Hij was eveneens van mening dat de mensheid in twee soorten kon ingedeeld worden, de ene soort had blauwe ogen en blonde haren, de andere bruine ogen en donkere haren. Het zal wel geen verbazing wekken dat de eerste soort uit louter goedheid was opgetrokken, de tweede was destructief, satanisch. Nog een geluk dat ik blauwe ogen en lichtbruine haren heb. Toch was Erwin niet echt boos op me. We gingen samen naar het Vossenplein, waar Erwin in een platenwinkel ‘Metal Machine Music’ beluisterde. Geweldig, zei hij, zijn ogen fonkelden. Ik luisterde ook even en vond er niets aan. Misschien is het een geniale plaat, ik heb ze nooit willen horen.

In 1977 heeft Erwin me nog geholpen bij mijn verhuizing naar Antwerpen. In die stad heb ik mijn banden met Brussel grotendeels verbroken, een stommiteit die ik nog altijd betreur. Van Erwin heb ik nooit meer iets gehoord. Het was een korte, intense, en tot mislukken gedoemde vriendschap. Zeer waarschijnlijk heb ik aan de dagen met Erwin wel mijn fascinatie voor het werk van Geerten Meijsing overgehouden. 
1970-vossenplein14b.jpg

...

Foto's uit mijn archief: Erwin, in Holsbeek, circa 1973; Vossenplein, Brussel, circa 1971. 

12-09-14

ZOALS OP EEN ZONDAGOCHTEND

Zoals op een zondagochtend een landbouwer zijn veld aanschouwt
na een nacht van bliksem en verkoelende regen
terwijl in de verte de donder nog rommelt en de stroom
weer in zijn oevers treedt en fris is nu de groene aarde
En de wijnstok glanst van de regendruppels
en de bomen in het woud stil wachten onder de roerloze zon

Zo staan zij onder gunstig gesternte
zij die geen Meester kennen
zij die zich innig omhelzen laten
door het wezen van de natuur - die alles bevat.

Daarom is het dat als zij soms lijkt te slapen
als zij zich niet laat zien aan de hemel of bij de mensen
en de planten en de dieren – ja, daarom is het dat de dichters
zo droef kijken naar de wereld en het gebeuren.
Zij lijken dan eenzaam en verdrietig, maar dat is niet zo,
het zijn voorgevoelens die in hun ziel omgaan,
en zij wachten rustig op wat gaat komen,
zoals de natuur ook voorgevoelens heeft, als zij zich
terugtrekt en onzichtbaar lijkt, als zij rustig afwacht.

...

Vrij naar 'Wie wenn am Feiertage' van Friedrich Hölderlin

10-09-14

GEERTEN MEIJSING, SCHRIJVER EN VRIEND

GEERTENMEIJSING5 001.jpg

“Tenslotte schuilt de schoonheid geenszins in de roem of het succes, maar in de verheven pracht van ons werk en zijn onontkoombare resultaten.”
Geerten Meijsing, Haarlem, 11 april 1975.

 

Eergisteren had ik het hier bijna terloops over Geerten Meijsing, over mijn bewondering voor de schrijver, mijn vriendschap voor de man. Gisteren stond hij, tot mijn verbazing, in Humo. Het is zelfs een goed en leesbaar interview. Wat er staat is waar: het is een schandaal dat niet één boekwinkel nog een werk van Geerten in aanbieding heeft, toch niet in België. Hoe is zoiets mogelijk?

Mijn eigen herinneringen aan onze ontmoeting in Syracuse wil ik al lang neerschrijven, al van de dag erna, 17 mei 2013; bescheidenheid en schroom hielden me tegen. Ik had het gevoel dat het nog te vroeg was, dat het ongepast was, ja, zelfs dat een verslag mijn vriend schade zou kunnen berokkenen. Hoe kortzichtig was dat. Nu besef ik dat elk woord aan hem gewijd hem goed doet, de schrijver en de mens. Nu besef ik dat ik veel eerder over hem had moeten schrijven, niet alleen over die historische ontmoeting maar ook over zijn boeken, die ik allemaal gelezen heb, behalve ‘De ongeschreven leer’ (het beste bewaar ik altijd tot al de rest op is), over zijn vertalingen, over zijn belang voor onze cultuur.

Over onze ontmoeting heb ik destijds niets neergeschreven, omdat ik net toen hoge koorts en een ernstige luchtwegeninfectie had. Toch staat bijna alles me nog helder voor de geest. Het zal dan ook niet heel moeilijk zijn om een reconstructie te maken van die feestelijke nacht. Daar ga ik me de volgende dagen over ontfermen. Want je moet weten dat de woorden nog maar heel traag tot me komen. Voor één geslaagde zin heb ik soms een dag, soms zelfs een week nodig.

GEERTENMEIJSING2 001.jpg

08-09-14

NAAKTE LUNCH

goya- saturn_1000.jpg

‘Saturnus verzwelgt een van zijn zonen’, een beeld van Goya als illustere voetnoot bij mijn tekst over het kannibalisme in Canto XXXIII van Dante’s ‘Inferno’. Een reproductie van dit werk siert ook de kaft van de eerste Nederlandse uitgave van William Burroughs’ ‘Naakte Lunch’. Een roman, als je dat werk zo kunt noemen, die destijds veel indruk op me heeft gemaakt, en nog altijd blijft nazinderen, zij het meer en meer latent. De voortreffelijke vertaling was van Joyce & Co., een groepje verfijnde literatuurminnaars dat bestond uit Erwin Garden en Keith Snell. In 1972, toen die vertaling verscheen, had ik geen idee wie die heren waren.

Drie jaar later, ik werkte toen in Boekhandel / Librairie Corman te Brussel, kwam daar verandering in. Zoals Saturnus zijn zoon verzwelgt, verslond ik elk woord waaruit de roman ‘Erwin’ van het schrijverscollectief was opgetrokken. Net als de naakte lunch was het een trage maaltijd, vanwege de moeilijkheidsgraad, met name de taalregisters waar ik als niet-classicus weinig of niet vertrouwd mee was. En net als ‘Naked Lunch’ zou ‘Erwin’ me bijblijven; samen met ‘The Romantic Agony’ van Mario Praz gold het als een introductie tot de zwarte romantiek.

Niet veel later bleek dat ‘Erwin’ vooral het geesteskind was van Geerten Meijsing. Tot op vandaag blijft hij voor mij een van de grootste Nederlandstalige schrijvers. Ooit wilde ik worden als hij, wat me niet is gelukt – uiteindelijk een goede zaak, want in deze Lage Landen is maar plaats voor één prins. Een van de volgende dagen (of weken, met mij ben je nooit zeker) vertel ik over onze ‘historische ontmoeting’ (zijn woorden) in Syracuse in mei 2013. Geerten Meijsing zal in mijn relaas verschijnen als een hedendaagse Charles Baudelaire – Geerten heeft ‘Pauvre Belgique vertaald - in ballingschap, ikzelf als een hoestende, naar liefde hunkerende Edgar Allan Poe. Een fototoestel had ik niet bij me, gelukkig: zo zie ik Geerten Meijsing nu weer helder voor me als hij zegt “ik ga hier niets drinken, ik wil alleen maar even naar dat meisje kijken...” of als hij zich luidop afvraagt wanneer ik eindelijk eens wat dichtersbloed ga ophoesten. Ja, en zoveel andere dingen herinner ik me, hier in mijn eigen House Of Usher.

 

“Toen wij in de winter van ’67 op ’68  met een koffertje vol boeken naar Calci (Pisa) liften om in de boekbinderij van het kartuizerklooster aldaar onze lievelingsboeken, in navolging van Des Esseintes uit A Rebours, in leren bandjes met gouden lettertjes te binden, was Naked Lunch één van die boeken.” (Uit het nawoord van Geerten Meijsing en Kees Snell bij de vertaling van ‘Naked Lunch’)

saturnus, goya, william burroughs, naked lunch, naakte lunch, voetnoot, dante, inferno, vertaling, joyce & co, geerten meijsing, erwin, italië, sicilië, syracuse, ontmoeting, charles baudelaire, edgar allen poe

07-09-14

INFERNO, CANTO XXXIII

ugolino-2.jpg

Ruggieri degli Ubaldi, aartsbisschop van Pisa en leider van de Ghibellijnen in die stad, bracht graaf Ugolino della Gherardesca, uit dezelfde stad, verraderlijk ten val. In 1288 liet de aartsbisschop Ugolino met zijn twee zoons, Gaddo en Uguccione, en zijn twee kleinzoons, Brigata en Anselmo, opsluiten in de klokkentoren van het Palazzo dell’Orologio. Daar kwamen alle vijf van honger om. Deze tragische geschiedenis vertelt ons Dante in de drieëndertigste zang van ‘de hel’ in zijn ‘Goddelijke Komedie’. Kunnen we ons de eeuwigheid voorstellen? Zo lang kauwt in de tweede regio van de negende kring Ugolino aan de schedel en de nek van aartsbisschop Ruggieri:

Dante en zijn gids Vergilius 

… gingen heen en zagen met ontzetting
twee schimmen, in een bijt zo vastgevroren,
dat de een z’n hoofd tot hoed voor ’t andere strekte.
En evenals men brood verslindt bij honger,
zo beet die boven lag gestaag in de andere,
waar nek en hersenpan zich samenvoegen.

Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar vroeger dacht ik dat Ugolino van het levend vlees van zijn kinderen en kleinkinderen had gegeten. Waarom zat de graaf anders zo diep in de hel; was dat dan slechts de straf voor zijn wraakzucht?

Bij Dante vraagt een van de kinderen zelf om de vader tot voedsel te dienen:


‘O, vader, minder, minder werd ons lijden,
als ge at van ons; hebt gij ons eens omhangen
met dit armzalig vlees, neem gij ’t ook weder.’

De vader weigert daar uiteraard op in te gaan en ziet de kinderen vervolgens de een na de ander sterven. Daarna gebeurt dan toch het onuitsprekelijke, dat Dante desondanks onder woorden brengt:

En blind reeds, zocht ik ze één voor één te strelen
en riep ze nog drie dagen na hun scheiden.
En sterker dan de smart bleek toen de honger.

Kennelijk was mijn verbeelding gruwelijker dan de werkelijkheid, of toch zeker gruwelijker dan de verbeelding van Dante. Ruggieri had wel van het vlees van zijn kinderen en kleinkinderen gegeten, maar pas na hun dood en na dagen van diepe smart. Is dood vlees van je kinderen eten minder erg dan als het nog levend is? Wie zal daarover oordelen? Het is kannibalisme van de ergste soort, de overschrijding van een grens die niet eens zou mogen bestaan, het doorbreken van een taboe dat zwaarder weegt dan wat Oedipus deed.

In zijn gedicht ‘The Tower Of Famine’ verwijst Percy Bysshe Shelley, die samen met zijn vrouw Mary Godwin en Claire Clairmont enige tijd in Pisa woonde, zijdelings naar de gruwelen. In een voetnoot van Shelley (of van Mary, dat is onduidelijk) lezen we het volgende: “At Pisa there still exists the prison of Ugolino, which goes by the name of ‘La Torre della Fame’; in the adjoining building the galley-slaves are confined. It is situated near the Ponte al Mare on the Arno.”

De Shelleys en Claire Clairmont woonden aan de Lung'Arno Galileo Galilei op de bovenste verdieping van  wat Tre Palazzi di Chiesa heette, met uitzicht op de Ponte Fortezza. Door hun ramen konden ze Lord Byrons Palazzo Lanfranchi zien, aan de overkant van de Arno. Maar op die romantische geschiedenis, hoewel heel wat boeiender dan Witse, ga ik hier niet dieper in. Later misschien. Ik heb er veel notities over. In de jaren zeventig was ik verslingerd aan de romantische beweging en de vrije liefde. Meermaals ben ik in die dagen naar Pisa en Firenze gelift.


Dat is allemaal lang geleden, nu lijken alle minuten, alle dagen op elkaar. Borges echter, of zijn personage Villari, beweert in het verhaal ‘Het wachten’ “dat er geen dag is, zelfs niet in de gevangenis of het ziekenhuis, die geen verrassing brengt, die tegen het licht gehouden geen netwerk vol piepkleine verrassingen vormt.” Niet toevallig speelt ook in dat verhaal de ‘Divina Commedia’ een rol. Villari, die aan hevige tandpijn lijdt, begint “stelselmatig in dat kapitale werk te lezen; voor het eten las hij een canto en vervolgens, in strikte volgorde de noten. Hij achtte de helse pijnen niet onwaarschijnlijk of buitensporig en dacht niet dat Dante hem zou hebben veroordeeld tot de laatste kring, waar Ugolino’s tanden onophoudelijk knagen in Ruggieri’s nek.”

ugolino-doré.jpg

En zo blijkt weer dat alles met alles samenhangt en vooral dat het aantal verhalen eindeloos is. Maar de werkelijkheid? Net zoals er nog resten bestaan van Ugolini en zijn kinderen – ze werden opgegraven - bestaan er nog resten van de Gherardesca-familie. In 2002 voerde de paleoantropoloog Francesco Mallegni DNA-testen uit op de dode resten en vergeleek ze met het levende DNA van de nazaten. Het onderzoek leverde geen enkel bewijs voor kannibalisme. Het toont zelfs aan dat Ugolino in de maanden voor zijn dood helemaal geen vlees at. Bovendien was hij stokoud: hoe kon hij langer in leven blijven dan zijn kinderen en kleinkinderen?

...

Geraadpleegde werken:

Dante, De goddelijke komedie (vertalingen van Christinus Kops en Frans van Dooren), De Nederlandsche Boekhandel, Ambo Olympus

Dante, La divine comédie. Index. Avec une introduction à la Bibliographie Dantesque, par Alexandre Masseron, Editions Albin Michel

Shelley, Poetical Works, Oxford University Press

Richard Holmes, Footsteps: Adventures of a Romantic Biographer, Hodder and Stoughton

Jorge Luis Borges, ‘De Aleph en andere verhalen’, De bezige bij


Tekeningen: Gustave Doré

Foto Pisa, Piazza dei Cavalieri, 
Palazzo dell’Orologio: Martin Pulaski, juli 2014

 

IMG_9724.JPG

 

06-09-14

ZÉRO DE CONDUITE: TEARS A GO-GO

mf 8.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de antipasti, de vissoep, de Roma-tomaten! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

"1. Daarna wende ik mij, en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon geschieden; en ziet, er waren de tranen der verdrukten, en dergenen, die geen trooster hadden; en aan de zijde hunner verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster. 
2. Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. 

3. Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt." (1)

De aarde is altijd al een tranendal geweest. Vaak vergeet je hoe erg het gesteld is met de mens, met wat hij de anderen, zichzelf, de dieren, de natuur aandoet, vaak vergeet je zijn wreedheid en zijn bloeddorstigheid en zijn hebzucht. Maar er zijn van die dagen dat je er niet aan kunt ontsnappen dat de aarde, of wat wij ervan hebben gemaakt, een tranendal is. En dan zit je daar, sprakeloos en zonder tranen, want die zijn al lang allemaal opgebruikt, in je kindertijd, opgesloten in de bossen, ver weg van je geliefden. En je herinnert je hoe heerlijk het soms was te kunnen huilen, de smaak van je tranen te proeven, de druk op je borst te voelen verdwijnen.


Wat kan die gevoelens, wat kan die echte tranen vervangen? Muziek natuurlijk, de beste remedie tegen pijn en verdriet, en songs over tranen moeten dan wel de ultieme remedie zijn voor degenen die niet meer kunnen huilen. Vandaar deze tears a go-go: geen zwelgen in droefenis en ellende, maar een lange lofzang op die heerlijke tranen. Gezongen tranen, melodieën, ritmes en stemmen die je helpen vergeten wat voor tranendal onze wereld is.

V
eel luisterplezier en laat die tranen maar komen!

 

irma-thomas_by rick oliver.jpg

As Tears Roll By - Daniel Lanois – Shine - Daniel Lanois

Tiny Tears – Tindersticks - Tindersticks [II] - Alistair McAuley, David Boulter, Dickon Hinchliffe, Mark Colwill, Neil Fraser, Stuart A. Staples / Tindersticks

Dog Of Tears - Elysian Fields - Dreams That Breathe Your Name - Glenn Patscha

Tears Inside - Ornette Coleman - Tomorrow Is The Question! – Ornette Coleman

Tears Dry On Their Own - Amy Winehouse - Back To Black - Amy Winehouse, Nickolas Ashford, Valerie Simpson

96 Tears - Aretha Franklin - Aretha Arrives – Roberto Martinez (Alias Question Mark)

The Tracks Of My Tears - Smokey Robinson & The Miracles – Going To A Go Go - Tarplin, Robinson, Moore

Tears Of Joy - Etta James - Leiber & Stoller Story Volume 1: Hard Times – Leiber, Stoller

Ocean Of Tears - Big Maybelle - The OKeh Rhythm & Blues Story 1949-1957 – Writer unknown

River Of Tears - Ben E. King - Seven Letters - Washington          

I Count The Tears - The Drifters - Save The Last Dance For Me - Doc Pomus, Mort Shuman

Teardrops Till Dawn - Timi Yuro - Hard Workin' Man: The Jack Nitzsche Story 2 - Baker Night

As Tears Go By - Marianne Faithfull – Single - Mick Jagger, Keith Richards, Andrew Loog Oldham

I'm Gonna Cry Till My Tears Run Dry - Irma Thomas - Time Is On My Side - Doc Pomus, Mort Shuman,Fagin

Tears On My Pillow - Little Anthony & The Imperials - Golden Age Of American Rock & Roll: Vol 4 -Lewis, Bradford

Valley Of Tears - Buddy Holly – The Complete Buddy Holly - Dave Bartholomew, Antoine Domino

Tear Drop - Santo & Johnny - Golden Age Of American Rock & Roll: The Follow-Up Hits - Ann Fariña, John Fariña, Santo Fariña

I Cried A Tear - Lavern Baker – Blues Ballads – Writer Unknown              

Memories In Tears - The Louvin Brothers – Country Love Ballads – Writer Unknown    

I'll Never Shed Another Tear - Lester Flatt & Earl Scruggs & The Foggy Mountain Boys - Complete Mercury Sessions - L. Flatt

Endless Stream Of Tears - Dolly Parton - The Grass Is Blue - Dolly Parton

Let The Teardrops Fall - Patsy Cline - Patsy Cline's 50 Golden Greats: Complete Early Years - C.C. Beam, C.L. Jiles, W.S. Stevenson

Lonesome Tears In My Eyes - Johnny Burnette - Johnny Burnette And The Rock 'n' Roll Trio - A. Mortimer, D. Burnette, J. Burnette, P. Burlison

Tears A Go-Go - Charlie Rich - The Complete Smash Sessions - Donnie Fritts

Tear Stained Letter - Johnny Cash - American Recordings  IV: The Man Comes Around - Cash, John R.

All My Tears - Emmylou Harris - Wrecking Ball - Julie Miller

Tears Of Joy - Lucinda Williams - Little Honey - Lucinda Williams

No More Tears - John Mayall & The Bluesbreakers - A Hard Road - John Mayall

Tears Of Rage - Bob Dylan & The Band - The Basement Tapes - R. Manuel, B. Dylan

Tears Before Bedtime - Elvis Costello & The Attractions - Almost Blue - Elvis Costello

Teardrops Must Fall - Mink De Ville - Coup De Grâce – W. DeVille          

No Tears To Cry - Paul Weller - Wake Up The Nation - Paul Weller

Teardrops Will Fall - Ry Cooder - Into The Purple Valley - Dickey Doo, Marion Smith

Don't Cry No Tears - Neil Young - Zuma - Neil Young

Lonesome Tears – Beck - Sea Change – Beck Hansen    

Tears Are In Your Eyes - Yo La Tengo - Prisoners Of Love - Ira Kaplan, Georgia Hubley, James McNew

Elysian39_ZE_5517.jpg

Research & presentatie: Martin Pulaski

De playlist lees je zo: titel, uitvoerder, LP- of CD-titel, componist (indien gekend).

Foto Marianne Faithfull: fotograaf onbekend; foto Irma Thomas: fotograaf onbekend; foto Elysian Fields: Yvo Zels.

...

1. Prediker 4:1-3. Statenvertaling.
De Nieuwe-Wereldvertaling (Jehova's Getuigen) luidt als volgt:
1 En ik voor mij wendde mij om alle daden van onderdrukking te kunnen zien die onder de zon worden bedreven, en zie! de tranen der onderdrukten, maar zij hadden geen trooster; en aan de zijde van hun onderdrukkers was macht, zodat zij geen trooster hadden. 2  En ik prees de doden, die reeds gestorven waren, gelukkig boven de levenden, die nog in leven waren. 3  Dus beter af dan die beiden [is] degene die nog niet tot bestaan is gekomen, die het rampspoedige werk dat onder de zon wordt gedaan, niet heeft gezien.
De vertaling die mij het meest kan bekoren is de King Jamesversie:
1 So I returned, and considered all the oppressions that are done under the sun: and behold the tears of such as were oppressed, and they had no comforter; and on the side of their oppressors there was power; but they had no comforter.
2 Wherefore I praised the dead which are already dead more than the living which are yet alive.
3 Yea, better is he than both they, which hath not yet been, who hath not seen the evil work that is done under the sun.

Maar ik besef dat ik nu popmuziek en bijbelstudie aan het combineren ben, misschien niet zo'n goed idee.

02-09-14

WOESTIJN

 

De woestijn is niet leeg.
Er heerst chaos, verderf.
Hier en daar een oase van bloed.

In lijf en leden
En in mijn hoofd stilte.
Geen wapenstilstand.

27-08-14

KALIFAAT

oostfrontsoldaten.jpg

Als reactie op Bart De Wevers uitspraak: "Kalifaat heeft aantrekkingskracht op onze jongeren” schreef Jan Van den Eynden op 20 augustus op facebook het volgende:

“De burgemeester - zelf toegevend dat hij 'onze' jongeren' opgeeft en ze zelfs niet meer als Antwerpenaren beschouwt - verbaast zich erover dat het 'Kalifaat een magnetiserende invloed heeft op jongeren'. Jongeren - ik benadruk die term - die in zijn Vlaanderen en zijn Antwerpen zo goed als niks te verwachten hebben.

Jongeren die hij - spijts een 'de-radicaliseringsbeleid' waarvan men mij toch eens mag uitleggen waar dat precies uit bestaat, nu zijn partij in haar beleidsverantwoordelijkheden systematisch samenlevingsopbouwinitiatieven ondermijnt - alleen maar meer repressie en meer uitsluiting belooft.

Verbaast u er zich over dat zo'n jongere naar het Oosten trekt op vraag van een geestelijke, meneer De Wever?

Kunt u zich - Vlaams historicus zijnde - misschien in de plaats stellen van een jongere die Zin en Richting zoekt in een chaotische tijd, en die, daartoe aangespoord door charismatisch-radicale geestelijken, de wapens opneemt in vreemde dienst aan een of ander Front in het Oosten? Nee?”

kalifaat, jihadi's, oostfront, bart de wever, dostojewski, de idioot, IS, katholicisme, jezuïeten, rusland, syrië, irak, geloof, predikers, priesters, geloof, jan van den eynden

Ik vond deze analyse en zeker ook de vragen geestig en pertinent en wilde aan het fragment wat meer aandacht besteden, maar na een vijftal zo goed als slapeloze nachten was ik daar te moe voor. Die zelfde avond las ik in ‘De idioot’ van Dostojewski enkele paragrafen die me meteen deden terugdenken aan Jans stelling. Zelfs om die over te typen was ik te uitgeput.

Maar het is nooit te laat.

"En niet wij alleen, maar heel Europa staat verbaasd over onze Russische hartstocht; als iemand zich bij ons tot het katholicisme bekeert, dan wordt hij meteen jezuïet, en van het fanatiekste soort; als hij atheïst wordt, dan eist hij meteen dat het geloof in God met geweld wordt uitgeroeid, dat wil dus zeggen, met het zwaard! Waarom is dat, waarom meteen zo extreem? Weet u dat niet? Dat is omdat hij een vaderland heeft gevonden, dat hij hier heeft gemist, en waar hij dolblij mee is; hij heeft een oever, land gevonden en valt op zijn knieën om dat te kussen! Onze Russische atheïsten en Russische jezuïeten komen niet alleen maar uit ijdelheid, niet allen uit smerige ijdele gevoelens voort, maar uit geestelijke pijn, geestelijke dorst, uit het verlangen naar een hogere zaak, naar een vaste oever, een vaderland, waarin wij opgehouden zijn te geloven omdat we die nooit gekend hebben!”
Dostojewski, De idioot, Verzamelde Werken, 6, 588-589.

Ik schrijf dit hier niet alleen neer omdat ik het belangrijk vind, wat wel degelijk zo is, maar ook met de egoïstische hoop dat ik hiermee een soort van betovering verbreek en voortaan meer dan vier of vijf uur kan slapen. En, vooral, dat ik opnieuw kan gaan schrijven. Mijn reservoir was leeg, dat gebeurt wel vaker, maar nu zou het stilaan toch weer gevuld moeten zijn. Of ben ik nu te optimistisch?

pasolini-Fioremilleeunanotte-freccia.png

10-08-14

ARCHIPEL VAN HET VERDRIET

La-Comtesse-perverse-1974.jpg

Ik lag in bed, ernstig ziek. In een kleiner en lager bed naast het mijne mijn moeder, om over me te waken. Soms, in mijn koorts, verbeeldde ik me dat ze een agent was die me in de gaten hield. Dan voelde ik me meer een gevangene dan een zieke. Alleszins had ze altijd ten minste een oog wijd open, voortdurend op mij gericht, op mijn gezicht, mijn magere handen.

Je bracht me een bezoek. Het viel me op dat je anders was dan anders, afstandelijker, ziellozer, je huid kleurlozer; je ogen hadden weinig van hun gebruikelijke schittering. Ik lag in bed met alleen een T-shirt en onderbroek aan en schaamde me daar voor, want zeker voor jou wilde ik mooi gekleed zijn. Mijn kleren, zelfs mijn pyjama, lagen onder mijn matras, een vochtige warboel.
Je maakte aanstalten om te vertrekken, wat me, ondanks je teleurstellende verschijning, erg bedroefde. Ik vreesde dat ik gauw zou sterven, of dat je nooit meer zou terugkeren. Van mijn moeder mocht ik niet uit bed komen, je niet omhelzen, geen afscheid van je nemen. Waar vond ik de kracht om zo lang en heftig bij haar aan te dringen? Uiteindelijk stond ze toch een vluchtig afscheid toe, als ik maar niet te dicht bij je kwam. Vliegensvlug haalde ik mijn pyjama onder de matras uit en trok hem aan, zij het met het jasje verkeerd toegeknoopt. Ik was nog niet helemaal aangekleed en schaamde me ook daar weer voor, toen jij al voor de deur stond, met je rug naar me toegekeerd. Je wilde me niet omhelzen, volgens jou omdat het niet mocht. Plotseling zei ik, tegen moeders verbod in (of was het dat van de agent?), met een moed die alleen maar kan voortvloeien uit teugelloze liefde, dat ik met je mee zou gaan tot aan de Oude Bareel. Maar je was al bijna buiten. Wellicht had je mijn woorden, vol verlangen uitgesproken, niet eens gehoord. De droefheid die me daarop overviel was immens. Ik geloof niet dat ik me ooit triester heb gevoeld, niet in een droom en niet in het wakend leven. Toch keek je, net voor je de deur achter je toetrok, nog even om, met tederheid en liefde in je ogen. Die droefheid, omdat je vertrok en omdat je omkeek, was zo ondraaglijk dat ik huilend wakker werd.

Eens wakker besefte ik dat Bob  Dylan het helemaal verkeerd had: “She’s an artist, she don’t look back…” Het is net omgekeerd. Als je een kunstenaar bent, een kunstenaar die liefheeft, kijk je gedurig terug, denk maar aan Orpheus.

Ik viel opnieuw in slaap. Nog dezelfde droefheid  torsend kwam ik op een eiland aan dat deel uitmaakte van een grijze en bloedrode, geërodeerde archipel. Na een half uur op het eerste eiland wilde ik naar het tweede, en zo verder. Maar het was moeilijk om van het ene naar het andere eiland te reizen. Er voer slechts één ferry per dag uit, op een onduidelijk uur. In het huis waar ik voorlopig verbleef, mijn kaartje voor de overtocht steeds binnen handbereik, gebeurden allerlei bizarre dingen. Zo was het op sommige dagen een komen en gaan van bedelaars, goochelaars en beschimmelde figuren. Er werd gehoest, gerocheld, gefloten, maar niemand zei een verstaanbaar woord. Troost kon je van geen levende noch van een dode ziel verwachten. Grote aarden potten waren gevuld met oude suikerklontjes en graan dat een muffe geur had. Elke kamer had op zijn minst zes deuren die met zes verschillende sleutels moesten worden geopend en gesloten.

Ondanks de waanzin wilde ik in die droom niet in slaap vallen, omdat ik bij jou wilde zijn, jij die je nu op een van de andere eilanden van de archipel bevond. Als dat niet ging zou ik wachten tot jij bij mij zou komen. Daarom slikte ik pillen, pillen tegen de slaap. De dagen en nachten vlogen voorbij. Mijn voorraad pillen en water om ze mee in te slikken slonk. Ik hoopte, maar tegelijk voelde ik wanhoop: nooit zou er een ferry voor me komen, nooit zou er een ferry voor jou komen. En als we elkaar dan toch zouden vinden, zou onze ontmoeting maar kortstondig zijn, een oogwenk, niet langer.

Het was een heel eind tot de aanmeerkade en het was donker en alles was grijs, de lucht, de zee, de aarde, de wegen, de kamers. Op een dag belde mijn broer aan, dronken, met een nieuwe voorraad capsules, hun houdbaarheidsdatum lang overschreden. Hij zei dat ik me aanstelde en lachte me uit. Onze liefde bevuilde hij met een resem schunnige uitspraken. Ik bleef ernstig, zal er heel boos hebben uitgezien. Hij begreep niets van onze liefde, zei ik.

Later, op een van de kleinste eilanden, in een vertrek vol grillige schaduwen, zei je me dat je zwanger was. Ik wilde je vragen of het van mij was, maar realiseerde me dan dat we al weken niet meer gevrijd hadden en zei niets. Ik wist meteen dat het van een andere man was. Toch nam ik het je niet kwalijk, omdat ik zo blij was dat we even samen waren. Ik vond je buik zo mooi, mooier nog dan in de dagen van onze warmste liefde. Wat was ik triest! Meest van al nog omdat ik wist dat we maar een poos samen zouden zijn en elkaar nu ook weer niet zouden omhelzen. Moest ik ook niet vechten tegen de slaap en waren de antislaappillen niet op? En was mijn broer niet aan het grinniken en ons in ons gezicht aan het uitlachen? En moesten we ons niet haasten vanwege het nakende vertrek van de ferry? En verbood mijn moeder me niet ten strengste om ook maar één woord met jou te wisselen?

De kamers waarin we elkaar zo vluchtig zagen veranderden gedurig van vorm. Soms waren ze opgetrokken uit bamboe, soms uit drijfhout, soms uit beton. Nooit waren ze weelderig, nooit licht en luchtig. Meermaals werd ik midden in een scène - want hoe kan ik deze situaties anders noemen? – wakker, altijd als een romantische, sentimentele vrouw met tranen in de ogen, moeizaam ademhalend. Vreemd was dat ik toch meteen weer wilde slapen, om verder te kunnen dromen, hoe triest het ook allemaal was. Alleen maar, denk ik, omdat ik dan af en toe toch bij je was. Onze toestand, zoals ik hem beleefde, was ondraaglijk, die wirwar van moeilijk bereikbare eilanden - in het azuur in het wilde weg gespatte donkerbruine verfvlekken, drip drip drip - en hoe jij daar en ik hier was, en dat er dan plotseling op een landkaart toch autosnelwegen zichtbaar werden die de eilanden met elkaar verbonden. Op luchtfoto’s kon je ze duidelijk ontwaren. Lange bruggen, een beetje zoals de Seven Miles Bridge in Florida of de Rio–Niterói Brug in Brazilië. Maar geen van die bruggen bracht ons weer bij elkaar. De pillen die mij geholpen hadden om wakker te blijven en, vooral, om de hoop niet op te geven, waren op. Van de toekomst viel niets meer te verwachten, geen geluk, geen ongeluk, geen pijn, geen verdriet, niets. Er viel niets meer te verwachten in deze archipel van het verdriet.

oude barreel3.jpg

02-08-14

ZERO DE CONDUITE: SONGS

rickieleejones1.jpg

Zéro de conduite is een POPprogramma op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 ’s avonds. Heerlijk als je druk bezig bent in de keuken, of bij het aperitief, en later aan tafel bij de antipasti, de vissoep, de Roma-tomaten! Stem af op 106.7 FM. Je kunt het programma eveneens via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over de radio.

 

Wegens al dat reizen van mij ben ik niet aan een thema toegekomen. Het reizen zelf heb ik al te vaak gebruikt, en in elk programma duikt er wel een spoor van op, ook vandaag. In deze aflevering van Zéro de conduite gaat het opnieuw om de sfeer, om wat ontstaat door de opeenvolging van muziekjes en teksten. De nadruk ligt op wat singer-songwriters wordt genoemd, hoewel ik niet zo van die term houd. Maar hoe noem je hen dan wel? 

Heel wat oude bekenden passeren de revue, maar ook wat minder voor de hand liggende namen, zoals Gene Parsons en Michael Chapman. Voor sommige muzikanten schijn ik een beetje doof te zijn, of is het vergeetachtigheid? Een grote popdiva als Joni Mitchell komt in mijn programma maar weinig aan bod, denk ik. Geen idee wat de reden daarvoor is. Alleszins probeer ik nooit wie populair is moedwillig, vanwege snobistische of elitaire overwegingen, te vermijden. Het zal een combinatie zijn van blinde vlekken en voorkeuren.

Omdat het zowel in de wereld als in mijn hoofd onrustig is, doe ik een poging om aan de hand van deze selectie mooie liederen wat rust te brengen, ook al gaan ze daar niet per sé over. Ik wil echt niet dat Zéro de conduite een behangpapierprogramma wordt.

De hommage aan Bobby Womack, een van de groten uit de soulmuziek, is veel te kort. Misschien moet ik opnieuw zoals in de jaren tachtig en negentig – met Shangri-La - een wekelijks programma van drie uur gaan maken, zodat ik meer aandacht kan geven aan allen die er toe doen in de populaire muziek en elders.

Veel luisterplezier.

bobbiewomack1.jpg

Paths of Victory - Cat Power - The Covers Record - Bob Dylan      

Ring Them Bells - Bob Dylan - Oh Mercy  - Bob Dylan       

Berlin - Lou Reed - Lou Reed  - Lou Reed

Blue in Green - Miles Davis - Kind Of Blue - Bill Evans        

Drunk On The Moon - Tom Waits - The Heart Of Saturday Night - Tom Waits     

Beat Angels - Rickie Lee Jones - Duchess of Coolsville - Rickie Lee Jones  

For Free - Joni Mitchell - Ladies Of The Canyon – Joni Mitchell     

Blackbird Chain – Beck - Morning Phase – Beck Hansen

A Swallow In The Sun – Eels - The Cautionary Tales Of Mark Oliver Everett             

Burnin' Summer - Ronnie Lane - Ooh La La: An Island Harvest - Ronnie Lane                      

Six Days On The Road - Taj Mahal - Giant Step & De Ole Folks At Home - Carl Montgomery/Earl Green

I'm Comin' Home - Arthur Alexander - Rainbow Road: The Warner Brothers Recordings - Dennis Linde

California Dreamin' - Bobby Womack - The Minit Records Story - Michelle Gilliam/John Phillips     

Trust Me - Janis Joplin – Pearl - Bobby Womack  

In A Station - Karen Dalton - In My Own Time - Richard Manuel    

Brides Of Jesus - Little Feat - Little Feat - Lowell George/Bill Payne

Cowboy Of Dreams - Crosby & Nash - Wind On The Water                           

Banjo Dog - Gene Parsons - Kindling                       

For Me Again - Gene Clark – Echoes - Gene Clark

Why [Single Version] - The Byrds - David Crosby/Roger McGuinn 

With Me Tonight - The Beach Boys - Smiley Smile - Brian Wilson  

Forever - American Spring - American Spring - Dennis Wilson/G. Jakobsen

As I Wander Lonely - Harry Nilsson - Nilsson Sessions: 1967-1968 - Harry Nilsson

Please Be With Me – Cowboy - Skydog: The Duane Allman Retrospective - Boyer

Rainbows All Over Your Blues - John Sebastian - John B. Sebastian - Sebastian

Something In The Way She Moves - Ian Matthews & Matthews' Southern Comfort - Second Spring - James Taylor

Steamboat Row - Stealers Wheel -Ferguslie Park – Gerry Rafferty

Anyway The Wind Blows - J.J. Cale – Okie – J.J. Cale         

The Way I Feel - Gordon Lightfoot - The Way I Feel - Gordon Lightfoot

It Didn't Work Out - Michael Chapman – Rainmaker

Mississippi You're On My Mind - Jesse Winchester – Anthology – Jesse Winchester

The Times You've Come - Jackson Browne - For Everyman – Jackson Browne        

Saturday Sun - Nick Drake - Five Leaves Left - Nick Drake      

My Sweet Love Ain't Around - Steve Young - Rock, Salt and Nails - Hank Williams

My Town - Paul Siebel - Woodsmoke & Oranges - Paul Siebel

Tell Me Mama - Leo Kottke - Circle 'round The Sun

Single Girl - Haden Triplets - The Haden Triplets - A. P. Carter

Sping_with_Brian_Wilson.jpg


...

Volgorde playlist: songtitel, uitvoerder, album, componist.
Presentatie en research: Martin Pulaski

01-08-14

CAT POWER EN DAVID CROSBY IN LUCCA

 IMG_9110.JPG

In Lucca zag ik in de straten en op pleinen affiches van onder meer David Crosby en Cat Power, aankondigingen voor optredens van deze muzikanten in het Teatro del Giglio. Dat deed wat vreemd aan: het beeld dat ik van Italië, van Toscane, van Lucca heb is er een dat voorbijgestreefd is. Lucca is in mijn verbeelding nog altijd een stad van Romaanse gebouwen, kerken, torens, palazzo’s, stijlvolle winkels, lekkere trattoria’s en osteria’s, een oord waar romantische dichters als Percy Shelley, Lord Byron en Elizabeth Barrett Browning thuis zijn. Rock & roll vloekt daarmee. Of vloekte ermee in mijn hoofd. Maar de wereld in mijn hoofd en de echte wereld verwijderen zich vliegensvlug van elkaar. In de echte wereld is popmuziek een vulgaire koopwaar geworden, een massaconsumptiemiddel, al lang geen voedsel meer voor de ziel en de geest; men gaat naar popconcerten voor de decibels, voor de seks, voor de sensatie, voor alles wat hype en hyper is, men gaat er naartoe omdat men denkt dat het zo hoort. In mijn hoofd is popmuziek (of rock & roll) nog steeds revolutionair, opwindend, erotisch, in mijn hoofd behoort de muziek van artiesten als David Crosby en Chan Marshall aan het ritme van de ziel. Ik weet dat dat enigszins romantisch klinkt en wereldvreemd is. Maar ik verkies als een vreemde in de wereld rond te dwalen, liever dan als iemand die toebehoort aan een wereld die van zichzelf vervreemd is, die uit zijn as is, liever romantisch dan realistisch als de realiteit zo ziek en de toestand zo hopeloos is.
IMG_9108.JPG

Als ik naar de foto’s op de posters kijk zie ik de artiesten al op het podium staan. David Crosby met zijn twaalfsnarige gitaar; ik zie zijn oude ogen die veel hebben gezien, op zee, en in de steden, ik hoor zijn harmonieuze stem, ik hoor zijn songs weerklinken in de concertzaal, oude van the Byrds, van Crosby, Stills, Nash & Young, solowerk van vroeger en nu. Ik verlies mezelf in een droom als ik hem het wonderlijke ‘Laughing’ hoor zingen.
Ook zie ik de lieftallige, stijlvolle, wat spastisch bewegende Cat Power voor me, haar niet zo toonvaste maar sensuele en expressieve stem raakt me meteen diep, ik hoor haar eigen liederen, die van Bob Dylan, van al haar helden en heldinnen… Ik besef dat zij zich daar op het podium in haar eigen wereld bevindt en dat ze mij daar ook even aantreft. Ja, David Crosby en Cat Power geven vonkjes van hun ziel door aan die van mij. All in a dream… Het is niet nodig dat ik hen nog in werkelijkheid zie performen. Het beeld dat ik me van hun kunst vorm volstaat voor mij, denk ik nu.  Hun concerten daar in Lucca waren voortreffelijk, ook al vindt dat van Crosby pas in december plaats.

...

Foto's: Martin Pulaski, Lucca, juli 2014.

21-07-14

DE GROTE ONVERSCHILLIGEN

KAFKA.jpeg

Ik wil al een tijdje over Israël en Palestina schrijven, want het is hier bij ons niet allemaal rozengeur en maneschijn, niet allemaal bellas artes en mooie muziekjes, ook niet in mijn hoofd. Maar mijn verontwaardiging over wat er in Gaza gebeurt verwoorden, dat valt me bijzonder moeilijk. Wat Israël - of toch de politieke leiders en het leger - bij de Palestijnse bevolking aanricht! De beelden die we te zien krijgen roepen bij mij herinneringen op aan de oorlog in Vietnam, aan wat de Amerikanen daar deden, het Amerikaanse leger, de soldaten, de opperbevelhebber, de president. Ik ben me ervan bewust dat dergelijke beelden niet altijd betrouwbaar zijn. Oorlog wordt in de media met propaganda gevoerd.  Zowel de Amerikanen als de Noord-Vietnamezen gebruikten ook al propaganda, al twijfelde niemand aan de waarheid van My Lai, zoals nu niemand twijfelt aan de oprechtheid van Gideon Levy’s opiniestukken in de Israëlische krant Haaretz. Het grote verschil in het protest tegen de twee ‘haviken’, de VS  en Israël, is het gevaar van zichtbaar én verdoken antisemitisme. Destijds werd er wel betoogd tegen Amerika - US Go Home stond op duizenden muren te lezen - maar niemand van de tegenstanders van de oorlog haatte het Amerikaanse volk. Nu kunnen antisemieten zich voordoen als vrienden van het Palestijnse volk, wat ongetwijfeld ook gebeurt en op die manier aan terechte beschuldiging en straf ontsnappen. Maar brengt dit de kritiek op de wreedheid van het Israëlische leger – de voorbije weken en nu - in diskrediet? Een vraag om diep over na te denken.


Mijn vader was een jaar lang krijgsgevangene van de nazi’s. Weer in België sloot hij zich bij het verzet aan. Naar mijn weten heeft hij nooit heldendaden verricht, maar zijn engagement, hoe klein ook, heeft zeker indruk op me gemaakt, ook al ben ik het pas als adolescent te weten gekomen. Zelf ben ik al van in de jaren zestig een bewonderaar van de Joodse cultuur. Franz Kafka, Marcel Proust, Bob Dylan, Allen Ginsberg, Lou Reed, Roman Polanski, Marc Chagall: allemaal grootmeesters in hun vak en op zowat elk gebied grote voorbeelden. Een echte opsomming is hier ongepast. Evenmin wil ik dieper ingaan op het wat en waarom van mijn bewondering.

De meest afschuwwekkende gebeurtenis in de (gekende) geschiedenis is ongetwijfeld de Shoa. Er wordt beweerd dat jongeren stilaan vergeten wat de nazi’s in de uitroeiingskampen hebben uitgevoerd. Niet alleen met de Joden overigens. Hoe is dit mogelijk? Faalt ons onderwijs dan? De planmatige vernietiging van bijna een heel volk, in Europa althans, mag nooit vergeten worden.

Zelf heb ik 11 jaar tussen voornamelijk Chassidische Joden in Antwerpen gewoond. Hoewel ik atheïst ben vond ik deze mensen toch, op een manier die ik nog altijd niet kan verklaren, fascinerend, boeiend: ze dwongen respect af. Waarschijnlijk hield mijn fascinatie verband met hun anders-zijn. Ik heb mezelf ook van toen ik nog jong was anders gevonden dan de meeste andere mensen, een zonderling, een individu, zeker geen massamens. Ze waren mijn buren maar ik had weinig contact met hen; hun gemeenschap was nogal gesloten. Soms vroegen ze mij op sabbat om ergens aan te bellen, of het gasvuur in de keuken uit te draaien… Bizar misschien, maar niets om die mensen te gaan misprijzen, om van haat nog maar te zwijgen. Op een dag ontplofte in de Lamorinièresraat, waar ik woonde, een bom. Het was een aanslag op een bus met Joodse kinderen. Een van de kinderen kwam om het leven. De aanslag gebeurde recht voor het huis waar vrienden van me woonden. Gaten in de gevel, bloed op het trottoir, angst, afschuw. Daarna, zeer terecht, veel politiepatrouilles.

En nu dit, dit geweld tegen Hamas, misschien gerechtvaardigd vanuit Israëlisch standpunt, maar – veel erger - het geweld tegen de Palestijnse bevolking, die in de val zit. Vrouwen, kinderen, mannen, honden, kippen… Alles wat leeft is bedreigd. Wie kan dat rechtvaardigen? Hoe kan ik me daar niet tegen verzetten? Het is onmogelijk. Ik hoop met hart en ziel dat mijn weinige Joodse vrienden en kennissen en de mensen die ik bewonder mijn verontwaardiging kunnen begrijpen. Dat ik woedend ben op gewelddadige mensen, niet op inwoners van een land, niet op een volk, niet op individuen die verkiezen te geloven in een moreel en intellectueel waardevolle religie. Dat ik woedend ben op de mensen achter de schermen, degenen die we nooit te zien krijgen, de mannen (en misschien zelfs vrouwen) met Geld en Macht, de grote onverschilligen.

 

israël,palestina,hamas,gaza,geweld,verontwaardiging,bewondering,vietnam,soldaten,leger,legerleiding,macht,geld,vs,antisemitisme,vader,woii,verzet,nazi's,concentratiekampen,vernietiging,endlösung,shoa,wreedheid,antwerpen,buren,chassidische joden,religie,bijbel,joodse cultuur,boeken,gemeenschap,onzichtbaar,onverschilligen


...

Tekening: Franz Kafka.
Foto: Het bloedbad in My Lay.

15-07-14

REGIONEN VAN DE VERBEELDING

IMG_7951.JPG

In jouw Londen zwerf je rond in een boek, in meerdere boeken, in een hele bibliotheek. De ene wijk is een roman van Virginia Woolf, de andere een gedicht van Keats, wat verderop houden Ian McEwan en Martin Amis de wacht. In de vuile lucht die je inademt zitten, nauwelijks zichtbaar, letters van Shakespeare, het gras op Primrose Hill groeit uit de buik van William Blake. In je Londen bestaat het reële niet. Je wandelt door straten van the Beatles, the Rolling Stones, David Bowie, the Clash en Marianne Faithfull. De meisjes en jongens in Soho, Chelsea, in Brick Lane en Camden Town zijn figuranten in een lange, coole film van een Antonioni-adept. De gevels zijn schilderijen van Peter Blake en Richard Hamilton, de interieurs en de figuren die je je achter de ramen voorstelt creaties van Francis Bacon, Lucian Freud, RB Kitaj en David Hockney. 

Na zo’n dérive begeef je je naar the Dog & Duck waar Hanif Kureishi achter de toog staat. Hoe lekker, dat Spaanse bier!

IMG_8100.JPG

Peter Ackroyd houdt het allemaal bij elkaar, geeft er betekenis en zin aan.

IMG_8646 baillementshysteriques2.jpg

Als je thuiskomt moet je je, zoals Zizek schrijft, weer laten neerploffen in le réel, wat wel eens een moeilijke opgave zou kunnen zijn. Echt, meen je dat? Ja, want ook in je eigen stad slenter je graag dagdromend door de straten en in de parken, met de stemmen van schrijvers en de beelden van fotografen en kunstenaars in je hoofd. Een estheticus, een schone ziel, een aanhanger van l’art pour l’art dan toch nog altijd? De teleurstelling als je thuiskomt is echter groot. Hoezeer je je ook verzet tegen de val: de zuigkracht van het reële is te sterk. Er zijn niet alleen de grijze, verloederde straten van Anderlecht en de lelijke*, slecht geklede mensen (waar jij deel van uitmaakt). Er zijn ook het WK, de Ronde van Frankrijk, de honderden popfestivals, waar namaakmuziek een alibi is voor het consumeren van slecht bier en zielloze seks; bovenal zijn er de verschrikkingen die Israël in zijn bezette gebieden tegen de bevolking begaat. Je stort onherroepelijk en noodzakelijkerwijs neer in de dagelijkse miserie. En terwijl je neerstort kom je al opnieuw in opstand, of verzin je een nieuwe vlucht in andere regio’s van de verbeelding.IMG_8952.JPG

... 

 

*In ‘De ringen van Saturnus’ schrijft W.G. Sebald dat de Belgen, en met name de Brusselaars, zo lelijk en zo misvormd zijn ten gevolge van de ongeremde uitbuiting van de Kongolese kolonie. “In elke geval herinner ik mij heel goed dat ik bij mijn eerste bezoek aan Brussel in december 1964 meer gebochelden en gekken ben tegengekomen dan anders in een heel jaar.”, lees ik op pagina 129. In Sint-Genesius Rode ziet Sebald een scheefgegroeide, spastische biljartspeler “met onfeilbare zekerheid de moeilijkste caramboles maken.”

Foto's: Martin Pulaski, London, juni 2014. Een vrouw in Chinatown; de bibliotheek van John Keats in Keats House; "bouillements hystériques" in Whitechapel Gallery; een meisje in Baker Street Station.

11-07-14

TIJD OM TE LEZEN?

IMG_8491.JPG

Zou ik nu ik schijnbaar over meer tijd beschik dan vroeger minder lezen? Ik neem aan dat ik minder boeken lees – maar daartegenover staat al het vluchtige dat ik online tracht te ontcijferen. Nog altijd heb ik het gevoel dat die laatste manier van lezen minderwaardig is. Bovendien maakt ze mij onrustig en ontevreden, vaak voel ik het aan als ‘tijdverlies’, weer minder tijd om klassieke romans, gedichten en filosofische werken te lezen. Hoe lang ben ik nu al niet met ‘De idioot’ van Dostojewski aan het worstelen! Niet met de idioot zelf, en het is ook helemaal geen worstelen, want het is een enorm genoegen (ook al is het geen voortreffelijke vertaling), maar het duurt wel lang.

Waar ik helemaal zeker van ben is dat ik veel minder boeken dan nog niet zo lang geleden van mijn reizen en reisjes meebreng. Ik herinner me dat ik voor ik in september 1991 uit New York terugkeerde een extra reistas moest aanschaffen voor alle boeken die ik in The Strand en kleinere winkels had gekocht. Dat zal me nu niet meer overkomen. Van Valle Gran Rey, in februari, bracht ik helemaal niets mee, van Praag alleen wat reproducties van Tsjechische filmaffiches (op klein formaat) en nu uit Londen al wat meer, maar toch bijna uitsluitend dunne boekjes. Dat laatste is nu wel een trend, maar ik ben er zeker mee opgezet. Van wat ik uit Londen meebracht e
en lijstje dan maar:


On The Pleasure Of Hating – William Hazlitt
Politics And The English Language – George Orwell
An Apology For Idlers – Robert Louis Stevenson
One Way Street And Other Writings – Walter Benjamin
Dylan On Dylan – Edited by Jonathan Cott
Cash. The Autobiography Of Johnny Cash – Johnny Cash with Patrick Carr
Young Adam – Alexander Trocchi
Artful – Ali Smith
Junky – William S. Burroughs
The Subterraneans – Jack Kerouac
Event.
Philosophy In Transit – Slavoj Zizek


Dat lijkt misschien veel, maar het zijn niet veel pagina’s. Bovendien zijn er boeken bij die ik al bezit en al heb gelezen. Waarom koop ik boeken die ik al heb? Ik weet het niet goed; wel heb ik de indruk dat ik dat almaar meer begin te doen, ook met muziek. Zo kocht ik gisteren alle cd’s van Nick Drake - die ik al allemaal op vinyl heb en dan ook nog eens de eerste editie op cd. Geldverspilling, terwijl ik het helemaal niet breed heb? Misschien gaat het om een vlucht in het verleden, naar mijn vertrouwde wereld, misschien maakt het nieuwe, het onbekende me bang. Dat zou ik erg vinden: ik heb altijd van mezelf gedacht dat ik erg nieuwsgierig was, open voor het andere, een voorloper zelfs, iemand met een oog en oor voor wat aanvankelijk aan de aandacht van de meeste mensen ontsnapt. Ben ik dan zo veranderd? Of heb ik me in mezelf vergist?

Ik ben echter wel blij dat ik überhaupt nog lees en ik vind het altijd een genoegen dat ik andere mensen zie lezen. In Londen in de tube, waar ik gretig gebruik van maak, is het mij opgevallen hoeveel de passagiers daar lezen. Een lust voor het oog. Gisteren in de metro hier in Brussel heb ik even rondgekeken en wat ik in Londen al vermoedde kwam uit: ik zag niet één reiziger met een krant, boek of tijdschrift in de handen. Wat zegt dat over deze stad? En wat zeggen de in de Underground lezende mensen over Londen?

IMG_8567.JPG

Foto's, Martin Pulaski, London, juni 2014.

05-07-14

BLUE

blue 2.jpg

Vorige week zag ik in Tate Modern in Londen Derek Jarman’s laatste film, 'Blue' (1993). Jarman beëindigde de film kort voor zijn dood; hij was toen al grotendeels blind. De titel ‘Blue’ dekt helemaal de lading: de hele film is een enkel shot van de kleur blauw, ongeveer hetzelfde blauw als dat van Yves Klein. Helemaal? Niet echt, want het is hem zeker ook om de soundtrack te doen, die op mij een diepe indruk maakte, ook al begreep ik niet alles van de tekst. ‘Blue’ is de aangrijpende en zeer intieme getuigenis van iemand die gaat sterven: Derek Jarman zelf. “The virus rages fierce. I have no friends now who are not dead or dying. Like a blue frost it caught them. At work, at the cinema, on marches and beaches. In churches on their knees, running, flying, silent or shouting protest.” Droevig, melancholisch, sereen, en subliem in de ware zin van het woord. De verbluffende soundtrack laat geluiden, muziek, stemmen horen van Brian Eno, Danny Hyde, Gini Ball, Hugh Webb, James Mackay, Jan Latham Koenig, John Balance, Kate St. John, Marden Hill, Markus Dravius, Marvin Black, Miranda Sex Garden, Momus, Peter Christopherson, Richard Watson, Simon Fisher-Turner, Tony Hinnigan, Vini Reilly, Derek Jarman, John Quentin, Nigel Terry en Tilda Swinton.

blue12-yves-klein-theredlist.jpg

Op het terras, met uitzicht op de Theems en de Londense skyline, uitgeput door zoveel opwindende en saaie kunst in die grote fabriek, opperde ik, wat onnadenkend en met weinig respect voor de kunstenaar, dat alles al gedaan is. Met weinig respect omdat ik nog maar eens een keer aan mezelf dacht. Toen ik er enkele jaren geleden aan dacht om al mijn foto’s van blauwe luchten – het waren en zijn er heel wat - in een serie onder te brengen en er teksten bij te schrijven wist ik waarschijnlijk al wel dat dat niet zo’n origineel idee was, zoniet had ik er wel iets mee gedaan. Nu ik ‘Blue’ gezien had vond ik mijn voornemen van toen ronduit bespottelijk.

Wat later ging ik in de boekwinkel van Tate op zoek naar een boek met kleurfoto’s van William Eggleston. Op de immense tafels vond ik alleen zijn zwart-witfoto’s. Na wat zoeken in de rekken trof ik echter een mijn onbekend werk met de fascinerende titel ‘At Zenith’ aan. Ik had het kunnen en moet weten, maar ik wist het niet: ‘At Zenith’ bevatte niets anders dan foto’s van de wolken en de blauwe lucht.

“During a 1978 road trip from Georgia to Tennessee, Eggleston photographed the sky from the car window using an early instant camera. The resulting images evoked small fragments of classical frescoes. The following day, he lay on the ground and continued to shoot the sky above. “At Zenith” brings together fifteen pigment prints from the Wedgwood Blue cloud series, in which Eggleston takes celestial zenith--the point of sky directly overhead—as his exclusive subject. These meditative images of wispy clouds interspersed with cerulean blue are painterly variations on a universal theme that has inspired artists from John Constable to Gerhard Richter. The photographs represent a broadening of Eggleston’s quotidian subjects—an exploratory, sky-gazing caesura within the lush panorama of his oeuvre.”*

Ondanks deze wijze en juiste woorden en mijn obsessie voor toevallige gebeurtenissen was ik teleurgesteld. Waar ik felkleurige Americana-foto’s verwachte trof ik bijna monochrome blauwe luchten aan – hoe saai, hoe vervelend! Het is alsof je de bioscoop binnenstapt om ‘Singing In The Rain’ te zien, en dan ‘Touch Of Evil’ te zien krijgt.
blue - william eggleston at zenith 14.jpg

Alles is al gedaan, er is niets nieuws onder de zon. Toch kan het misschien geen kwaad om alles, of misschien niet alles maar datgene wat goed (agathos) was en is, nog eens over te doen? Zeker loont het de moeite om wat goed is te zien, terug te zien en om het allemaal goed te bekijken en niet te snel een oordeel te vellen, zoals ik daar uitkijkend over Londen met de blauwe foto’s van William Eggleston deed.

...

*Uit de inleiding bij een tentoonstelling van deze werken in de Gagosian Gallery in New York in 2013.


18-06-14

LONDENSE IMPRESSIES

9192374072_454f2dea58_o.jpg

In Tate Modern (juni 2013)

Foto’s van William Eggleston, fotograaf uit Memphis. Bijna archetypische Amerikaanse beelden: de poëzie van het banale, Coca Cola, garages, autobanden, lost highways... Verwantschap met Andy Warhol en pop art in het algemeen, ook met Wim Wenders. Ik las dat Eggleston een langdurige verhouding had met Viva, een van de supersterren van Warhol. Zij was met de popartkunstenaar aan de telefoon toen Valerie Solanas hem neerschoot. Omstreeks 1970 was ik ‘verliefd’ – ik weet niet hoe ik anders moet noemen - op Viva en op Edie Sedgwick. Viva’s autobiografische ‘Superstar’ heb ik verslonden. Later kwam er het geweldige ‘Edie’ van Jean Stein.
viva 5.jpg

Grote, indrukwekkende werken van Gerhard Richter. Feesten van bloed en wijn van Cy Twombly. Offers van schoonheid, aan schoonheid, zoals bij de antieken. Rothko’s rode stilte.  John Heartfield keert nu ook weer terug in mijn leven, bijna net zo vaak als Pablo Picasso en zijn vrouwen. Overigens zijn de vrouwen hier op straat mooier dan die van Picasso. Dat heb ik altijd gevonden van de Londense vrouwen, dat ze zo mooi zijn. Misschien is het daarom een van mijn uitverkoren steden? Maar ga ik niet om het even waar heen voor de meisjes, de vrouwen? Zijn ze niet overal mooi? Het is zoals met vlinders, onmogelijk te beweren dat er een niet bevallig en sierlijk is. In Londen lopen de vrouwen je in alle kleuren voorbij, veel meer tinten nog dan in Brussel. Net als in Brussel lijken ze dichtbij maar zijn ze toch onbereikbaar. Wat me aan het gedicht over de passante van Baudelaire doet denken. Altijd die droefheid na voor enkele seconden verliefd geweest te zijn op een voorbijgangster of – een ogenblik langer – op een Aphrodite in de metro. Ja, veel meer kleuren, en ook alle stijlen door elkaar, zoals bij Neo Rauch.

tonight-lets-all-make-love-in-london-movie-poster-1967-.jpg

In Tate Modern zie ik de postmoderne massa die wat ‘cultuur wil meepikken’, cultuurtoeristen zoals ik - maar ben ik dan echt niet anders? In de eerste plaats kom ik hier al voor die vlinders, en voor de trottoirs waarboven ze rondfladderen en zich laten bewonderen, voor de straten waar geen eind aan komt, voor de straatnamen, voor de rivier die me sinds 1980 altijd aan the Clash doet denken, die associatie ligt denk ik voor altijd vast. Daarvoor doemde als ik aan de Theems dacht meestal Virginia Woolf op, soms Wiliam Blake, nu al zo lang die bijna militaire dreun, maar de rivier zelf blijft vredig kabbelen. Nooit heb ik de Theems wild gezien.

In Hampstead (juni 2013)

Alessandro Baricco beweert in ‘De barbaren’ dat we nog in de romantische periode leven. Bij het Keats House in Hampstead zou je dat niet meteen zeggen. Geen mens te zien daar. Maar ik kwam er al laat aan, bijna tegen sluitingstijd. In de tuin dacht ik aan de dichter en zijn geliefde Fanny Brawne, aan hun brieven, en aan het lange gedicht dat ‘Bright Star’ heet, nee, niet werkelijk een gedicht maar een film van Jane Campion. Still, still to hear her tender-taken breath, / And so live ever — or else swoon to death. In de tuin daar kwam ik volkomen tot rust, zoals eerder al bij de pagode van Boeddha, waar ik enkele minuten zat te peinzen en me af te vragen of ik toch maar geen boeddhist zou worden, hoewel de zon al stilaan onderging.

9189606159_d5b3edb91b_o.jpg

Londen overspoelt me met namen.  Geen namen van notabelen, van voorzitters en secretarissen van raden van beheer, neen, namen van kunstenaars, schrijvers, grote historische figuren, namen van mensen die hier ooit zijn geboren of naar hier zijn gekomen en van hier de wereld hebben veroverd, sommigen van hen letterlijk. Veel verleden, maar ook veel toekomst in deze straten. Dat laatste heeft deze reusachtige stad gemeen met het kleinere Brussel. De toekomst die aan de jongeren toebehoort, maar ook aan onszelf: we mogen de stad, Brussel bedoel ik nu, niet aan zichzelf overlaten, we moeten haar koesteren, we moeten haar verzorgen, ze is een kwetsbaar, levend organisme. In dat opzicht moet ik zeker mijn leven veranderen. Veel minder in mijn kamer zitten piekeren, tijd verliezen met wachten op dingen die nooit zullen gebeuren, maar buiten gaan, kijken wat er rondom mij gebeurt, nu, en mezelf ook tonen aan de stad, aan de andere mensen. En dan weer zelf met nieuw voedsel thuiskomen.
Welke namen schieten mij nu spontaan te binnen? George Orwell. Shakespeare. Karl Marx. Virginia Woolf. Lytton Strachey. Bloomsbury. Thomas Carlyle (nochtans een Schot). Rolling Stones. Beatles (musicerend op het dak). The Fool (Simon & Marijke). The Clash. Guy Stevens. Abbey Road. Carnaby Street. Hampstead. Primrose Hill. Donovan’s ‘Sunny South Kensington’. Terence Stamp. Julie Christie.
Deze opsomming roept weer een andere op: Borges, Foucault, Eco*, Buñuel, Sebald en, niet vergeten, Don Giovanni. Opsommingen, lijsten, classificaties, reeksen liggen vaak aan de basis van kunst, film, literatuur. Aan de hand van lijsten wordt gepoogd de realiteit te vatten, in te delen, begrijpelijk te maken.

Wat geeft je zo’n aangenaam gevoel in plaatsen als Hampstead? Gaat het om een soort van nostalgie, een verlangen naar wat voorbij is… Een verlangen dat niet naar bevrediging vraagt, dat aan zichzelf genoeg heeft? Een romantisch bewustzijn, geheel voorbijgestreefd door de geest van het postmoderne? Vermoedelijk.

 

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

 

In Bradley’s Spanish Bar (juni 2013)

Kunstwerken ontstaan niet toevallig en zeker niet vanzelf. Er is altijd eerst voorbereiding, oefening, geduld, talent, openheid, invloeden, keuze, selectie, verlangen… Is het dat wat ons zo’n ontzag inboezemt, is het daarom dat we op bedevaart gaan naar musea, is het daarom dat we literatuur als heilige tekst beschouwen en muziek als iets goddelijks, een doorlopende boodschap van de engelen?

Vrij vaak heb ik de indruk dat ik in musea en kunstgalerijen heel wat meer vrouwen zie dan mannen. Klopt die vaststelling, of gaat mijn aandacht gewoonweg veel meer naar vrouwen dan naar mannen uit? Zie ik de mannen niet staan? Bovendien ontwaar ik veel meer beelden van vrouwen, portretten van vrouwen - en ik denk aan de vrouwen van Henry James, Dante, Flaubert (hoewel er in de literatuur natuurlijk veel onvergetelijke mannelijke helden voorkomen, de man zonder eigenschappen voorop)… Zijn er nog steeds minder vrouwelijke dan mannelijke kunstenaars? Dat geloof ik niet. Sinds het midden van de vorige eeuw is er wat dat betreft gelukkig veel veranderd. Toch denk ik soms dat vrouwen meer tevreden zijn met zichzelf, dat ze graag behagen en het bijgevolg niet nodig vinden iets naast zichzelf, iets buiten zichzelf te ontwerpen. Een voorbijgestreefde, romantische gedachte natuurlijk, maar het zij zo. Soms denk ik dat mannen meer van zichzelf vinden dat ze tekortschieten, dat een man iets aan zichzelf moet toevoegen om te kunnen behagen, om het gevoel te krijgen dat er naar hem verlangd kan worden.  Wat een romantische gedachten houden mij toch bezig!

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

...

*At first, we think that a list is primitive and typical of very early cultures, which had no exact concept of the universe and were therefore limited to listing the characteristics they could name. But, in cultural history, the list has prevailed over and over again. It is by no means merely an expression of primitive cultures. A very clear image of the universe existed in the Middle Ages, and there were lists. A new worldview based on astronomy predominated in the Renaissance and the Baroque era. And there were lists. And the list is certainly prevalent in the postmodern age. It has an irresistible magic.
Umberto Eco, Spiegel International, November 11, 2009

Foto's: Martin Pulaski, uitgezonderd Viva, Tonite Let's All Make Love in London, Julie Christie

 

 

 

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende